artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2000

Depressies op jeugdige leeftijd

Vreemd Gedrag!?

auteur: Dr. Cees A.M. de Wit
Psycholoog en universitair hoofddocent aan de Afdeling Ontwikkelingspsychologie van de Katholieke Universiteit Nijmegen.

De achtergrond van waaruit kinderen in een pleegzorgsituatie komen, maakt de kans op het ontstaan van een depressie aanzienlijk. Depressies zijn ernstige stoornissen, met belangrijke ontwikkelingsrisico's. Het is daarom van groot belang dat pleegouders en bij de pleegzorg betrokken hulpverleners goed geonformeerd zijn over de belangrijkste kenmerken van depressie

Kenmerken

Wanneer we het over depressie hebben, gaat het om meer dan de tijdelijke sombere bui waar elk kind, elke puber, en ook elke volwassene af en toe wel eens last van heeft. In het algemeen gesproken is een depressie een stoornis waarbij men langdurig (dat wil zeggen weken, maanden, soms jaren) neerslachtig functioneert, een matte droevige stemming heeft, nergens meer van kan genieten, nergens meer zin in heeft en nergens meer interesse in heeft. Vaak komen daar depressieve gedachten bij dat men niets meer waard is, niet goed genoeg is, en heeft men geen positieve toekomstverwachting meer. Ook zijn er vaak lichamelijke klachten (eetlust, slapen). In samenhang met de depressie kunnen zich ook nog allerlei klachten voordoen op het vlak van werk, school en relaties.
De vraag die hierbij opkomt, is of dit algemene depressiebeeld op alle leeftijden en in alle culturen op deze zelfde manier wordt aangetroffen. Ten dele blijkt dat inderdaad zo te zijn, maar ten dele ook niet. Wat steeds geldt is dat de zogenaamde kernsymptomen - dat wil zeggen de matte droevige stemming, het onvermogen om te genieten en het verlies van interesse en motivatie - in alle gevallen aanwezig zijn: die bepalen dat we van een depressie kunnen spreken. Maar zowel in de uitingsvorm van die kernsymptomen als in de symptomen die er daarnaast ook nog kunnen optreden, zit veel variatie, als gevolg van leeftijd en culturele achtergrond.
Zo is de stemming van jonge kinderen vaak eerder mat en prikkelbaar dan droevig; ook zijn depressieve jonge kinderen niet suocidaal en hebben zij geen negatieve gedachten over zichzelf of hun toekomst; vaak zijn ze niet speels; wel zijn ze vaak angstig voor verlies en scheiding, vertonen ze weinig aandrang om zich te ontwikkelen en maatschappelijk vaardig te worden. Bij oudere kinderen staan schoolproblemen en moeilijkheden in het contact met andere kinderen (pesten, er niet bij horen) vaak op de voorgrond; bij hen treffen we wel depressieve gedachten over zichzelf of de toekomst aan, maar die zijn vaak onrealistisch ("papa is weggegaan omdat ik boos op hem was"); oudere kinderen zullen ook eerder over hun depressief gevoel praten, terwijl dat bij jongere nog helemaal niet gebeurt. Bij de meeste depressieve kinderen komen vage lichamelijke klachten voor (hoofdpijn, buikpijn, spierpijn, zich niet lekker voelen). Bij depressieve pubers treffen we veel slechtheidsbelevingen aan, negatieve gedachten over het eigen uiterlijk, over de verhouding tegenover leeftijdgenoten en over de wens om een opleiding af te maken; daarnaast vertonen ze de neiging ofwel om zich extreem terug te trekken, ofwel om stoer te doen alsof er niets aan de hand is; niet zelden ook zullen depressieve jongeren negativistisch gedrag te zien geven, agressie tegen anderen, waardoor het beeld van depressie naar de achtergrond verdwijnt. Jongeren die afkomstig zijn uit NoordAfrikaanse en Oosterse culturen zullen niet zo gauw over hun depressie praten, maar eerder lichamelijke uitingen te zien geven.

Ernst van de stoornis

Depressies komen op alle leeftijden voor. Bij baby's al kunnen we depressieve stoornissen aantreffen of toestanden die op latere leeftijd in een depressie overgaan. In de preschoolleeftijd komt depressie bij 1 procent van de kinderen voor; bij kinderen in de basisschoolleeftijd bedraagt dat percentage ongeveer 2 procent, en in de puberteit en adolescentie loopt het percentage op tot 3 tot 8 procent. In de basisschoolleeftijd komt depressie ongeveer even vaak voor bij jongens als bij meisjes. In de puberteitsleeftijd komt daar verandering in en zien we hoe depressie ongeveer twee keer zoveel voorkomt bij meisjes (en later vrouwen) als bij jongens.
Vooral bij kinderen en adolescenten duren depressies vaak heel lang. Van de ernstigste vorm is bekend dat die gemiddeld 9 maanden duurt, terwijl de iets minder ernstige vorm op de kinderleeftijd gemiddeld vier jaar duurt (dus het is maar wat je ernstig noemt!). De kans op herhaling is heel groot: wie eenmaal een depressie heeft doorgemaakt, heeft een grote kans dat deze later terugkomt. Depressies gaan ook vaak samen met nog andere stoornissen (angsten, eetproblemen, antisociaal gedrag). Een ander risico is dat depressie bijdraagt tot het ontstaan van suocidaliteit of drank en drugsmisbruik, of van een manischdepressief beeld. Ook kan het verloop van de normale psychosociale ontwikkeling en van alle ontwikkelingstaken die kinderen en pubers moeten afhandelen, door een depressie ernstig ontregeld of geblokkeerd raken. Depressie is dus in veel opzichten een heel ernstige stoornis.

Mogelijke oorzaken

In de meeste gevallen is er niet 1 oorzaak aan te wijzen van waaruit de depressie ontstaat. Meestal gaat het om ingewikkelde processen tussen factoren in het kind zelf en in de omgeving en in de levensloop.
In het kind zelf kunnen onder meer erfelijke (genetische) factoren meespelen, het temperament en de stijl van omgaan met agressie, aangeboren of verworven gebreken of handicaps (lichamelijk of verstandelijk), sociale tekorten, gevoelens van machteloosheid ten aanzien van omgevings of levensloopfactoren.
In de omgeving (ouders, gezin, school) kunnen factoren meespelen als depressie van een ouder, een chronische ziekte of aandoening van een gezinslid, moeilijkheden in de omgang tussen ouder en kind (bijvoorbeeld vanwege hechtingsproblemen, een autoritaire opvoedingsstijl, acceptatieproblemen, verwachtingen die niet stroken met wat het kind is of aan kan), pesterijen door andere kinderen, teleurstellende schoolprestaties, onverwerkte verlieservaringen en stagnerende rouwverwerking, relatieproblemen tussen de ouders.
In de levensloop kunnen ervaringen van dood, verlies of scheiding tot het ontstaan van een depressie bijdragen, evenals ervaringen van sexueel misbruik, mishandeling of andere traumatisering.
Soms ontstaat zo'n depressie al op heel jonge leeftijd, waardoor de kans dat de depressie zich vastzet in het ontwikkelende centrale zenuwstelsel extra groot is. In de meeste gevallen echter ontstaat de depressie pas later, in allerlei situaties of interacties, waarvan het karakteristieke is dat er niet op de juiste manier tegemoet gekomen wordt aan de behoeften, wensen, gevoelens, ontwikkelingsaspecten, dus 'identiteit' van het kind. Hij of zij kan dan het idee krijgen niet goed gevonden te worden, of ondergeschikt, onbelangrijk of incompetent, waardoor depressieve idee‘n en gevoelens ontstaan en instandgehouden worden, en waardoor bovendien de hersenstructuren die met dat soort van gevoelens en gedachten samenhangen langdurig geactiveerd worden en een moeilijk te corrigeren invloed gaan uitoefenen.
In pleegzorgsituaties is de kans op het ontstaan van depressies aanzienlijk. Kinderen worden immers niet voor niets in een pleeggezin geplaatst. Vaak zijn er ernstige conflicten aan voorafgegaan, zowel tussen de ouders als tussen ouders en kind, waarin het kind zich afgewezen, benadeeld, gekwetst of als pion gebruikt voelt en niet omwille van zijn of haar eigenheid geliefd en gewaardeerd. Misschien is het kind mishandeld of misbruikt, waarbij het de ervaring van onderschikking van de eigenheid aan de willekeur en behoeften van anderen opgedrongen heeft gekregen, Mogelijk heeft het kind ernstige verlies- of scheidingservaringen meegemaakt, en is het daardoor extra verliesgevoelig geworden, of voelt het zich schuldig, of kan het nergens terecht met de gevoelens die daarmee samenhangen, Misschien is het kind doordat het benadeeld werd en tekort gedaan, afwijzend en opstandig geworden, waardoor het nog meer afwijzing dreigt uit te lokken en daarmee een versterking van gevoelens van depressie. Stuk voor stuk situaties die het kind als een bevestiging van eigen slechtheid, incompetentie, ongewenstheid of onderschikking kan ervaren en die daarmee de kans op het ontstaan van een depressie vergroten. En dat geldt des te meer natuurlijk omdat kinderen met deze achtergrond, in een aantal gevallen vermoedelijk een erfelijke aanleg (genetische predispositie) in die richting heeft meegekregen. Ook kan het zijn dat een kind, eenmaal in een pleeggezin geplaatst, niet tegemoet kan komen aan de wensen en verwachtingen van pleegouders, of in het pleeggezin toch geen goede invulling vindt voor de gevoelens van leegte en afwijzing waarmee het binnengekomen is, of in nieuwe relationele conflicten verzeild geraakt. Ook dan is het ontstaan van een depressie niet ondenkbaar, des te meer, omdat er in de voorgeschiedenis van deze kinderen al van alles is misgegaan en er genetische factoren meespelen.

Hulp

Onderkenning van de depressie is het eerste wat moet gebeuren. Dat is soms heel moeilijk. Signalen die op een depressie wijzen zijn niet zichtbaar, ze spelen zich in belangrijke mate in het hoofd en hart van het kind af. De signalen zijn vaak ook verborgen onder andere, schijnbaar niet-depressieve gedragsproblemen. Soms wil of kan de omgeving de signalen niet herkennen omdat ze zelf op een of andere manier te dicht bij het kind en/of diens depressie betrokken is om deze nog objectief te kunnen onderscheiden. Dan is bij het proces van onderkenning hulp van buiten nodig, van familieleden, leerkracht, huisarts, jeugd-arts of verpleegkundige, pastor of andere betrokkenen. Die staan dan voor de moeilijke taak om hun herkenning van de depressiesignalen van het kind met de (pleeg)ouders te delen en hen tot verdere hulpverlening te motiveren.
Vervolgens moet men goed zicht krijgen op de aard van symptomen, de oorzaak en de ziektegeschiedenis tot dan toe, zodat duidelijk wordt waar ingegrepen moet worden. In alle gevallen is daarvoor uitvoerige en zorgvuldige psychologische, psychiatrische en gezinsdiagnostiek nodig. Om deze goed te kunnen uitvoeren is nodig dat ouders en gezinsleden steeds uitdrukkelijk tegenover elkaar en het kind uitspreken dat men zelf verandering wil, èn dat het kind vrij is om aan alle aspecten van diagnostiek mee te werken. Als het kind voelt dat de depressiediagnostiek aan zaken zou kunnen raken die met problemen of ervaringen van de ouders samenhangen, zal het daar niet zo gauw op ingaan als het niet duidelijk toestemming gekregen heeft om daarover te praten. Uit loyaliteit met ouders en gezin zal het kind pas vrij over allerlei verhoudings- en ervaringsproblemen spreken, als het uitdrukkelijk te horen heeft gekregen dat dit 'mag'. Zorgvuldige afspraken over het privékarakter van de diagnostische gegevens van het kind en de berichtgeving daarover aan anderen, horen daar onlosmakelijk bij.

Als therapie aangeboden wordt, moet deze zowel op het kind als op de omgeving gericht worden. Ook hier geldt dat interventies tegenover het kind ingebed moeten zijn in een zorgvuldige weging van omgevingseffecten en -reacties. Aan het kind moet diverse interventies aangeboden worden: herstellen van een dagritme als dat verstoord is, versterken van vaardigheden, aanbieden van situaties waarin het kind het tegendeel van negatieve gedachten kan ervaren, herstructureren van negatieve gedachten en perspectieven, verwerken van pijnlijke ervaringen of soms het toedekken daarvan, verbeteren van de sociale contacten en het steunnetwerk, en in bepaalde gevallen ook antidepressieve medicatie. Therapieën ten behoeve van de omgeving zijn onder meer gericht op herstel en herstructurering van ziek makende relatiepatronen, verwerken van vroegere pijn van (een van) de ouders of gezinsleden, versterken van pedagogische en/of communicatieve vaardigheden, versterken van het steunnetwerk van ouders/gezin.
Voor een deel kunnen deze interventies door ouders of leerkrachten zelf worden uitgevoerd, bijvoorbeeld het opdoen van 'correctieve ervaringen', het herstel van een dagritme, de bevestiging van wat het kind goed kan. Waar de depressie diep zit of langdurig bestaat en met complexe processen samenhangt, biedt verwijzing naar een hulpverleningsinstelling (GGZ-instelling) veelal het beste uitzicht op herstel van de depressie van het kind.

Literatuur
Wit, C.A.M. de. Depressie bij kinderen en adolescenten. Theorie en onderzoek, diagnostiek en behandeling. Houten, Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.
Wit, C.A.M. de, C. Braet, C. en T. Snaterse, T. (red.) . Behandeling van depressie bij kinderen en adolescenten. Lisse, Swets & Zeitlinger, 2000.