artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2000

Wat goed van jullie. Ik zou dat nooit kunnen...

Briefwisseling

Dag Ben,

Voor onze omgeving wordt het langzaam duidelijk dat wij pleegkinderen in huis hebben. Regelmatig is dat dus onderwerp van gesprek, want iedereen wil toch wel weten hoe het zit. Vorige week nog sta ik met twee peuterpleegkinderen en twee kleutertjes van onszelf bij de zuivel in de supermarkt luidruchtig te "overleggen" welke toetjes ingekocht moeten worden: gewone vla of toch maar van de teletubbies. Dan parkeert een collega-moeder uit de buurt haar kar langs de onze. Ze steekt direct van wal.

"Zeg, mag ik iets vragen?"
"Ja, hoor, dat mag"
"Jullie hebben twee leuke kinderen geadopteerd!" ( denk: "hoezo vraag")
"Nou, dit zijn pleegkinderen, hoor. Ze hebben dan wel een donker huidje, maar hun moeder is net zo blond als ik"
"Oh, ik dacht al. Wat is er aan de hand?"
"Wij zorgen tijdelijk voor deze kinderen, totdat ze weer terug kunnen naar huis"
"Wat knap dat jullie pleegouders zijn. Ik zou het niet kunnen" (weet echt niet wat ik hierop moet zeggen, dus ik richt me tot de kinderen.) "Jongens, weten jullie al welk toetje jullie willen?"
Einde gesprek.

En dit was nog maar een vage bekende. We kunnen niets met dit "bewonderen" om wat we doen, ook niet met de zelfreflectie dat zij dat nooit zouden kunnen.
Ze weten eigenlijk niet waarover ze praten, toch wordt direct de conclusie getrokken dat zij dat toch niet kunnen of willen. Niet gehinderd door enige kennis worden oordelen (over ons en henzelf) gegeven. Jammer, want ik heb ontdekt dat je slechts gaandeweg een goed beeld krijgt van pleegzorg.
Tijdens de voorbereidingsperiode weet iedereen je al te vertellen dat ze niet snappen dat je de "ellende van een ander" in huis wilt halen en ze waarschuwen je om alle gevolgen eens goed te overdenken. En als er dan eenmaal pleegkinderen bij jou zijn geplaatst, draait dat in mijn ogen om in een merkwaardig soort aanbidding. Hopelijk is dit een tijdelijk verschijnsel?

Michelle, pleegmoeder

Beste Michelle,

Laat de bewondering lekker over je heen komen, want die verdien je. Aanbidding gaat echter wel erg ver en helpt je niet verder, integendeel. De daaraan gekoppelde verwachtingen zijn torenhoog en belemmeren je om gewoon menselijk te zijn. Zodra je de ÔaanbiddersÕ confronteert met de normale dagelijkse knelpunten van je pleegouderschap donder je voor hen van je voetstuk en vinden ze bevestiging in hun stelling dat je zoiets als pleegzorg nooit op je moet nemen.

Gelukkig zijn er ook in dit ik-tijdperk nog altijd veel mensen te vinden die wat, en soms heel veel, voor anderen willen betekenen. De een doet dat met pleegzorg, de ander door zijn ouders in huis te nemen, een volgende door zich in te zetten voor gevangenen, zwervers, asielzoekers, het milieu. Vaak zie je daarbij dat degene die zich vol-strekt vanzelfsprekend inzet voor een mooi doel, en niet begrijpt dat een ander zoveel kan investeren in een andere prachtig taak. Misschien is dat prima zo; iedereen moet doen wat bij hem of haar past. Als pleegouders alleen maar gevoelens van aanbidding bij je oproepen dan kun je zelf beter een ander terrein van maatschappelijk betrokkenheid opzoeken. Pleegzorg past beter bij mij dan het verzorgen van mijn ouders; dat laatste kan ik dan ook maar beter niet in te grote mate op me nemen. Ben ik daarmee een slechte zoon? Zelf denk ik dat het voor mij en mijn ouders het beste is dat ik mijn mogelijkheden op dat terrein re‘el in schat. Misschien doet de moeder die je in de super ontmoette hetzelfde m.b.t. pleegzorg.

Bewondering geeft in wezen geen steun; het schept afstand. Steun krijg je wel van mensen die je bewogenheid goed kunnen invoelen zonder zich af sluiten voor de keerzijde van dat mooie, romantische plaatje. Steun heb je nodig: van je partner, van de pleegzorgwerker, maar ook van je zus en je vriendin. Je moet het gevoel hebben eens lekker te kunnen kankeren zonder dat de ander zegt of uitstraalt: "Ik heb het je toch gezegd......." Sommige pleegouders zoeken daarom contact met collega-pleegouders, formeel via een pleegoudergroep of informeel door elkaar bij tijd en wijlen te bellen. Ik ken een pleegmoeder die met haar vriendin heeft afgesproken dat ze een keer per maand alles mag en moet zeggen wat haar opvalt over haar rol als pleegouder. Zo krijgt ze steun en gezonde kritiek uit de directe omgeving en vervult deze vriendin - met graagte - een belangrijke rol in het pleegouderschap.

Zorgen en zaken delen met een ander helpt je relativeren en geeft de ander ruimte eventueel een handje te helpen. Mijn advies is daarom altijd: zoek iemand in je omgeving die je betrekt in het hele proces. Iemand waarmee je de leuke en de minder leuke zaken mee kunt uit wisselen. Als je anderen uitnodigt om er zich mee te bemoeien, kunnen ze van kritische stuurman aan wal tot een stevige steunpilaar uitgroeien. Wie, en in welke mate bepaal je zelf.

Groeten, Bert
pleegzorgwerker