|

|
artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2000
De tijdbom laat zich niet ontvlechten
thema: Balans van een ontvlochten pleegzorg
Door: Gé Haans, staffunctionaris/gedragsdeskundige
Stichting
Jeugdzorg Noord-Brabant
Toen zo'n zes jaar geleden de ontvlechtingsoperatie in de pleegzorg
werd doorgevoerd, stuitte dat aanvankelijk op veel weerstand binnen
de gezinsvoogdij en voogdij-instellingen. Het ontvlechten van plaatsing
en begeleiding zag men als een surrogaat-oplossing voor de zeer conflictgevoelige
'driehoeksverhouding' tussen ouders-kind en pleegouders. Voorstanders
van een ontvlochten pleegzorg hoopten met deze organisatorische ingreep
alles wat misging in de pleegzorg te kunnen verhelpen. In dit verband
is het zinvol om te kijken of de ontvlechting ook effect heeft gehad
voor een van de grootste dilemma's binnen de pleegzorg: de samenwerking
tussen pleegouders en ouders in het belang van het kind.
Tijdbom
Iedereen die zich ook maar enigszins heeft verdiept in de pleegzorg
weet dat een rivaliserende houding van de eigen ouders van het pleegkind
ten opzichte van de pleeggezinplaatsing de meest bedreigende factor
is voor het welslagen van een plaatsing. Als eigen ouders de plaatsing
langdurig niet accepteren, zeker als er sprake is van een gehechtheidsrelatie
tussen ouders en kind, legt deze zgn. non-acceptatie een tijdbom onder
de plaatsing. Een tijdlang kan het inperken of bevriezen van de omgang
tussen ouder en kind het ontstekingsmechanisme van deze bom nog buiten
werking stellen. Maar eenmaal boven de 12 kruipt het bloed waar het
niet kan gaan en wint de 'zijnsloyaliteit' tussen kind en ouder het
onverbiddelijk van de ‘verworven loyaliteit’ tussen kind
en pleegouder(1). De bom ontploft en het kind wordt soms geforceerd
weer thuis geplaatst. Door het ontbreken van daadwerkelijke veranderingen
in de thuissituatie is deze terugplaatsing vaak geen lang leven beschoren.
Hier begint het drama van het uithuisgeplaatste kind en de vaak langdurige
residentiële carrière van een zich onthecht gedragend
kind.
Dit gegeven, zo oud als de pleegzorg zelf, heeft zich merkwaardigerwijs
tot dusver onttrokken aan elke vorm van systematisch onderzoek. Zes
jaar na de ontvlechting staat het mechanisme van dé tijdbom
in de pleegzorg nog altijd op scherp. De ontvlechting is (nog) geen
goed instrument gebleken in de oplossing van de vele dilemma’s
die zich in deze kwetsbare situatie voordoen. Toch is een niet onbelangrijk
neveneffect van de ontvlechting dat - meer dan ooit - de begeleiding
van de ouders aandacht kreeg.
De ontvlechting verplicht immers de gezinsvoogdij/voogdijwerker om
ouders te helpen bij de acceptatie van de pleeggezinplaatsing. Deze
taakopdracht geeft de kans om inzicht te krijgen in factoren die bepalend
zijn voor de invulling en het welslagen van de ouderrol na de plaatsing.
Gedurende dat proces, het zgn. roldifferentiatieproces, leren ouders
in te stemmen met een andere rol als ouder, leren ze hoe ze afstand
kunnen doen van hun verzorgende/opvoedende rol, opdat het kind zich
kan gaan hechten aan zijn pleegouders.
Faalfactoren
In 1995 concludeert Scholte in een artikel in het Tijdschrift voor
orthopedagogiek (2) dat zo'n 25 tot 50% van alle pleegzorgplaatsingen
in Nederland mislukken of voortijdig beëindigd moeten worden.
Scholte baseert zijn conclusies op een aantal onderzoeken uit de jaren
tachtig en negentig. De faalcijfers die hij noemt komen overeen met
de praktijkervaring binnen de gezinsvoogdij/ voogdij. Met name jeugdigen
van 12 jaar en ouder hebben verhoudingsgewijs meerdere plaatsingen
achter de rug, zelfs al voordat de OTS of voogdij een feit werd. Scholte
onderzocht welke factoren de kans op mislukken van de pleeggezinplaatsing
beïnvloeden. Uiteindelijk onderscheidt hij er twee; de leeftijd
van het kind, en de aanwezigheid van gedrags- en emotionele problematiek
bij het kind op het moment van plaatsing. Als bijkomende factoren
noemt Scholte de betrokkenheid van de ouders bij de plaatsing, de
selectie, de matching en de begeleiding van de pleegouders. Deze gedachtengang
van Scholte is gemeengoed geworden in de huidige jeugdzorg, waar men
het accent vooral gelegd heeft op een zeer zorgvuldige diagnostiek
en indicatiestelling van de jeugdige en diens gezinssituatie. Toch
zijn de faalcijfers binnen de pleegzorg niet drastisch gedaald. Dat
wettigt de vraag of Scholte de betekenis van de ouders en het belang
van de begeleiding van deze ouders bij de acceptatie van een andere
ouderrol wellicht heeft onderschat. In zijn publicatie geeft Scholte
de betekenis van de betrokkenheid van de ouders bij de pleeggezinplaatsing
nog nadrukkelijk een negatief etiket: een te grote betrokkenheid van
de ouders zou de kans op falen van de pleeggezinplaatsing doen toenemen.
Tegenover deze ‘diagnose’ van Scholte staat een veelvoud
van gevalsbeschrijvingen van moeilijke kinderen die zich kunnen handhaven
in het pleeggezin dankzij de samenwerking tussen pleegouders en ouders.
De emotionele en gedragsproblemen die door Scholte worden be noemd
als de meest risicovolle factoren zouden wel eens nauw kunnen samenhangen
met wat door de Hongaars-Amerikaanse gezinstherapeut I. Boszormenyi-
Nagy als de ‘onzichtbare loyaliteit’ van het kind ten opzichte
van zijn ouders wordt gezien (3). Nagy doelt daarmee op de loyaliteit
van het kind naar zijn ouders die zich verpakt in negatief en afwijzend
gedrag naar pleegouders of verzorgers. In deze zin betaalt het kind
- door zijn gedrag - de prijs voor de non-acceptatie van de uithuisplaatsing
door de ouders. Met een voortdurende rivaliserende houding t.o.v.
de pleeggezinplaatsing ondermijnen ouders de kansen van pleegouders
om de loyaliteit van het kind te verwerven.
Deze visie legt de nadruk op het belang van samenwerking tussen pleegouders
en eigen ouders, en leidt tot belangrijke accentverschillen in de
begeleiding van zowel ouders als pleegouders. De begeleiding van de
ouders richt zich specifiek op het accepteren van de niet-verzorgende
ouderrol. Door de afzonderlijke aspecten en specifieke stadia die
hierin zijn te onderscheiden zijn noem ik dit 'de begeleiding van
een roldifferentiatieproces'(4). Op de kenmerken van dit begrip kom
ik verderop in dit betoog terug.
Ouders gehoord
Bovenstaande visie wordt ondersteund door de conclusies van het
recent uitgebrachte onderzoeksrapport van 'Ouders van pleegkinderen
gehoord' (5). Hierin wordt verslag gedaan van een onderzoek onder
22 ouders naar hun ervaringen met pleegzorg. Ook is onderzocht hoe
ouders over hun positie en perspectief m.b.t. de pleegzorgplaatsing
denken. In alle gevallen betrof het plaatsingen in het kader van een
kinderbeschermingsmaatregel.
Dit onderzoek toont aan dat ouders, in veel sterkere mate dan de gezinsvoogd,
de neiging hebben om het perspectief op terugplaatsing open te houden.
In sommige gevallen zijn ouders door persoonlijke beperkingen (zwakbegaafdheid,
psychiatrische handicap) niet in staat het perspectief van een langdurige
uithuisplaatsing van hun kind te bevatten. In alle gevallen is duidelijk
dat aanvaarding en invulling van een andere ouderrol doorgaans een
langdurig en intensief proces is. Dit roldifferentiatieproces start
op het moment dat de uithuisplaatsing zich als onvermijdelijk aankondigt
en loopt in geval het perspectief op terugplaatsing is uitgesloten
nog jaren door. Dit proces is een rouwproces dat een systematisch
doorlopen van de rouwfases vergt. Pas na het afscheid van de oorspronkelijke
ouderrol ontstaat er ruimte voor een nieuwe ouderrol. Het totale proces
moet echter veel systematischer dan tot nu toe het geval is in kaart
worden gebracht. Dit kan voor plaatser èn gezinsvoogd methodische
handreikingen opleveren voor de begeleiding van ouders. Want het is
opmerkelijk dat nagenoeg alle door Klooster en van Burik (5) geïnterviewde
ouders aangeven dat zij de gezinsvoogd een cruciale rol toedichten
in dit proces. De gezinsvoogd wordt door de ouders verantwoordelijk
gemaakt voor het ontstaan en het blijven voortbestaan van een goede
relatie tussen ouder en kind en tussen ouder en pleegouders. De gezinsvoogd
blijft daarmee een belangrijk bindmiddel. Hij is de mineur die de
tijdbom onschadelijk kan maken.
Citaat uit het raadsrapport aangaande de vrijwillige ontheffing uit
de ouderlijke macht van de thans 13 jarige Antwan. Antwan is 9 jaar
geleden in een pleeggezin geplaatst. Bij aanvang van de plaatsing
was er veel strijd tussen moeder en de gezinsvoogd. Moeder heeft meerdere
juridische procedures aangespannen om de plaatsing ongedaan te maken.
Ook zijn er meerdere deskundigen geraadpleegd. Alle beslissingen en
adviezen ondersteunden het beleid van de gezinsvoogdij-instelling:
'Moeder vertelt dat zij thans zo ver is dat zij kan accepteren dat
Antwan door pleegouders wordt opgevoed dit in tegenstelling tot voorheen.
Moeder zegt zich door de jaren heen te hebben gerealiseerd dat zij
wel degelijk een band heeft met haar zoon. De wetenschap dat Antwan
haar als 'echte' moeder onderscheidt van pleegouders, doet de angst
hem te zullen verliezen vervagen. Voor moeder is het belangrijk geweest
dat er altijd contact is blijven bestaan tussen haar en Antwan. Het
feit dat moeder altijd en overal door de gezinsvoogd betrokken werd
bij belangrijke beslissingen omtrent Antwan zorgde er voor dat moeder
geleidelijk aan haar eigen belang leerde te vertalen in dat van haar
zoon. Moeder heeft nu de overtuiging dat haar zoon goed in het pleeggezin
gedijt. Ze heeft vertrouwen in de opvoedingscapaciteiten van pleegouders.
Moeder geeft aan zich nooit door pleegouders buitengesloten te hebben
gevoeld. Dit gegeven dat pleegouders nooit getracht hebben haar rol
over te nemen, ligt ten grondslag aan moeders wens om Antwan tot aan
zijn meerderjarigheid door de huidige pleegouders te laten opvoeden'.
Methodiekontwikkeling
De combinatie van praktijkervaringen, onderzoeksresultaten en literatuurstudie
dwingt de pleegzorg tot een heroriëntatie van de rol die ouders
in het gehele plaatsingsproces spelen.
In het voorjaar van 2000 is daarom een tweejarig praktijkonderzoek
gestart van de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant en de Katholieke
Universiteit Nijmegen, afdeling orthopedagogiek, naar de werkzame
factoren in het roldifferentiatieproces. Naast dossieronderzoek en
interviews met plaatsers en deskundigen binnen de gezinsvoogdij/voogdij,
zal het onderzoek bestaan uit diepte-interviews met ouders van kinderen
die perspectiefbiedend in pleeggezinnen werden geplaatst. Wetenschap
en praktijk werken hier nauwgezet samen om - met de uitkomsten van
het onderzoek - een verbeterde begeleidingsmethodiek voor de praktijk
te ontwikkelen. Het is te hopen dat dit project uiteindelijk zal leiden
tot het terugdringen van het aantal vroegtijdig ontploffende perspectiefplaatsingen
in de pleegzorg.
Literatuur
(1) Pleegzorg in balans. Onder red. van A. Weterings. Uitg. Garant,
KOP-serie, 1998, 20.
(2) Scholte, E.M. Het plaatsen van jeugdigen in pleeggezinnen en residentiële
centra. In: Tijdschrift voor orthopedagogiek.1995, 34, blz. 99-114.
(3) Nagy-Boszormenyi, I. en G.M. Spark. Invisible loyalties. New York,
Harper en Row, 1973. Zie ook: A. Onderwaater. De onverbrekelijke band
tussen ouders en kind. Amsterdam, 1989. N. Bakhuizen van den Brink.
Tussen geven en nemen. Haarlem, De Toorts.
(4) Kummeling, J. Uithuisgeplaatst en dan? Baarn, Nelissen, 1990.
(5) Klooster. E. en A. van Burik. Ouders van pleegkinderen gehoord.
Amsterdam, Van Dijk, van Soomeren en partners, 2000.(Zie ook: MOBIEL,
nr. 3 van dit jaar, pags. 4-5)
|