artikel uit Mobiel 5, oktober/november 2000

Het protocol: de grondslag van de ontvlechting

thema: Balans van een ontvlochten pleegzorg

Door: Ineke Exel, redacteur Mobiel

De principes van de ontvlechting zijn neergelegd in een document, het zgn. protocol. De Voorziening voor Pleegzorg (VvP)in Friesland is indertijd gelijk met dit protocol aan de slag gegaan. Jan Lunshof, directeur van deze voorziening, is een betrokken man in de pleegzorg, ook een man van na de ontvlechting. MOBIEL sprak met hem over de ontvlechting. Het blijkt moeilijk te zijn de voor- en nadelen van de ontvlechting scherp aan te geven, en om stellingen met harde cijfers te onderbouwen. Wel is duidelijk dat pleegouders met de 'eigen' werker het gevoel hebben dat hun problemen beter worden gehoord en verwoord, bijvoorbeeld naar de ouders.

Wordt het protocol nog wel eens ter discussie gesteld, is het in de loop der tijden aangepast?

"Het protocol is ontstaan doordat alle partijen in de pleegzorg eraan meewerkten, erover nadachten. Dat leidde tot een helder boekwerk. Als je terugkijkt, zie je een duidelijke ontwikkeling: eerst was het protocol 'de wet', en dat is logisch bij een nieuwe situatie; als je aan iets nieuws begint is het goed om een gelijkluidend uitgangspunt aan te nemen. Daarna werd het protocol een leidraad, nu wordt het omgevormd tot een handboek: we bieden al onze medewerkers een naslagwerk om te gebruiken tijdens hun werk. Zo'n handboek zorgt ook voor meer gelijkwaardigheid in de relatie management, medewerkers en pleegouders. Het wordt in samenspraak met al die partijen verder ontwikkeld."

Wat zijn de grootste wijzigingen?

"De niet-bepalingen zijn verdwenen: met adviezen en suggesties bereik je meer dan met verboden. Er komt meer aandacht voor de andere positie van de pleegzorgwerker: een algemeen maatschappelijk werker wordt geleerd om hulp te verlenen, maar pleegzorgwerkers moeten leren om te coachen, om pleegouders te ondersteunen bij het begeleiden van hun pleegkinderen, en dat vergt een andere instelling, een andere aanpak."

Is er regelmatig overleg met de andere partijen die in het protocol een rol spelen?

"Op werkersniveau is er natuurlijk regelmatig formeel en informeel contact, veelal over specifieke gevallen. Op managementsniveau is er een aantal vergaderingen per jaar, waar overleg plaatsvindt over onze samenwerking, en eventueel ook over het protocol. Via de POR hopen we de stem van alle pleegouders te horen."

Zijn er nu, verhoudingsgewijs, minder afgebroken plaatsingen? Bijvoorbeeld doordat de matching en begeleiding onder invloed van het protocol zorgvuldiger gebeuren?

"Voor de ontvlechting werden de feiten anders geregistreerd dan nu en de problematiek van de pleegkinderen is veranderd, dus het is moeilijk de cijfers te vergelijken. Maar bij de oudere medewerkers bestaat zeker de indruk dat plaatsingen nu beter kunnen worden gematcht en begeleid en daardoor minder snel ontsporen. En er is meer aandacht voor de kinderen van pleegouders, waardoor die er minder 'bij bungelen'."

Zijn er nieuwe ontwikkelingen die (nog) niet in het protocol zijn vervat?

"We moeten meer aandacht besteden aan de positie van netwerkplaatsingen, die bij ons ongeveer 25% van de plaatsingen betreft. Hoe organiseren we een gesprek met de dichtst betrokkenen van een gezin-met-opvoedingsproblemen om te kijken hoe zij kunnen worden ingezet bij de opvoeding van de kinderen? Wat is het specifieke van zo'n plaatsing, welke specifieke begeleiding vraagt deze vorm van pleegzorg. Moeten we speciale medewerkers voor deze vorm van pleegzorg inzetten?
We willen ook kijken of we niet -vooraf of aan het begin van een plaatsing- duidelijker in beeld kunnen krijgen wat een pleegkind (of de pleegouders) in deze bepaalde situatie nodig heeft (hebben) aan begeleiding, ondersteuning, therapie. We denken dat het beter meetbaar kan worden gedaan, objectiveerbaar, waardoor je de kans op een goede afstemming vergroot. Dat kan betekenen dat een pleegzorgwerker met een specifieke opleiding/ervaring in een bepaald pleeggezin wordt ingezet, of dat vanaf het begin pleegouders een beroep kunnen doen op een gedragswetenschapper. Deze manier stelt ons in staat de kwaliteit van de ondersteuning goed te beoordelen omdat je bepaalde feiten meetbaar hebt gemaakt.
We zullen in de toekomst ook nadrukkelijker naar de behoeften van de pleegkinderen moeten kijken -of de plaatser dat laten doen. Welke extra aandacht/inzet heeft dit kind nodig? Langzamerhand is de problematiek van pleegkinderen dusdanig verzwaard dat tweederde van hen ooit deskundige hulp nodig zal hebben."

Worden er uitzonderingen gemaakt op het ontvlochten werken?

"Nee. In het begin hebben we gezegd: we maken geen zachte overgang, we gaan resoluut de taken scheiden". Een uitzondering is gemaakt voor langdurige plaatsingen die op heel korte termijn zouden aflopen. Maar ook voor crisisplaatsingen houden we de taken van plaatser en pleegzorgerwerker niet in een hand. Wat niet wil zeggen dat een heel specifieke situatie soms een heel specifieke aanpak vraagt..."