De principes van de ontvlechting zijn neergelegd in een document,
het zgn. protocol. De Voorziening voor Pleegzorg (VvP)in Friesland
is indertijd gelijk met dit protocol aan de slag gegaan. Jan Lunshof,
directeur van deze voorziening, is een betrokken man in de pleegzorg,
ook een man van na de ontvlechting. MOBIEL sprak met hem over de ontvlechting.
Het blijkt moeilijk te zijn de voor- en nadelen van de ontvlechting
scherp aan te geven, en om stellingen met harde cijfers te onderbouwen.
Wel is duidelijk dat pleegouders met de 'eigen' werker het gevoel
hebben dat hun problemen beter worden gehoord en verwoord, bijvoorbeeld
naar de ouders.
Wordt het protocol nog wel eens ter discussie gesteld, is het in
de loop der tijden aangepast?
"Het protocol is ontstaan doordat alle partijen in de pleegzorg
eraan meewerkten, erover nadachten. Dat leidde tot een helder boekwerk.
Als je terugkijkt, zie je een duidelijke ontwikkeling: eerst was het
protocol 'de wet', en dat is logisch bij een nieuwe situatie; als
je aan iets nieuws begint is het goed om een gelijkluidend uitgangspunt
aan te nemen. Daarna werd het protocol een leidraad, nu wordt het
omgevormd tot een handboek: we bieden al onze medewerkers een naslagwerk
om te gebruiken tijdens hun werk. Zo'n handboek zorgt ook voor meer
gelijkwaardigheid in de relatie management, medewerkers en pleegouders.
Het wordt in samenspraak met al die partijen verder ontwikkeld."
Wat zijn de grootste wijzigingen?
"De niet-bepalingen zijn verdwenen: met adviezen en suggesties
bereik je meer dan met verboden. Er komt meer aandacht voor de andere
positie van de pleegzorgwerker: een algemeen maatschappelijk werker
wordt geleerd om hulp te verlenen, maar pleegzorgwerkers moeten leren
om te coachen, om pleegouders te ondersteunen bij het begeleiden van
hun pleegkinderen, en dat vergt een andere instelling, een andere
aanpak."
Is er regelmatig overleg met de andere partijen die in het protocol
een rol spelen?
"Op werkersniveau is er natuurlijk regelmatig formeel en informeel
contact, veelal over specifieke gevallen. Op managementsniveau is
er een aantal vergaderingen per jaar, waar overleg plaatsvindt over
onze samenwerking, en eventueel ook over het protocol. Via de POR
hopen we de stem van alle pleegouders te horen."
Zijn er nu, verhoudingsgewijs, minder afgebroken plaatsingen? Bijvoorbeeld
doordat de matching en begeleiding onder invloed van het protocol
zorgvuldiger gebeuren?
"Voor de ontvlechting werden de feiten anders geregistreerd
dan nu en de problematiek van de pleegkinderen is veranderd, dus het
is moeilijk de cijfers te vergelijken. Maar bij de oudere medewerkers
bestaat zeker de indruk dat plaatsingen nu beter kunnen worden gematcht
en begeleid en daardoor minder snel ontsporen. En er is meer aandacht
voor de kinderen van pleegouders, waardoor die er minder 'bij bungelen'."
Zijn er nieuwe ontwikkelingen die (nog) niet in het protocol zijn
vervat?
"We moeten meer aandacht besteden aan de positie van netwerkplaatsingen,
die bij ons ongeveer 25% van de plaatsingen betreft. Hoe organiseren
we een gesprek met de dichtst betrokkenen van een gezin-met-opvoedingsproblemen
om te kijken hoe zij kunnen worden ingezet bij de opvoeding van de
kinderen? Wat is het specifieke van zo'n plaatsing, welke specifieke
begeleiding vraagt deze vorm van pleegzorg. Moeten we speciale medewerkers
voor deze vorm van pleegzorg inzetten?
We willen ook kijken of we niet -vooraf of aan het begin van een plaatsing-
duidelijker in beeld kunnen krijgen wat een pleegkind (of de pleegouders)
in deze bepaalde situatie nodig heeft (hebben) aan begeleiding, ondersteuning,
therapie. We denken dat het beter meetbaar kan worden gedaan, objectiveerbaar,
waardoor je de kans op een goede afstemming vergroot. Dat kan betekenen
dat een pleegzorgwerker met een specifieke opleiding/ervaring in een
bepaald pleeggezin wordt ingezet, of dat vanaf het begin pleegouders
een beroep kunnen doen op een gedragswetenschapper. Deze manier stelt
ons in staat de kwaliteit van de ondersteuning goed te beoordelen
omdat je bepaalde feiten meetbaar hebt gemaakt.
We zullen in de toekomst ook nadrukkelijker naar de behoeften van
de pleegkinderen moeten kijken -of de plaatser dat laten doen. Welke
extra aandacht/inzet heeft dit kind nodig? Langzamerhand is de problematiek
van pleegkinderen dusdanig verzwaard dat tweederde van hen ooit deskundige
hulp nodig zal hebben."
Worden er uitzonderingen gemaakt op het ontvlochten werken?
"Nee. In het begin hebben we gezegd: we maken geen zachte overgang,
we gaan resoluut de taken scheiden". Een uitzondering is gemaakt
voor langdurige plaatsingen die op heel korte termijn zouden aflopen.
Maar ook voor crisisplaatsingen houden we de taken van plaatser en
pleegzorgerwerker niet in een hand. Wat niet wil zeggen dat een heel
specifieke situatie soms een heel specifieke aanpak vraagt..."