Onder pleegkinderen komt het verhoudingsgewijs vrij vaak voor dat
men de biologische ouders niet allebei kent. Als een gezin uit de
bocht vliegt en het kind in de pleegzorg terechtkomt, kan dat onder
meer veroorzaakt zijn doordat de biologische ouder zich aan zijn verantwoordelijkheid
onttrokken heeft en uit het zicht verdwenen is. 'Opgeruimd staat netjes',
zou je misschien geneigd zijn te denken. Maar toch moet je er als
opvoeder op bedacht zijn dat zijn afwezigheid niet altijd zonder gevolgen
blijft.
Familierelaties zijn soms verbazingwekkend standvastig en overleven
de heftigste ruzies. Natuurlijk, familieleden die met elkaar zijn
opgegroeid, hebben samen een lange historie die je niet zomaar weggooit.
Er zijn echter ook mensen die er vanuit gaan dat er tussen verwanten
zoiets is als een biologisch verankerde saamhorigheid. Maar is dat
wel zo?
Zorggedrag en hechting
Ja en nee. Biologen zijn er heel duidelijk in: Evenals alle dieren
is de mens er op uit zijn genen te laten voortleven. Ouders zijn daarom
van nature geneigd hun kinderen – de dragers van hun eigen genen
- op alle mogelijke manieren te beschermen. Maar waarom zou dat omgekeerd
ook gelden? De biologische noodzaak lijkt daarvoor niet echt groot.
Overleven is een kwestie van toekomst; en de toekomst is aan de kinderen.
De ouders hebben hun ‘plicht’ van voortplanting al gedaan.
De zorgfunctie is dus eenzijdig geprogrammeerd: ouders zorgen voor
hun kinderen, maar kinderen niet voor hun ouders. De hoop van ouders
dat hun kinderen hen later wel voor alle inspanningen zullen terugbetalen,
draait daarom meestal op een teleurstelling uit. Maar net zoals er
ouders zijn die zich niet van hun zorgfunctie kwijten, zijn er ook
kinderen die dat wel doen. Dat illustreert alleen maar dat de mens,
door zijn opvoeding, nog maar zelden simpelweg doet wat de natuur
hem ingeeft.
Kinderen zijn niet geprogrammeerd om te zorgen, maar wel om zorg
te ontvangen. Dat wil zeggen, alle kinderen vertonen een aantal reactiepatronen
die de band tussen hen en hun verzorgers versterken. Gansjes, die
nog maar net uit het ei zijn gekropen, waggelen bijvoorbeeld onmiddellijk
achter hun moeder aan en wijken daarna nimmer van haar zijde. Baby’s
liggen wat dit betreft wat achter. Zij zijn motorisch nog niet in
staat om hun moeder te volgen. Maar daar staat tegenover dat ze al
van het begin af aan een aantal gecompliceerde emotionele signalen
uitzenden waarmee ze hun verzorger aan zich binden. Maar is dat hechtingsproces
exclusief gericht op de biologische ouders? Daarvoor moeten we weer
even terug naar de gansjes. Toen de bioloog Konrad Lorenz , een keer
te dicht met zijn neus op het uitkomende broedsel zat, bleek dat het
hele mechanisme maar weinig met een exclusieve band tussen moeder
en kind te maken had. Zonder zich verder een seconde om de natuurlijke
moeder te bekommeren, liepen de gansjes plotseling in een keurig rijtje
achter de onderzoeker aan. In feite blijven jonge gansjes in de nabijheid
van het eerste bewegende object wat ze na de geboorte te zien krijgen.
Normaal gezien zal dat de moeder zijn, die hen zojuist heeft uitgebroed.
Maar de genetische ouders hebben van de zijde van de kinderen geen
streepje voor. Kinderen zullen anderen die toevallig als eerste hun
pad kruisen met precies evenveel vertrouwen tegemoet treden. Kinderen
hebben slechts belang bij een goede opvoeding. Wie dat doet, maakt
niet uit.
Afstammingsonrust
Kinderen hebben niet een biologisch geprogrammeerde loyaliteit naar
hun biologische ouders. Voor vele pleeg- of adoptieouders moet die
wetenschap een geruststelling betekenen. Omdat ze zelf veel belang
hechten aan de genen, kennen ze de biologische ouders meer rechten
toe dan de kinderen zelf geneigd zijn te doen. De pleegouders leven
met een soort basale angst om hun kind weer plotseling kwijt te raken.
Helemaal onterecht is die angst natuurlijk niet, want de rechtspraak
(een systeem van volwassenen) hecht eveneens vrij veel belang aan
het natuurlijk ouderschap. Een ouder, die na jarenlange afwezigheid
zijn of haar kind plotseling weer terug wil, is daarom niet bij voorbaat
kansloos.
Ouders kunnen door dit alles een beladen onderwerp worden, waar
de zorgouders het maar liever niet met hun kinderen over hebben. Het
zou hun belangstelling alleen maar kunnen aanwakkeren. Dat ouders
zich plotseling weer gaan realiseren dat ze voor hun kinderen willen
zorgen, valt nog te accepteren. Maar als je pleegkind, nadat je er
jaren voor gezorgd hebt, uit zichzelf weer plotseling naar haar of
zijn ouders overloopt, voel je je pas echt in de steek gelaten. En
wat doe je als het kind na verloop van jaren plotseling die heftige
belangstelling voor zijn ouders krijgt? Het is moeilijk om dan niet
in paniek te raken. Toch is het een vrij normaal en weinig alarmerend
verschijnsel. Als daar ontspannen en open op gereageerd wordt, is
het meestal weer vrij snel over. Maar als de omgeving verkrampt reageert
dan kunnen er wel degelijk problemen ontstaan.
Laten we eerst eens naar een vrij gebruikelijk voorbeeld kijken:
‘Toen de moeder van Monique zwanger raakte, ging de vader er
direct vandoor. De eerste zes jaren heeft ze nog geprobeerd Monique
zelf op te voeden. Daarna liep alles totaal uit de hand en volgde
een uithuisplaatsing. In het pleeggezin loopt alles op rolletjes.
De natuurlijke moeder van Monique zoekt geen contact. Een enkele keer
komt ze ter sprake, maar Monique toont, tot opluchting van haar zorgouders,
eigenlijk nauwelijks belangstelling. Dat verandert totaal rond haar
veertiende jaar. Plotseling komt Monique met meer gerichte vragen
over haar afkomst. De pleegouders reageren terughoudend. Tegen ieders
wens in, zoekt Monique haar moeder op. Ze bestookt haar ook met vragen
over de verdwenen vader. Maar de vrouw weigert te praten over de man
die ‘haar en haar kind in de steek heeft gelaten’. Monique
verliest al snel haar belangstelling voor haar ‘moeder’.
De rust in huis lijkt terug te keren. Maar in de beslotenheid van
haar kamer droomt Monique veelvuldig van haar onbekende vader. Hij
zou haar pas echt begrijpen.
Dit verhaal bevat een aantal kenmerkende elementen. De belangstelling
voor de eigen afkomst ontstaat meestal pas echt in de vroege adolescentie.
Van hardnekkige belangstelling is meestal slechts sprake als kinderen
het idee krijgen dat iedereen samenspant om hen ver van hun ouders
te houden. Als Monique haar moeder eenmaal heeft gezien, merkt ze
al gauw dat ze daar niets te zoeken heeft. Maar haar vader blijft
een blanco plek. Ze kan met niemand over hem praten. En daarom is
ze aan haar eigen fantasieën overgeleverd.
Identiteit
Waarom zou je als kind geïnteresseerd zijn in ouders die zich
nimmer voor je ingespannen hebben? En vreemder nog, waarom zou je
iemand, waarvan je objectief gezien niet veel meer weet dan dat hij
je in de steek heeft gelaten, in je dromen tot een soort prins op
het witte paard maken? Het antwoord op de eerste vraag valt eenvoudigweg
terug te voeren op onze kennis over erfelijkheid. Het wordt ons met
de paplepel ingegoten. Je bent de wieg nog niet uit en je hebt al
honderd keer te horen gekregen dat je de ‘de ogen van je moeder’
en ‘het sterke willetje van je vader’ hebt. Als we ons een
beeld over onszelf willen vormen, zijn daarom niet alleen de aspecten
die we uit de omgeving hebben overgenomen van belang, maar ook erfelijke
elementen. Waar het de omgeving betreft zijn de primaire opvoeders
van groot belang. We nemen een aantal dingen van onze zorgouders over.
Maar als dat niet tegelijkertijd de ouders zijn, missen die de genetische
invloeden. We moeten onszelf daarom ook kunnen vergelijken met onze
eigen ouders.
Ontwikkelingspsychologen vinden de identiteitvraag een belangrijk
onderdeel van het losmakingsproces. Dat is dan ook precies de reden
waarom de vragen over de afkomst doorgaans pas in de adolescentie
van belang worden. Dat is de tijd dat je je zo langzamerhand gaat
voorbereiden op je vertrek uit het ouderlijk huis. Vragen als ‘Wie
ben ik?’ en ‘In hoeverre ben ik een product van mijn ouders?’
passen binnen dit proces. Gevoelsmatig is het onderscheid tussen erfelijke
en culturele overdracht hierbij van groot belang. We hebben geen controle
over het erfelijk materiaal dat we toevalligerwijs hebben meegekregen.
Maar wat we uit de omgeving hebben opgepikt, is tot op zekere hoogte
onze eigen keuze. De werkelijkheid is heel wat ingewikkelder, maar
dat doet aan dit algemene gevoel niets af. Dat betekent dat als we
onszelf zien als biologisch bepaald, we ons minder verantwoordelijk
voelen voor onze daden. Als we het idee hebben dat we ons actief naar
onze omgeving kunnen opstellen en invloed kunnen uitoefenen, dan zullen
we ons verantwoordelijk voelen over ons eigen leven. Voor een zelfstandig
leven vanuit een eigen persoonlijkheid is kennis over wie we zijn
en duidelijkheid over onze afkomst noodzakelijk
Projectie
Het belang van genetische informatie is dus duidelijk. Toch zien
we dat kinderen zich pas echt in de zoektocht naar hun ouders vastbijten
als ze zich door de omgeving voelen tegengewerkt. De (onbewuste) redenering
van het kind is simpel: als iedereen zoveel moeite doet om deze mensen
van mij weg te houden, dan moeten ze wel belangrijk zijn. Het belang
van genetische factoren wordt daardoor voor hen nog eens extra aangedikt.
Erger is dat sommige kinderen door dit alles duidelijke identiteitsproblemen
ontwikkelen. Mensen die met vragen over hun eigen ouders blijven zitten,
komen vrij vaak in het hulpverleningscircuit terecht.
Klachten als slaap- en concentratiestoornissen, minderwaardigheidsgevoelens,
moeilijkheden met het nemen van beslissingen, een onvermogen tot het
aangaan en handhaven van duurzame relaties en een gebrek aan toekomstperspectief
worden binnen de hulpverlening gewoonlijk in verband gebracht met
identiteitsproblematiek. De identiteitsontwikkeling is op de een of
andere wijze vastgelopen.
Voor de meeste kinderen zal het niet moeilijk zijn om te zien dat
ze op heel wat punten anders zijn dan hun ouders. Ze hebben een eigen
ontwikkeling doorgemaakt en zijn iemand. Zolang er echter een schakel
in het plaatje ontbreekt, blijft het altijd mogelijk de dingen waarin
het kind afwijkt van de personen waarmee het zich wel in concreto
kan vergelijken, toe te schrijven aan de genetische invloed van die
onbekende. ‘Die muzikaliteit moet ik dus wel van mijn vader hebben’.
Soms klopt zoiets, maar vaak is het een eigen verworvenheid van het
kind.
Vooral als het kind zich niet door zijn omgeving gesteund voelt, gebeurt
dit. Eigenschappen die het kind met moeite heeft ontwikkeld, zullen
gewoonlijk een positieve lading hebben. Een onbekende, waaraan je
al deze eigenschappen kunt toeschrijven, krijgt dus iets heel moois
en vertrouwds. Hij vertegenwoordigt alles wat belangrijk voor het
kind is. Geen wonder, het kind projecteert er zichzelf in. Helaas
heeft dat ook een negatief effect: het kind zal zichzelf nooit vinden.
De identiteitsontwikkeling stagneert. Klachten, waar we het eerder
over hadden, kunnen daar een direct gevolg van zijn.
Openheid
Er is een vrij eenvoudige les uit dit alles te leren. Iedereen is
gebaat bij openheid. Voor de kinderen is de nieuwsgierigheid naar
hun ouders een wezenlijk onderdeel voor hun identiteitsontwikkeling.
En de zorgouders voorkomen door hun loyale medewerking dat de verhouding
met hun pleegkinderen onder spanning komt te staan. Natuurlijk zijn
er vaak factoren in het spel die dit patroon bemoeilijken. Pleegkinderen
slepen vaak al een hele geschiedenis met zich mee, die het er niet
eenvoudiger op maakt de pleegouders ten volle te vertrouwen. Voor
die pleegouders is het dan ook niet makkelijk ontspannen te reageren
als het wankele evenwicht binnen het gezin bedreigt lijkt te worden.
Maar juist dan is het goed je te realiseren dat het risico dat de
kinderen ‘zo maar’ zouden overlopen minimaal is. Genen worden
doorgegeven, maar je krijgt er geen hechting voor terug. Hechting
moet je verdienen. En kinderen weten heel goed aan wie ze loyaliteit
verschuldigd zijn: zij hechten zich aan degene die voor hen zorgt.
Voor als u meer wilt lezen over dit onderwerp:
-
Dawkins, R. Onze zelfzuchtige genen. Over evolutie, agressie
en eigenbelang. Amsterdam, Pandora, 1979
-
Meerum Terwogt, M. Biologisch ouderschap. Betekent het
nog iets? In: Psychologie en Maatschappij, 1991, jrg. 15,
nr. 1, p. 71-77
-
Meerum Terwogt, M., J.B. Hoeksma, & W. Koops. Opvattingen
over het erfelijk karakter van persoonlijkheidskenmerken.
In: Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 1991, jrg.
46, nr. 6, p. 344-346
-
Meerum Terwogt, M. & C.J. Reijnders. Afstammingsonrust.
Psychische gevolgen van onbekendheid met één
of beide genetische ouders. In: Jeugd en Samenleving, 1993.
Jrg.10, nr.10, p. 499-508
-
Reijnders, C.J. & M. Meerum Terwogt. Achtergronden
en behandeling van afstammingsproblemen. In: Tijdschrift
voor Psychotherapie, 1994, jrg. 20, nr. 3, p. 148-162
|