artikel uit Mobiel 4, augustus/september 2000

De macht van de genen

Vreemd Gedrag?!

Door: Mark Meerum Terwogt, Vrije Universiteit Amsterdam

Onder pleegkinderen komt het verhoudingsgewijs vrij vaak voor dat men de biologische ouders niet allebei kent. Als een gezin uit de bocht vliegt en het kind in de pleegzorg terechtkomt, kan dat onder meer veroorzaakt zijn doordat de biologische ouder zich aan zijn verantwoordelijkheid onttrokken heeft en uit het zicht verdwenen is. 'Opgeruimd staat netjes', zou je misschien geneigd zijn te denken. Maar toch moet je er als opvoeder op bedacht zijn dat zijn afwezigheid niet altijd zonder gevolgen blijft.

Familierelaties zijn soms verbazingwekkend standvastig en overleven de heftigste ruzies. Natuurlijk, familieleden die met elkaar zijn opgegroeid, hebben samen een lange historie die je niet zomaar weggooit. Er zijn echter ook mensen die er vanuit gaan dat er tussen verwanten zoiets is als een biologisch verankerde saamhorigheid. Maar is dat wel zo?

Zorggedrag en hechting

Ja en nee. Biologen zijn er heel duidelijk in: Evenals alle dieren is de mens er op uit zijn genen te laten voortleven. Ouders zijn daarom van nature geneigd hun kinderen – de dragers van hun eigen genen - op alle mogelijke manieren te beschermen. Maar waarom zou dat omgekeerd ook gelden? De biologische noodzaak lijkt daarvoor niet echt groot. Overleven is een kwestie van toekomst; en de toekomst is aan de kinderen. De ouders hebben hun ‘plicht’ van voortplanting al gedaan. De zorgfunctie is dus eenzijdig geprogrammeerd: ouders zorgen voor hun kinderen, maar kinderen niet voor hun ouders. De hoop van ouders dat hun kinderen hen later wel voor alle inspanningen zullen terugbetalen, draait daarom meestal op een teleurstelling uit. Maar net zoals er ouders zijn die zich niet van hun zorgfunctie kwijten, zijn er ook kinderen die dat wel doen. Dat illustreert alleen maar dat de mens, door zijn opvoeding, nog maar zelden simpelweg doet wat de natuur hem ingeeft.

Kinderen zijn niet geprogrammeerd om te zorgen, maar wel om zorg te ontvangen. Dat wil zeggen, alle kinderen vertonen een aantal reactiepatronen die de band tussen hen en hun verzorgers versterken. Gansjes, die nog maar net uit het ei zijn gekropen, waggelen bijvoorbeeld onmiddellijk achter hun moeder aan en wijken daarna nimmer van haar zijde. Baby’s liggen wat dit betreft wat achter. Zij zijn motorisch nog niet in staat om hun moeder te volgen. Maar daar staat tegenover dat ze al van het begin af aan een aantal gecompliceerde emotionele signalen uitzenden waarmee ze hun verzorger aan zich binden. Maar is dat hechtingsproces exclusief gericht op de biologische ouders? Daarvoor moeten we weer even terug naar de gansjes. Toen de bioloog Konrad Lorenz , een keer te dicht met zijn neus op het uitkomende broedsel zat, bleek dat het hele mechanisme maar weinig met een exclusieve band tussen moeder en kind te maken had. Zonder zich verder een seconde om de natuurlijke moeder te bekommeren, liepen de gansjes plotseling in een keurig rijtje achter de onderzoeker aan. In feite blijven jonge gansjes in de nabijheid van het eerste bewegende object wat ze na de geboorte te zien krijgen. Normaal gezien zal dat de moeder zijn, die hen zojuist heeft uitgebroed. Maar de genetische ouders hebben van de zijde van de kinderen geen streepje voor. Kinderen zullen anderen die toevallig als eerste hun pad kruisen met precies evenveel vertrouwen tegemoet treden. Kinderen hebben slechts belang bij een goede opvoeding. Wie dat doet, maakt niet uit.

Afstammingsonrust

Kinderen hebben niet een biologisch geprogrammeerde loyaliteit naar hun biologische ouders. Voor vele pleeg- of adoptieouders moet die wetenschap een geruststelling betekenen. Omdat ze zelf veel belang hechten aan de genen, kennen ze de biologische ouders meer rechten toe dan de kinderen zelf geneigd zijn te doen. De pleegouders leven met een soort basale angst om hun kind weer plotseling kwijt te raken. Helemaal onterecht is die angst natuurlijk niet, want de rechtspraak (een systeem van volwassenen) hecht eveneens vrij veel belang aan het natuurlijk ouderschap. Een ouder, die na jarenlange afwezigheid zijn of haar kind plotseling weer terug wil, is daarom niet bij voorbaat kansloos.

Ouders kunnen door dit alles een beladen onderwerp worden, waar de zorgouders het maar liever niet met hun kinderen over hebben. Het zou hun belangstelling alleen maar kunnen aanwakkeren. Dat ouders zich plotseling weer gaan realiseren dat ze voor hun kinderen willen zorgen, valt nog te accepteren. Maar als je pleegkind, nadat je er jaren voor gezorgd hebt, uit zichzelf weer plotseling naar haar of zijn ouders overloopt, voel je je pas echt in de steek gelaten. En wat doe je als het kind na verloop van jaren plotseling die heftige belangstelling voor zijn ouders krijgt? Het is moeilijk om dan niet in paniek te raken. Toch is het een vrij normaal en weinig alarmerend verschijnsel. Als daar ontspannen en open op gereageerd wordt, is het meestal weer vrij snel over. Maar als de omgeving verkrampt reageert dan kunnen er wel degelijk problemen ontstaan.

Laten we eerst eens naar een vrij gebruikelijk voorbeeld kijken: ‘Toen de moeder van Monique zwanger raakte, ging de vader er direct vandoor. De eerste zes jaren heeft ze nog geprobeerd Monique zelf op te voeden. Daarna liep alles totaal uit de hand en volgde een uithuisplaatsing. In het pleeggezin loopt alles op rolletjes. De natuurlijke moeder van Monique zoekt geen contact. Een enkele keer komt ze ter sprake, maar Monique toont, tot opluchting van haar zorgouders, eigenlijk nauwelijks belangstelling. Dat verandert totaal rond haar veertiende jaar. Plotseling komt Monique met meer gerichte vragen over haar afkomst. De pleegouders reageren terughoudend. Tegen ieders wens in, zoekt Monique haar moeder op. Ze bestookt haar ook met vragen over de verdwenen vader. Maar de vrouw weigert te praten over de man die ‘haar en haar kind in de steek heeft gelaten’. Monique verliest al snel haar belangstelling voor haar ‘moeder’. De rust in huis lijkt terug te keren. Maar in de beslotenheid van haar kamer droomt Monique veelvuldig van haar onbekende vader. Hij zou haar pas echt begrijpen.

Dit verhaal bevat een aantal kenmerkende elementen. De belangstelling voor de eigen afkomst ontstaat meestal pas echt in de vroege adolescentie. Van hardnekkige belangstelling is meestal slechts sprake als kinderen het idee krijgen dat iedereen samenspant om hen ver van hun ouders te houden. Als Monique haar moeder eenmaal heeft gezien, merkt ze al gauw dat ze daar niets te zoeken heeft. Maar haar vader blijft een blanco plek. Ze kan met niemand over hem praten. En daarom is ze aan haar eigen fantasieën overgeleverd.

Identiteit

Waarom zou je als kind geïnteresseerd zijn in ouders die zich nimmer voor je ingespannen hebben? En vreemder nog, waarom zou je iemand, waarvan je objectief gezien niet veel meer weet dan dat hij je in de steek heeft gelaten, in je dromen tot een soort prins op het witte paard maken? Het antwoord op de eerste vraag valt eenvoudigweg terug te voeren op onze kennis over erfelijkheid. Het wordt ons met de paplepel ingegoten. Je bent de wieg nog niet uit en je hebt al honderd keer te horen gekregen dat je de ‘de ogen van je moeder’ en ‘het sterke willetje van je vader’ hebt. Als we ons een beeld over onszelf willen vormen, zijn daarom niet alleen de aspecten die we uit de omgeving hebben overgenomen van belang, maar ook erfelijke elementen. Waar het de omgeving betreft zijn de primaire opvoeders van groot belang. We nemen een aantal dingen van onze zorgouders over. Maar als dat niet tegelijkertijd de ouders zijn, missen die de genetische invloeden. We moeten onszelf daarom ook kunnen vergelijken met onze eigen ouders.

Ontwikkelingspsychologen vinden de identiteitvraag een belangrijk onderdeel van het losmakingsproces. Dat is dan ook precies de reden waarom de vragen over de afkomst doorgaans pas in de adolescentie van belang worden. Dat is de tijd dat je je zo langzamerhand gaat voorbereiden op je vertrek uit het ouderlijk huis. Vragen als ‘Wie ben ik?’ en ‘In hoeverre ben ik een product van mijn ouders?’ passen binnen dit proces. Gevoelsmatig is het onderscheid tussen erfelijke en culturele overdracht hierbij van groot belang. We hebben geen controle over het erfelijk materiaal dat we toevalligerwijs hebben meegekregen. Maar wat we uit de omgeving hebben opgepikt, is tot op zekere hoogte onze eigen keuze. De werkelijkheid is heel wat ingewikkelder, maar dat doet aan dit algemene gevoel niets af. Dat betekent dat als we onszelf zien als biologisch bepaald, we ons minder verantwoordelijk voelen voor onze daden. Als we het idee hebben dat we ons actief naar onze omgeving kunnen opstellen en invloed kunnen uitoefenen, dan zullen we ons verantwoordelijk voelen over ons eigen leven. Voor een zelfstandig leven vanuit een eigen persoonlijkheid is kennis over wie we zijn en duidelijkheid over onze afkomst noodzakelijk

Projectie

Het belang van genetische informatie is dus duidelijk. Toch zien we dat kinderen zich pas echt in de zoektocht naar hun ouders vastbijten als ze zich door de omgeving voelen tegengewerkt. De (onbewuste) redenering van het kind is simpel: als iedereen zoveel moeite doet om deze mensen van mij weg te houden, dan moeten ze wel belangrijk zijn. Het belang van genetische factoren wordt daardoor voor hen nog eens extra aangedikt.
Erger is dat sommige kinderen door dit alles duidelijke identiteitsproblemen ontwikkelen. Mensen die met vragen over hun eigen ouders blijven zitten, komen vrij vaak in het hulpverleningscircuit terecht.
Klachten als slaap- en concentratiestoornissen, minderwaardigheidsgevoelens, moeilijkheden met het nemen van beslissingen, een onvermogen tot het aangaan en handhaven van duurzame relaties en een gebrek aan toekomstperspectief worden binnen de hulpverlening gewoonlijk in verband gebracht met identiteitsproblematiek. De identiteitsontwikkeling is op de een of andere wijze vastgelopen.

Voor de meeste kinderen zal het niet moeilijk zijn om te zien dat ze op heel wat punten anders zijn dan hun ouders. Ze hebben een eigen ontwikkeling doorgemaakt en zijn iemand. Zolang er echter een schakel in het plaatje ontbreekt, blijft het altijd mogelijk de dingen waarin het kind afwijkt van de personen waarmee het zich wel in concreto kan vergelijken, toe te schrijven aan de genetische invloed van die onbekende. ‘Die muzikaliteit moet ik dus wel van mijn vader hebben’. Soms klopt zoiets, maar vaak is het een eigen verworvenheid van het kind.
Vooral als het kind zich niet door zijn omgeving gesteund voelt, gebeurt dit. Eigenschappen die het kind met moeite heeft ontwikkeld, zullen gewoonlijk een positieve lading hebben. Een onbekende, waaraan je al deze eigenschappen kunt toeschrijven, krijgt dus iets heel moois en vertrouwds. Hij vertegenwoordigt alles wat belangrijk voor het kind is. Geen wonder, het kind projecteert er zichzelf in. Helaas heeft dat ook een negatief effect: het kind zal zichzelf nooit vinden. De identiteitsontwikkeling stagneert. Klachten, waar we het eerder over hadden, kunnen daar een direct gevolg van zijn.

Openheid

Er is een vrij eenvoudige les uit dit alles te leren. Iedereen is gebaat bij openheid. Voor de kinderen is de nieuwsgierigheid naar hun ouders een wezenlijk onderdeel voor hun identiteitsontwikkeling. En de zorgouders voorkomen door hun loyale medewerking dat de verhouding met hun pleegkinderen onder spanning komt te staan. Natuurlijk zijn er vaak factoren in het spel die dit patroon bemoeilijken. Pleegkinderen slepen vaak al een hele geschiedenis met zich mee, die het er niet eenvoudiger op maakt de pleegouders ten volle te vertrouwen. Voor die pleegouders is het dan ook niet makkelijk ontspannen te reageren als het wankele evenwicht binnen het gezin bedreigt lijkt te worden. Maar juist dan is het goed je te realiseren dat het risico dat de kinderen ‘zo maar’ zouden overlopen minimaal is. Genen worden doorgegeven, maar je krijgt er geen hechting voor terug. Hechting moet je verdienen. En kinderen weten heel goed aan wie ze loyaliteit verschuldigd zijn: zij hechten zich aan degene die voor hen zorgt.

Voor als u meer wilt lezen over dit onderwerp:

  • Dawkins, R. Onze zelfzuchtige genen. Over evolutie, agressie en eigenbelang. Amsterdam, Pandora, 1979

  • Meerum Terwogt, M. Biologisch ouderschap. Betekent het nog iets? In: Psychologie en Maatschappij, 1991, jrg. 15, nr. 1, p. 71-77

  • Meerum Terwogt, M., J.B. Hoeksma, & W. Koops. Opvattingen over het erfelijk karakter van persoonlijkheidskenmerken. In: Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 1991, jrg. 46, nr. 6, p. 344-346

  • Meerum Terwogt, M. & C.J. Reijnders. Afstammingsonrust. Psychische gevolgen van onbekendheid met één of beide genetische ouders. In: Jeugd en Samenleving, 1993. Jrg.10, nr.10, p. 499-508

  • Reijnders, C.J. & M. Meerum Terwogt. Achtergronden en behandeling van afstammingsproblemen. In: Tijdschrift voor Psychotherapie, 1994, jrg. 20, nr. 3, p. 148-162