artikel uit Mobiel 4, augustus/september 2000

De opang van alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA's)

Uit de winkel van de wetenschap

Door: Luk Robbroeckx, redactielid

Een groep kinderen en jeugdigen die nog wel eens vergeten wordt als we het over pleegzorg hebben, betreft de Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers, ook wel AMA's genoemd. Een onlangs verschenen rapport van de Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming over het opvangbeleid ten aanzien van de AMA's is aanleiding om er in deze rubriek - beknopt - op in te gaan.

Wanneer AMA’s in ons land arriveren, dient in hun voogdij te worden voorzien, onder andere om hun verzoek tot het verkrijgen van een Vluchtelingenstatus mogelijk te maken. Stichting De Opbouw is de instelling die daarin voorziet. Op 1 april 2026 had De Opbouw – landelijk -de zorg over 9567 pupillen.
Het rapport gebruikt een steekproef uit 15 regio’s om tot haar bevindingen omtrent de werkwijze van De Opbouw te komen. Het totale aantal voogdijkinderen binnen deze regio’s bedroeg 3395, waarvan er 652 in een pleeggezin verblijven. In de steekproef zijn de gegevens van 66 pleeggezindossiers verwerkt.
Pleegzorg in het kader van opvang van AMA’s door De Opbouw dient een tweeledig doel: ofwel als opvang in gezinsverband ofwel als vorm van hulpverlening. Bij voorkeur in gezinnen met dezelfde culturele achtergronden als de jongeren. Uit een tabel (pag. 80) blijkt dat het in de steekproef om 20 langdurige plaatsingen gaat, 14 familieplaatsingen, 7 eigen cultuurplaatsingen, 1 crisis-, 1 weekend / vakantie- en 1 eerste opvangplaatsing.
Ook deze gezinnen worden vooraf gescreend, onder meer op ontvankelijkheid voor begeleiding. De aanmelding vanuit een centrum voor eerste opvang gebeurt door de voogd bij een pleeggezinwerker, die een geschikt gezin zoekt.
Een hulpverleningsplan wordt niet apart opgesteld omdat het begeleidingsplan van de voogd de functie ervan overneemt. Alhoewel de Wet op de Jeugdhulpverlening voor het overgrote deel niet van toepassing is, volgt De Opbouw bij het opstellen van een pleegcontract qua beleid deze Wet.

De begeleiding aan de jongere en aan het pleeggezin is geïntegreerd; de belangenbehartiging van met name de pleegouders kan daarmee in het gedrang komen.
De Inspectie komt tot de conclusie dat vervolgopvang van AMA’s in pleeggezinnen geschiedt overeenkomstig de eisen die gelden voor de pleegzorg zoals bedoeld in de Wet. Vrijwel alle praktijkleiders en voogden onderschrijven het belang van een veilige en vertrouwde leefomgeving. Daarentegen is in het dossieronderzoek slechts in minder dan de helft van de dossieronderzoeken een besluit aangetroffen omtrent (voorkeur voor) een gezinsplaatsing (in een gezin uit de eigen cultuur). Een lange termijn visie en dito beleid is moeilijk te formuleren door de steeds veranderende omstandigheden rond AMA’s. De continuïteit van de zorg wordt bewaakt door – waar nodig – protocollen te hanteren die meer dan één jaar overbruggen. Beleidsontwikkelingen met betrekking tot vervolgopvang van AMA’s zijn echter nog niet aangetroffen. Wel is overduidelijk de voorkeur voor gezinsopvang uitgesproken.

Ondanks de moeilijke omstandigheden om voortdurend de toestroom van AMA’s op te vangen en een vervolgtraject aan te bieden, ondanks het gebrek aan regelgeving vanuit het Ministerie van Justitie voor vervolgopvang en ondanks een nog in ontwikkeling zijnde lange termijnvisie, kwijt De Opbouw zich goed van haar taak.
Opvallend is dat er geen ‘kruisbestuiving’ wordt beschreven tussen De Opbouw voor de vervolgopvang in pleeggezinnen en de Pleegzorgorganisaties. Bundeling van krachten, uitwisseling van ervaringen op gebied van professionalisering, methodiekontwikkeling en visie, zouden een nieuwe dimensie kunnen geven aan deze vorm van pleegzorg door De Opbouw. Indirect komt de aandacht voor de AMA in pleeggezinnen dan ook meer op de voorgrond, en dat kan hun integratie in de samenleving bevorderen.