Wie kent ze niet: dilemma’s in de pleegzorg. Dilemma’s
die zich uit-strekken van opvoeding tot organisatie. Af en toe legt
MOBIEL zo’n situatie aan u voor. Uiterst actueel is de vraag
of crèches en pleegkinderen goed samengaan. Omdat steeds meer
pleegouders een baan buitenshuis hebben, dringt die vraag zich onontkoombaar
op aan de pleegzorg. Want dan moet het pleegkind naar de crèche
of de kinderopvang, mag dat, en kan dat? Niet alle pleegouders voelen
zich er gemakkelijk bij blijkt uit onderstaand verhaal, en maar weinig
voorzieningen hebben een bevredigend antwoord voor aarzelende en praktizerende
pleegouders.
Zomer ‘99 wordt Robin ondergebracht bij de familie Venker. Robin,
dan een paar dagen oud, is het 23e pleegkind van Chris en Maja die
almeer dan 15 jaar kortverblijf pleeggezin zijn. De laatste jaren
vangen zij pasgeboren baby´s op. Gemiddeld duurt zo´n
tijdelijke pleegzorgplaatsing een half jaar, soms aanzienlijk langer.
Het zijn baby´s van tienermoeders die moeten besluiten of ze
samen met hun kind de toekomst durven aan te gaan, baby´s van
geestelijk gehandicapte moeders, baby´s die zijn afgestaan maar
voor wie nog een adoptiegezin moet worden gezocht en soms wanhopig
huilende baby´s van drugsverslaafde moeders met wie Maja en
Chris nachtenlang opzitten. Naast de zorg voor de baby komt er vaak
ook de begeleiding van de moeder bij.
Robin’s moeder wist niet dat ze zwanger was totdat ze op de
wc bij haar ouders thuis bevalt. De eerste maanden komt de 17-jarige
moeder regelmatig op bezoek. Ze is dol op haar zoontje, ‘gewoonweg
verliefd’ zegt Maja, maar ook kinderlijk en onzeker en vooral
erg afhankelijk van haar ouders die absoluut niets van een baby willen
weten. Na verloop van tijd komt de moeder niet meer. De pleegouders
horen dat ze ook geen afstand wil doen en er gezocht wordt naar een
perspectiefbiedend pleeggezin waar Robin in principe tot zijn 18e
zal wonen.
Begin december komt dat gezin in beeld. De nieuwe pleegmoeder is
een alleenstaande werkende vrouw die sinds anderhalf jaar pleegmoeder
is van een peuter van twee. Bij het tweede kennismakingsbezoek begrijpen
Chris en Maja dat Robin, evenals het eerste pleegkind, direct na de
plaatsing een groot deel van de week naar de crèche zal gaan.
De twijfel slaat bij hen toe: is dit wel de beste oplossing voor een
baby van bijna zeven maanden die toch al het een en ander heeft meegemaakt.
Daarbij komt dat het tempo van wennen en ingroeien in de nieuwe situatie
niet wordt ingegeven door de behoefte van Robin maar door het werk
van de pleegmoeder die slechts twee weken vrij kan krijgen in die
periode. In die tijd moet de kennismaking, de overdracht en de wenperiode
plaatsvinden; daarna gaat Robin naar de crèche waar hij weer
een reeks nieuwe gezichten te zien zal krijgen.
Desgevraagd ziet de plaatsende instantie ‘absoluut geen bezwaar
in plaatsing bij een alleenstaande, werkende moeder mits er voldoende
voorwaardescheppende zaken goed geregeld zijn. Wij hebben ons daarover
gebogen en geconcludeerd dat dit gezin in aanmerking komt voor bijplaatsing
van een kind. Bovendien is het zo dat de moeder kennisgemaakt heeft
met dit gezin en ook daar stond het licht op groen’.
Als pleegouders door de screening van de Voorziening voor Pleegzorg
zijn gekomen en de STAP-cursus hebben gevolgd, het gezin een goede
pleeggezinsituatie kan bieden, zijn zaken zoals alleenstaand zijn
en werken geen criteria waarop een gezin gescreend wordt. Wel kijkt
de plaatsende instantie of deze pleegouder ‘matcht’ met
de vraag, behoefte en noden van Robin, aldus de woordvoeders.
Men vervolgt: ‘het gaat niet zozeer om de kwantiteit die een
de pleegouder te bieden heeft maar om de kwaliteit. De draagkracht
moet in overeenstemming zijn met de draaglast’.
Dat bij deze plaatsing een baby van zeven maanden vrijwel meteen vier
dagen per week naar de crèche gaat, is voor de plaatser geen
punt van overweging. ‘Uit onderzoek is overduidelijk gebleken
dat een crèche niet belemmerend is voor de ontwikkeling van
het kind’.
Werken en alleenstaand zijn, mogen geen selectiecriteria zijn voor
het pleegouderschap is ook de mening van de directeur van de desbetreffende
voorziening voor pleegzorg.
Als dit wel zo zou zijn, zou dit immers betekenen dat er binnen niet
al te lange tijd geen pleegouder meer te vinden is. ‘Belangrijk
is of mensen goed kunnen omgaan met een pleegkind en daar alle specifieke
zaken goed van kennen. De gezinssamenstelling en of iemand werkt,
is daaraan ondergeschikt. Ik ken ook geen enkele andere voorziening
voor pleegzorg die het daarop laat afweten’, aldus de directeur.
Ook Maja Venker is van mening dat een pleegmoeder niet per se de
hele dag thuis moet zitten. Ze vindt wel dat als een jong kind bij
een (alleenstaande) werkende moeder geplaatst wordt, de pleegmoeder
extra ondersteuning moet krijgen zodat deze bijvoorbeeld langere tijd
verlof kan nemen bij de komst van haar nieuwe pleegkind.
Maja: ‘Daardoor wordt meer recht gedaan aan de behoefte van Robin
die zo rustiger kan wennen aan zijn nieuwe pleegmoeder en pleegzusje
en ook stap voor stap kan wennen aan het verblijf op een kinderdagverblijf’.
Blijft de vraag of het verstandig is om een jonge baby te plaatsen
in een gezin van een alleenstaande, werkende moeder waardoor het kindje
meteen vier dagen naar de crèche moet. Zijn er grenzen op dit
gebied en waar liggen die dan?
Pleegzorgorganisaties gaan er nu vanuit dat de pleegouders zelf oplossingen
zoeken voor knelpunten en problemen die kunnen ontstaan door de combinatie
pleegzorg en een baan buitenshuis. Ziekte, niet kunnen wennen in de
crèche? U lost het zelf maar op, pleegouders. Maar hoe dan?
En het is helemaal de vraag of de combinatie arbeid en (pleeg)zorg
wel uitsluitend de zorg van pleegouders is. Ligt hier voor plaatsende
instanties niet een verantwoordelijkheid? Moeten de Voorzieningen
voor Pleegzorg werkende pleegouders niet op alle mogelijke manieren
ondersteunen, waardoor aarzelende en praktizerende pleegouders zich
voor dilemma’s als hier beschreven niet geplaatst zien?