ARBEID EN PLEEGZORG
Tien jaar geleden zijn we begonnen als (crisis)pleeggezin; mijn
man en ik werkten toen beiden fulltime. Ons aanbod was dan ook: opvang
voor tieners die een dagbesteding hadden (de vakanties vormden geen
probleem). Later, toen we zelf kinderen hadden en ik parttime werkte,
hebben we geprobeerd pleeggezin te worden voor alle leeftijden.
Helaas: op het kinderdagverblijf konden ze in geen enkele groep zomaar
tijdelijk een kind plaatsen. Daar kwam nog bij dat een derde plaats
op een kinderdagverblijf aardig in de papieren zou gaan lopen. Daarom
zijn we verder gaan zoeken. Voor onze oudste hadden we intussen een
oppasmoeder gevonden, maar die wilde geen extra kinderen opvangen.
Toen hebben we bij pleegzorg geïnformeerd of er geen pleegouders
zijn die voor tweeënhalve dag oppasouder wilden zijn voor pleegkinderen
(niet dus).
Sinds februari zitten de pleegkinderen bij mij op school, jammer genoeg
niet meer in onze woonplaats. Ze gaan een keer per 14 dagen naar een
andere oppasmoeder en mogen daar ook een keer per week overblijven.
Deze mevrouw wil er wel een pleegkind bij opvangen, maar niet onder
de vier jaar. Dus gedeeltelijk is het probleem opgelost.
Soms bekruipt me wel eens het gevoel 'Ik stop met werken en leg me
toe op de pleegzorg’. Het lijkt me fijn om opvang te kunnen bieden
aan alle leeftijden. Tieners lukt niet altijd meer omdat sommigen
dezelfde correcties nodig hebben als mijn kleuters; zo'n tiener wordt
dan terechtgewezen door een van hen. Maar dat stoppen doe je ook niet
zomaar: ik vind n.l. dat ik een ideale baan heb: ik heb vrij als mijn
kinderen vrij zijn. Contacten met collega's, met mijn 'klas' kinderen
en de inkomsten zijn natuurlijk ook heel prettig.
Corina Fiolet, Oud-Gastel
KLEURRIJKE PLEEGZORG: HEEL VANZELFSPREKEND?
Met belangstelling heb ik uw vorige thema over allochtone pleegzorg
gelezen. Ik ben zelf een allochtone pleegmoeder, alleenstaand, en
heb bewust voor het pleegmoederschap gekozen. Ik heb twee pleegdochters,
de 17-jarige Surinaamse Stefanie en de kleine Turkse Fatima van vier.
Stephanie was elf toen ze kwam, en Fatima een jaar.
Waar ik graag nog wat meer over had willen lezen in dit nummer van
MOBIEL zijn de dilemma’s waar je je soms als pleegouder voor
geplaatst ziet. Dilemma’s die kunnen worden veroorzaakt door
de verschillende culturele achtergrond van pleegouders en pleegkinderen.
Ik kan u het volgende voorbeeld geven uit mijn eigen situatie.
Fatima kwam na veel omzwervingen bij mij. Haar familie wil haar niet
meer zien. Bij de plaatsing heb ik haar moeder beloofd me aan twee
wensen te houden: Fatima krijgt geen varkensvlees te eten en haar
haren mogen niet worden geknipt.
Maar inmiddels zijn we een aantal jaren verder. Fatima’s haar
is een probleem, het gaat dood aan de punten, er moet eigenlijk nodig
een kapper aan te pas komen. Fatima zelf wil het liefst een kort koppie.
Maar ik heb haar moeder iets beloofd, en die wens moet gerespecteerd
worden. Toch ervaar ik het nu als een dilemma, ik kom er niet uit.
Soms is het verwarrend waar je wel en niet rekening mee moet houden,
waar je je grenzen legt, en ook: hoe je dat aan je pleegkind uitlegt.
Ik ben benieuwd of andere pleegouders mijn twijfels over hoe ik dit
op moet lossen herkennen, en zo ja wat zij zouden doen in een soortgelijke
situatie.
Naam en adres bij de redactie bekend
FAMILIERAAD OF FAMILIEBERAAD
Verwarring? Goede raad is duur
Robbroeckx (MOBIEL 2000, nr.1) reageert op mijn artikel (MOBIEL
1999, nr. 4) over de familieraad met de mededeling, dat een nieuw
woord verwarring zaait over iets dat we in pleegzorgland al gebruiken
(de familieraad). En hij vindt, dat als er al iets nieuws is (een
aparte coördinator voor het beleggen van zo’n familieraad)
er sprake is van een omstreden vernieuwing.
Gelukkig zijn hij en ik het over een ander punt heel erg eens. De
besluitvorming over de wijze waarop hulpverlening aan het kind moet
worden geboden, hoort veel duidelijker dan nu het geval is, bij de
familie van het kind te liggen. De maatschappij toetst bij monde van
een gezinsvoogd of voogd en de voorwaarden voor de opvoeding en de
verzorging voldoende zijn (en bij conflicten doet de kinderrechter
een uitspraak). De familie is en blijft in principe voor het kind
het essentiële draagvlak voor zijn ontwikkeling.
Ervaring heeft mij en mijn organisatie geleerd, dat beraad en overleg
met de familie daarover in de Nederlandse jeugdzorg (en niet speciaal
in pleegzorgland) te kort schiet. De werkwijze om in een familieraad,
georganiseerd door een coördinator die los staat van de hulpverlener,
de familie zelf verantwoordelijkheid te geven voor het maken van een
plan van aanpak voor het kind, vinden wij een toevoeging, die wat
ons betreft een familieberaad, zoals al vaker beschreven, versterkt.
De prijs die hulpverleners voor deze toevoeging betalen, blijkt hoog:
zij geven hun (compenserende) verantwoordelijkheid zeer moeizaam uit
handen. De reactie van Robbroeckx is daar een voorbeeld van.
Omdat de familieraad in feite los staat van pleegzorg en binnen mijn
residentiële organisatie een rol vervult bij het maken van elk
willekeurig hulpverleningsplan, zullen we in een ander verband en
op een ander platform verder discussiëren. In de hoop, dat ook
vanuit de pleegzorg (en in MOBIEL) in de meningsvorming wordt bijgedragen.
Lineke Joanknecht
Naschrift Luk Robbroeckx:
Joanknecht breekt terecht een lans om verandering aan te brengen
in de manier waarop ouders met een inmiddels beproefde methodiek kunnen
bijdragen aan een gelijkwaardig hulpverleningsproces.Dit initiatief
moet alleen maar worden gesteund. Zelf vind ik dat de pleegzorg bij
uitstek een platform is om ouders en pleegouders op die manier bij
elkaar te brengen en samen te laten werken.
Mijn reactie (MOBIEL 2000, nr. 1) tornt ook niet het werken met familieberaad.
Integendeel. Ik pleit wel voor meer gecoördineerde samenwerking
van allen die dergelijke initiatieven hebben genomen, om zo snel mogelijk
tot een praktisch beleid te komen.. Een open uitwisseling van gedachten
over wel of niet een coördinator daarbij, over wel of niet aparte
namen voor een zelfde vorm van familie-betrokkenheid hoort daarbij.
Vanuit mijn betrokkenheid bij pleegzorg wil ik die discussie en uitwerking
van ouder-erkenning in de hulp stimuleren en er graag aan deelnemen.
(Discussie gesloten. Red.)