artikel uit Mobiel 3, juni/juli 2000

Autisme schuilt in een klein hoekje

Vreemd Gedrag!?

Door: Ina van Berckelaer-Onnes
Universiteit van Leiden

Janneke wordt op 10-jarige leeftijd bij onze kliniek aangemeld in verband met contactproblemen. Ze woont al zes jaar in een pleeggezin. de pleegouders staan bekend als zeer betrokken en bekwaam.
Janneke heeft haar eerste levensjaren onder de wisselende zorg van haar moeder, haar oma en een opvanghuis doorgebracht. Vader is onbekend. Janneke heeft nu nog sporadisch contact met haar moeder, en alleen oma bezoekt Janneke regelmatig bij de pleegouders.
Eerdere diagnostische onderzoeken beschreven het beeld van een gesloten meisje dat zelf nauwelijks initiatief tot contact neemt maar wel 'meehobbelt'. Ze heeft geen echte vriendinnetjes en lijkt ook geen voorkeuren te hebben. Het gedragsbeeld wordt gezien als gevolg van een hechtingsproblematiek. De wisseling in de eerste vier levensjaren lijkt hieraan debet.
De pleegouders menen echter dat er iets anders aan de hand is. Ze hebben veel ervaring met pleegkinderen met een hechtingsproblematiek maar herkennen dit niet als zodanig bij Janneke. Janneke vertoont een lichamelijke afweer, ze zondert zich veel af, toont erg weinig belangstelling voor andere kinderen of volwassenen, en heeft een obsessieachtige belangstelling voor munten.
Ten slotte merken de pleegouders op, dat haar taalbegrip zeer letterlijk is. Taalgrapjes begrijpt ze niet, terwijl ze toch over een normaal gemiddelde intelligentie beschikt.

Autismespectrum

Het onderzoek in onze kliniek resulteerde in de diagnose 'Pervasieve Ontwikkelings-stoornis, kortweg PDD-NOS (naar de engelse term Pervasieve Developmental Disorder Not Otherwise Specified). Deze aan autisme verwante contactstoornis maakt deel uit van het zogenaamde autismespectrum, waartoe nog een viertal verwante stoornissen behoren.
Autisme kent vele gezichten; de individuele verschillen zijn zeer groot, hetgeen wordt weergegeven in de term autismespectrum.
Met de term 'pervasief' wordt aangegeven dat de stoornissen diep doordringen in het ontwikkelingsverloop van mensen die ermee behept zijn. In de praktijk wordt de voorkeur gegeven aan de term autistische spectrumstoornissen (ASS) omdat deze duidelijker naar het gedrag verwijst. Het gedrag van mensen met autisitische spectrumstoornissen vertoont drie kenmerken: namelijk een stoornis in sociale interacties, in communicatie (zowel verbaal als non-verbaal) en in verbeelding. De drie kenmerken veroorzaken zeer starre gedragspatronen en een beperkt repertoire aan interesses en activiteiten.

Ouders ervaren al snel dat het contact anders is, dat vooral de wederkerigheid lijkt te ontbreken. Ook in de communicatie is van wederzijdsheid weinig sprake. Meer dan de helft van mensen met een autistische spectrumstoornis kan niet spreken, terwijl de andere helft opvallende afwijkingen in het taalgebruik vertoont, zoals papegaaien, verwarringen met persoonlijke voornaamwoorden, zelf geconstrueerde woorden (bijvoorbeeld wieldraaier voor auto of miauwdoos voor poes) en zeer letterlijk taalbegrip. Uitdrukkingen en gezegdes worden veelal niet begrepen. Een uitspraak als bijvoorbeeld 'Ik heb een kikker in mijn keel' wordt letterlijk opgevat en kan zeer beangstigend zijn. Taal doet een beroep op het voorstellingsvermogen. Een woord verwijst naar iets, representeert iets. Kinderen met autisme hebben hier veel moeite mee. Zij willen de dingen concreet voor zich zien. Ook in het spel van kinderen met autisme zien we een tekort in het voorstellingsvermogen. Het 'doen alsof' lijkt hen wezensvreemd. Een blokje is een blokje en kan niet een zogenaamd stukje zeep zijn. Elk voorwerp lijkt voor hen maar één betekenis te hebben. Zij kunnen zich niet voorstellen dat je in een spelsituatie kunt doen alsof het blokje een stukje zeep is.

De drie kenmerken zijn het duidelijkst herkenbaar bij kinderen met de autistische stoornis zelf. Bij de aanverwante stoornissen is het ingewikkelder en is het beeld minder sterk. Soms is het moeilijk aan te geven wat er precies mis is, maar zegt je gevoel dat er iets niet klopt, zoals bij de pleegouders van Janneke. Ze ervaren haar anders, er ontbreekt iets, er klopt iets niet. De pleegouders signaleren allerlei afwijkende gedragingen zoals geringe betrokkenheid, beperkte communicatieve vaardigheden en een overdreven interesse in munten. Hoewel zij er geen 'naam' aan kunnen geven, weten zij precies waarin Janneke anders is. Ze weten ook dat dit 'anders zijn' niet het directe gevolg is van een ontbrekende stabiliteit in haar eerste levensjaren, het 'zit in haar', zoals de pleegvader formuleert. De wijze waarop Janneke zich gedroeg leidde tot de aanmelding.

Mogelijke oorzaken

Nog altijd zijn we aangewezen op gedragsverschijnselen om tot de diagnose autisme of aan autisme verwante contactstoornissen te komen. Over de mogelijke oorzaken zijn nog de nodige onduidelijkheden. Onderzoek naar de wijze van waarnemen en denken geeft aan dat mensen met een ASS sterk detailgericht zijn ingesteld en problemen hebben in het samenvoegen van de waargenomen details tot een zinvol geheel. Zij zien ogen, neus, mond en dergelijke maar niet de mimiek waarin de communicatieve boodschap ligt. Ze hebben een zwak vermogen om de op hen afkomende prikkels op een betekenisvolle wijze samen te voegen. Ze blijven vaak hun aandacht aan kleine onbelangrijke details geven. Hierdoor missen ze het overzicht en in wezen de kern van de informatie. Dit is vooral het geval bij informatie over sociale interactie.

Janneke heeft hetzelfde probleem. Ze begrijpt niet wat van haar wordt verlangd; ze volgt slechts anderen, of ze echter de bedoeling van de ander begrijpt is de vraag. Haar pleegmoeder zegt 'ze hobbelt mee en doet mee op verzoek', en dat is een goede weergave. Janneke is intelligent genoeg om, wanneer ze iets niet begrijpt, de ander te volgen. Ze merkt op die wijze vanzelf wel wat er gebeurt of gebeuren zal. Andere kinderen kunnen echter in paniek raken en zeer vreemd reageren.

Mensen met een ASS nemen de wereld in fragmenten waar en raken snel overspoeld door de veelheid aan prikkels, die de omgeving biedt. Janneke trekt zich bij voorkeur terug op haar eigen kamer, waar alles hetzelfde is. Ze verzandt in haar muntenverzameling; muntjes glijden doelloos door haar vingers, muntjes gaan in en uit de doos, een voorspelbaar ritueel zonder inmenging van buitenaf.
De oorzaken van deze prikkelverwerkingsstoornis zijn nog onbekend, maar het is wel duidelijk dat er sprake is van een onvoldoende functioneren van de hersenen, vooral het gebied voor in de hersenen. In ongeveer tachtig procent is er sprake van een erfelijke aandoening, door meerdere genen bepaald. Ook kan er sprake zijn van zwangerschaps- of geboorte-complicaties. Autistisch gedrag kan daarnaast regelmatig voorkomen in combinatie met een verstandelijke handicap.

Feiten

De autistische stoornis komt bij 4 op de 10.000 mensen voor in de verhouding jongen: meisje van vier staat tot één. Als we het hele autismespectrum in ogenschouw nemen schat men dat het bij 25 à 30 op de 10.000 mensen voorkomt.

Het Asperger syndroom telt aanzienlijk meer jongens (8 ten opzichte van 1 meisje). Deze stoornis komt alleen bij normaal en hoogbegaafden personen voor en kenmerkt zich door sociale tekorten, een beperkt aantal interesses, vaak obsessief van aard (bijvoorbeeld overmatig gefixeerd zijn op lichtknopjes ,wc-rolletjes of bustijden) en een opvallende motorische onhandigheid.

Het Rett-syndroom komt alleen bij meisjes voor en openbaart zich pas na een aan-vankelijk normaal ontwikkelingsverloop van ongeveer een jaar. Er vindt dan een verlies van verworven vaardigheden plaats, waaronder sociale, en communicatieve vaardigheden, terwijl ook de intelligentie afneemt.

Ten slotte kan er sprake zijn van PDD-NOS, waar Janneke aan lijdt. Het gedrag voldoet niet aan de criteria van de andere pervasieve ontwikkelingsstoornissen, maar heeft toch autistische kenmerken. Er is sprake van een tekort in sociale interactie of er bestaan rigide gedragspatronen.

Bij Janneke is er dus geen sprake van de autistische stoornis zelf. Daarvoor is het gedragsbeeld niet extreem genoeg. Haar communicatieve vaardigheden zijn redelijk ontwikkeld. Het in- een aanvoelingsvermogen is echter beperkt. Daarnaast speelt ook het aanvankelijke gebrek aan een veilig en stabiel opvoedingsmilieu een rol. Mogelijkerwijs zijn sommige gedragingen versterkt door deze factoren. Een aanmelding rond het elfde jaar geeft al vaak aan dat het niet om de autistische stoornis zelf gaat, maar veelal eerder om een aanverwante stoornis.

De autistische stoornis en de PDD-NOS kunnen op alle niveaus van verstandelijk functioneren voorkomen. In 75 à 80% is er echter tevens sprake van een verstandelijke handicap. Kijken we naar de hele verstandelijk gehandicapte populatie dan is er in ongeveer 25% sprake van een autistische spectrumstoornis. Het is voor de behandeling van essentieel belang dat beide diagnoses worden gesteld. In veel gevallen blijft het bij de diagnose verstandelijke handicap, terwijl het om een dubbele diagnose gaat met een dubbele hulpvraag. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze dubbelgehandicapte groep een verhoogd risico op gedragsproblemen heeft. Vaak blijken deze problemen het gevolg van een aanpak die alleen op de tekortkomingen in het verstandelijk functioneren gericht is en niet op de autistische spectrumstoornis.

Behandeling

Hoewel we steeds meer weten over de aard van de stoornis, is er geen 'behandelingsreceptenboek' voorhanden. De individuele verschillen zijn zo groot dat dit niet mogelijk is. Wel is er een aantal gezins- en individuele behandelingsstrategieën opgesteld. Bij de gezinsbehandeling is vermindering van de draaglast essentieel. Het grootbrengen van een kind met een ASS is zwaar. Ouders en verzorgers moeten hierin worden ondersteund. Daarnaast moet het kind gestimuleerd worden in ontwikkeling, terwijl ook het probleemgedrag dat met de stoornis samenhangt, behandeld moet worden. De educatieve ontwikkelingsgerichte benadering gaat uit van het scheppen van een uiterst gestructureerd leefklimaat voor het kind. Het kind moet als het ware 'blindelings' zijn weg kunnen vinden. De voor hem ontbrekende samenhangen moeten zichtbaar aanwezig zijn.

Om optimaal te kunnen functioneren, kunnen ook individuele therapieën of trainingen nodig zijn.
In alle gevallen geldt, dat nooit aan de eigenheid van een kind voorbij gegaan mag worden.

Voor Janneke betrof een eerste advies de structurering van haar leventje, thuis en op school. Met behulp van een agenda werd haar inzicht in haar weekprogramma gegeven en kwam er lijn in haar brokkelige bestaan, zowel wat samenhang als de volgorde van de handelingen betreft.
Haar obsessie voor muntjes werd omgezet in een gerichte hobby, met muntenboekjes, ruilmogelijkheden en dergelijke, terwijl ze ook een sociale vaardigheidstraining kreeg. Janneke was goed te sturen dankzij haar verstandelijke vermogens. Ze begreep de consequenties van haar handelen en was ‘trainbaar'. Dit is ingewikkelder bij kinderen die ook verstandelijk gehandicapt zijn. Zij zijn aangewezen op een heel concrete manier van communiceren bijvoorbeeld met behulp van foto's of concrete objecten. Hun niveau van communiceren is soms zo laag dat het heel moeilijk te bepalen is of met het zien van een foto of voorwerp ook de verwijzende functie wordt herkend. Een beker is pas een verwijzer als het kind daarmee om drinken vraagt. Een foto van een beker dient dan om het kind te helpen de ander te laten weten dat het wil drinken.

In alle gevallen is zorgvuldige diagnostiek noodzakelijk om een goed systeem te vinden om het kind te ondersteunen in het ordenen en structureren van zijn leefwereld. Pas als het kind greep op de situatie heeft, is het tot verwerven van nieuwe vaardigheden in staat.

Het belang van een goede diagnose

Het is van belang dat pleegouders geïnformeerd worden over mogelijke tekortkomingen of stoornissen van hun pleegkind. Vaak wordt ten onrechte uitgegaan van een hechtingsproblematiek. Autistische spectrumstoornissen zijn anders en liggen veel meer in het kind zelf. Kinderen met een ASS hebben nauwelijks het vermogen om spontaan contact te maken en te communiceren. Hun gedrag is duidelijk anders, hetgeen Janneke's pleegouders goed hebben gezien. Zij hebben de adviezen in praktijk gebracht, hun verwachtingen bijgesteld en Janneke een zeer gestructureerd leven geboden. Hoewel de kenmerken van de PDD-NOS nog merkbaar zijn en zullen blijven, is haar leven kwalitatief sterk verbeterd. Ze is minder gespannen, isoleert zichzelf minder en presteert op school een stuk beter. In sociaal opzicht is ze soepeler. Ze begrijpt veel beter wat anderen van haar verwachten. De sociale vaardigheidstraining heeft daar ook aan bijgedragen.

Het grootbrengen van een kind met een ASS is moeilijk, niet alleen voor ouders, maar ook voor pleegouders. Pleegouders kiezen voor in hun ontwikkeling bedreigde kinderen en zijn uiterst gemotiveerd het optimale aan hun pleegkinderen te bieden. Zij hebben hierin, zeker als het om kinderen met een ASS gaat, ondersteuning nodig in de vorm van inzicht in de aard van de stoornis en concrete handelingsadviezen. Janneke mag blij zijn met haar pleegouders!

Literatuur:
Berckelaer-Onnes, I.A. Autistische spectrumstoornissen. In: Vademecum Zorg voor Verstandelijk gehandicapten, 1999, 1100 1-13
Frith, U. Autisme. Sleutel tot het raadsel. Antwerpen, Hadewijch, 1996
Wing, L. Leven met uw autistische kind. Lisse: Swets & Zeitlinger, 2000
Adressen:
Nederlandse Vereniging voor Autisme, Postbus 1367, 1400 BJ Bussum, tel. 035-693 1557
Internet: http://www.autisme-nva.nl