artikel uit Mobiel 3, juni/juli 2000

Pleegouders reageren verdeeld op nieuwe visie pleegzorg

Reacties

Door: Nelleke Visscher, hoofdredacteur Mobiel

Het belang van het kind staat voorop in de nieuwe visie op pleegzorg die onlangs met als titel 'Pleegzorg in een veranderende samenleving' het licht zag. De visie kiest voor twee nieuwe hoofdvormen van pleegzorg: kortdurende pleegzorg 'Pleegzorg als module in een zorgprogramma', hier moet in een half jaar duidelijk zijn of het kind terug kan naar de ouders, en 'Pleegzorg als opvoedingsarrangement' waar men de toekomst van het kind buiten het gezin van herkomst zoekt. MOBIEL vroeg aan tien willekeurige pleegouders wat zij van de voorgestelde veranderingsrichting voor de pleegzorg vinden. Wordt het beter in de toekomst en zo ja, voor wie? Zijn de plannen een haalbare kaart? Hun oordeel spitst zich vooral toe op het streven naar (snelle) duidelijkheid.

Voorgestelde pleegzorgvormen niet echt nieuw

‘De voorgestelde indeling is niet echt nieuw’ is het oordeel van de pleegouders desgevraagd. Zij zien op het eerste gezicht veel overeenkomsten met de huidige indeling, maar dan met een andere benaming. ‘In ons gezin hebben wij tot nu toe twee vormen van pleegzorg gehad en die komen sterk overeen met de nieuw voorgestelde vormen. Wij noemen het kortdurende of crisisplaatsingen en langdurende of perspectiefbiedende plaatsingen’.
De nieuwe indeling voelt een beetje als een ‘keurslijf’. ‘Want’, vraagt een pleegouder zich af ‘is het nu echt zo, dat bij langdurige opvang altijd duidelijk is dat het kind ook blijft? Lijkt me sterk. De gezinssituatie van de eigen ouders kan toch ook veranderen in positieve richting?’
Op één onderdeel kan de visie wel op bijval van de pleegouders rekenen, en dat is de termijnstelling van een half jaar. In de beantwoording van de vragen grijpt men daar vaak op terug en de pleegouders geven veelvuldig aan dat dit een positieve ontwikkeling is. ‘Ik vind het heel belangrijk dat zo spoedig mogelijk duidelijk wordt wat de kinderen boven het hoofd hangt. Met de huidige regeling wordt er vaak jaren aan de kinderen getrokken’.
Kritiekpunt is de handhaving van die termijn - ‘nu zijn er ook termijnen, maar niemand trekt zich er iets van aan’ - en de haalbaarheid gezien de wachtlijsten, en de trage werkwijze in de jeugdhulpverlening. ‘Het is nu al zo stroperig’, klaagt een pleegouder. De ervaringen met de huidige faciliteiten voor pleegouders vergroten die scepsis nog eens: ‘al die aangeboden hulp, ik geloof er niet in. Het is veel te duur. Als je nu gewoon het schoolgeld declareert krijg je het al niet eens’.

Uitwerking in de praktijk

Als de aanpak doorgaat en eenmaal goed loopt zal het in de praktijk van de pleegzorg veel uitmaken, stelt een pleegvader, en hij voegt er aan toe: ‘bij langdurige plaatsingen zelfs heel veel’. Er komt een eind aan de situaties waarin ouders tot het uiterste gaan om hun kind terug te krijgen. ‘Er komt meer rust in het pleeggezin, minder onzekerheid voor alle betrokkenen, een verademing’. Voor pleegouders betekent het dat zij af zijn van het jarenlang verlengen van de OTS en het gevoel dat men aan terugplaatsing naar huis moet werken, is de overheersende gedachte onder deze pleegouders.
Toch moet er niet te rigide met de termijnen worden omgegaan, zegt een pleegmoeder. Ieder kind is anders, heeft een andere achtergrond en, afhankelijk van de situatie, moet er een beslissing worden genomen. ‘Onze ervaring met heel jonge kinderen bijvoorbeeld is dat een half jaar te lang is omdat ze zich enorm gaan hechten aan het pleeggezin’.
Veel andere pleegouders vinden de termijn van een half jaar tot maximaal een jaar om het ouderlijk gezin op orde te krijgen erg kort, en men vraagt zich ook af of ‘je een plaatsing van een kind wel afhankelijk moet maken van de ontwikkeling van zijn ouders’.
De intensieve samenwerking met het gezin van herkomst en hulpverleners, bij de eerste vorm (pleegzorg als module etc.) vereist van pleegouders een professionele instelling is de indruk. ‘Pleegouders moeten beschikbaar zijn op afroep, werken volgens hulpverleningsplan, observeren, rapporteren etc’. Eén pleegouder signaleert daarin een verbetering van de positie van pleegouders ten opzichte van de huidige situatie. ‘Heel vaak krijg ik nu het gevoel dat ik veel zie en opmerk, maar dat niet kwijt kan bij de professionals. Pleegouders worden nu vaak niet gezien als de mensen die het kind en de ouders goed kennen’.
Maar professionalisering heeft ook zijn keerzijde zegt een ander: ‘ik wantrouw de wens om pleegouders te professionaliseren. De gewenste werkstijl: rapportage, hulpverleningsplannen etc. hoort bij hulpverleningsinstanties, niet bij pleegouders. Veel goede pleegouders zullen hierdoor afvallen’.

Verbetering of verslechtering van positie

De positie van de pleegouders lijkt volwaardiger in de nieuwe plannen geeft een aantal pleegouders aan: ‘eindelijk wordt de mening van pleegouders serieus genomen’. Maar het is onduidelijk of hier ook verbetering van de (juridische) positie van pleegouders tegenover staat. ‘Beslissen pleegouders mee over het toekomstperspectief van het pleegkind?’ is bijvoorbeeld de vraag.
Ook over de financiële kant van de zaak heeft men zo zijn twijfels: ‘hoe zit het met extra uitgaven voor pleegouders, wie betaalt de telefoon, administratie, presentatiekosten?’
Voor de pleegkinderen zien de pleegouders alleen maar een verbetering van een nu vaak onzekere situatie. Er komt meer duidelijkheid op korte termijn en duidelijkheid over hun toekomst. Dat komt het kind ten goede. ‘Het belang van het kind staat voorop, niet het belang van de ouders’. Al vindt een enkeling ook hier het tijdsbestek waarbinnen duidelijk moet worden verkregen erg kort: ‘een half jaar is schrikbarend kort voor het ontwikkelen van een helder toekomstperspectief van het kind. Zeker als je in ogenschouw neemt wat er allemaal in dat halve jaar gebeurt in het leven van het kind’.
De daadwerkelijke hulp aan ouders is een verbetering voor hen, vinden de pleegouders. Maar men denkt dat de tijdsdruk voor de ouders stressvol zal zijn. Lukt het ze niet binnen de termijn de thuissituatie op orde te hebben, dan ben je je kind kwijt, ongeacht latere ontwikkelingen. Dat is een verslechtering van hun positie, zo meent men.
De maximale termijn van een jaar om het ouderlijk gezin weer op de rails te hebben wordt door de pleegouders verdeeld beoordeeld. De een zegt: ‘voor het kind is het te lang, en voor de ouders te kort’. Een andere pleegouder stelt voor: ‘het lijkt logischer om te zeggen dat na enkele jaren (hoeveel, daar waag ik me niet aan) het kind niet meer wordt teruggeplaatst. Misschien is nog beter: als alles goed draait, dan een 1 jaar’. Gemiddeld vindt men een jaar een redelijke termijn. Het mag in ieder geval niet langer duren: ‘een jaar onzekerheid is voor kinderen en ouders oneindig lang’. Als men elkaars inbreng serieus neemt, en bij een goede afstemming, moet het voldoende inzicht geven voor een beslissing, vinden deze pleegouders.

Literatuur: Pleegzorg in een veranderende jeugdzorg. VOG, Utrecht, maart 2000