Het belang van het kind staat voorop in de nieuwe visie op pleegzorg
die onlangs met als titel 'Pleegzorg in een veranderende samenleving'
het licht zag. De visie kiest voor twee nieuwe hoofdvormen van pleegzorg:
kortdurende pleegzorg 'Pleegzorg als module in een zorgprogramma',
hier moet in een half jaar duidelijk zijn of het kind terug kan naar
de ouders, en 'Pleegzorg als opvoedingsarrangement' waar men de toekomst
van het kind buiten het gezin van herkomst zoekt. MOBIEL vroeg aan
tien willekeurige pleegouders wat zij van de voorgestelde veranderingsrichting
voor de pleegzorg vinden. Wordt het beter in de toekomst en zo ja,
voor wie? Zijn de plannen een haalbare kaart? Hun oordeel spitst zich
vooral toe op het streven naar (snelle) duidelijkheid.
Voorgestelde pleegzorgvormen niet echt nieuw
‘De voorgestelde indeling is niet echt nieuw’ is het oordeel
van de pleegouders desgevraagd. Zij zien op het eerste gezicht veel
overeenkomsten met de huidige indeling, maar dan met een andere benaming.
‘In ons gezin hebben wij tot nu toe twee vormen van pleegzorg
gehad en die komen sterk overeen met de nieuw voorgestelde vormen.
Wij noemen het kortdurende of crisisplaatsingen en langdurende of
perspectiefbiedende plaatsingen’.
De nieuwe indeling voelt een beetje als een ‘keurslijf’.
‘Want’, vraagt een pleegouder zich af ‘is het nu echt
zo, dat bij langdurige opvang altijd duidelijk is dat het kind ook
blijft? Lijkt me sterk. De gezinssituatie van de eigen ouders kan
toch ook veranderen in positieve richting?’
Op één onderdeel kan de visie wel op bijval van de pleegouders
rekenen, en dat is de termijnstelling van een half jaar. In de beantwoording
van de vragen grijpt men daar vaak op terug en de pleegouders geven
veelvuldig aan dat dit een positieve ontwikkeling is. ‘Ik vind
het heel belangrijk dat zo spoedig mogelijk duidelijk wordt wat de
kinderen boven het hoofd hangt. Met de huidige regeling wordt er vaak
jaren aan de kinderen getrokken’.
Kritiekpunt is de handhaving van die termijn - ‘nu zijn er ook
termijnen, maar niemand trekt zich er iets van aan’ - en de haalbaarheid
gezien de wachtlijsten, en de trage werkwijze in de jeugdhulpverlening.
‘Het is nu al zo stroperig’, klaagt een pleegouder. De ervaringen
met de huidige faciliteiten voor pleegouders vergroten die scepsis
nog eens: ‘al die aangeboden hulp, ik geloof er niet in. Het
is veel te duur. Als je nu gewoon het schoolgeld declareert krijg
je het al niet eens’.
Uitwerking in de praktijk
Als de aanpak doorgaat en eenmaal goed loopt zal het in de praktijk
van de pleegzorg veel uitmaken, stelt een pleegvader, en hij voegt
er aan toe: ‘bij langdurige plaatsingen zelfs heel veel’.
Er komt een eind aan de situaties waarin ouders tot het uiterste gaan
om hun kind terug te krijgen. ‘Er komt meer rust in het pleeggezin,
minder onzekerheid voor alle betrokkenen, een verademing’. Voor
pleegouders betekent het dat zij af zijn van het jarenlang verlengen
van de OTS en het gevoel dat men aan terugplaatsing naar huis moet
werken, is de overheersende gedachte onder deze pleegouders.
Toch moet er niet te rigide met de termijnen worden omgegaan, zegt
een pleegmoeder. Ieder kind is anders, heeft een andere achtergrond
en, afhankelijk van de situatie, moet er een beslissing worden genomen.
‘Onze ervaring met heel jonge kinderen bijvoorbeeld is dat een
half jaar te lang is omdat ze zich enorm gaan hechten aan het pleeggezin’.
Veel andere pleegouders vinden de termijn van een half jaar tot maximaal
een jaar om het ouderlijk gezin op orde te krijgen erg kort, en men
vraagt zich ook af of ‘je een plaatsing van een kind wel afhankelijk
moet maken van de ontwikkeling van zijn ouders’.
De intensieve samenwerking met het gezin van herkomst en hulpverleners,
bij de eerste vorm (pleegzorg als module etc.) vereist van pleegouders
een professionele instelling is de indruk. ‘Pleegouders moeten
beschikbaar zijn op afroep, werken volgens hulpverleningsplan, observeren,
rapporteren etc’. Eén pleegouder signaleert daarin een
verbetering van de positie van pleegouders ten opzichte van de huidige
situatie. ‘Heel vaak krijg ik nu het gevoel dat ik veel zie en
opmerk, maar dat niet kwijt kan bij de professionals. Pleegouders
worden nu vaak niet gezien als de mensen die het kind en de ouders
goed kennen’.
Maar professionalisering heeft ook zijn keerzijde zegt een ander:
‘ik wantrouw de wens om pleegouders te professionaliseren. De
gewenste werkstijl: rapportage, hulpverleningsplannen etc. hoort bij
hulpverleningsinstanties, niet bij pleegouders. Veel goede pleegouders
zullen hierdoor afvallen’.
Verbetering of verslechtering van positie
De positie van de pleegouders lijkt volwaardiger in de nieuwe plannen
geeft een aantal pleegouders aan: ‘eindelijk wordt de mening
van pleegouders serieus genomen’. Maar het is onduidelijk of
hier ook verbetering van de (juridische) positie van pleegouders tegenover
staat. ‘Beslissen pleegouders mee over het toekomstperspectief
van het pleegkind?’ is bijvoorbeeld de vraag.
Ook over de financiële kant van de zaak heeft men zo zijn twijfels:
‘hoe zit het met extra uitgaven voor pleegouders, wie betaalt
de telefoon, administratie, presentatiekosten?’
Voor de pleegkinderen zien de pleegouders alleen maar een verbetering
van een nu vaak onzekere situatie. Er komt meer duidelijkheid op korte
termijn en duidelijkheid over hun toekomst. Dat komt het kind ten
goede. ‘Het belang van het kind staat voorop, niet het belang
van de ouders’. Al vindt een enkeling ook hier het tijdsbestek
waarbinnen duidelijk moet worden verkregen erg kort: ‘een half
jaar is schrikbarend kort voor het ontwikkelen van een helder toekomstperspectief
van het kind. Zeker als je in ogenschouw neemt wat er allemaal in
dat halve jaar gebeurt in het leven van het kind’.
De daadwerkelijke hulp aan ouders is een verbetering voor hen, vinden
de pleegouders. Maar men denkt dat de tijdsdruk voor de ouders stressvol
zal zijn. Lukt het ze niet binnen de termijn de thuissituatie op orde
te hebben, dan ben je je kind kwijt, ongeacht latere ontwikkelingen.
Dat is een verslechtering van hun positie, zo meent men.
De maximale termijn van een jaar om het ouderlijk gezin weer op de
rails te hebben wordt door de pleegouders verdeeld beoordeeld. De
een zegt: ‘voor het kind is het te lang, en voor de ouders te
kort’. Een andere pleegouder stelt voor: ‘het lijkt logischer
om te zeggen dat na enkele jaren (hoeveel, daar waag ik me niet aan)
het kind niet meer wordt teruggeplaatst. Misschien is nog beter: als
alles goed draait, dan een 1 jaar’. Gemiddeld vindt men een jaar
een redelijke termijn. Het mag in ieder geval niet langer duren: ‘een
jaar onzekerheid is voor kinderen en ouders oneindig lang’. Als
men elkaars inbreng serieus neemt, en bij een goede afstemming, moet
het voldoende inzicht geven voor een beslissing, vinden deze pleegouders.
Literatuur: Pleegzorg in een veranderende jeugdzorg. VOG, Utrecht,
maart 2000