Mia en Albert hebben twee zonen (7 en 6) en een pleegdochter (2)
en ze hebben beiden een (bijna fulltime) baan. Marianne is de dochter
van Mia's verslaafde zus. Ons gesprek vindt plaats op Albert's 'vrije'
dag, ook zijn vaste dag waarop hij voor Marianne zorgt. Ze scharrelt
wat rond, maar is voortdurend alert op wat hij doet. Als hij naar
de keuken loopt dribbelt ze achter hem aan. Tijdens ons gesprek vraagt
Marianne regelmatig aandacht, ze kan nog moeilijk alleen spelen. Regelmatig
kruipt ze bij Albert op schoot, maar komt niet echt tot rust.
"Natuurlijk zijn we ingesprongen toen Jantien uiteindelijk niet
goed voor Marianne bleek te kunnen zorgen, maar het georganiseer valt
ons niet makkelijk. En wat ook vervelend is: de familie van vader,
die vlak na de geboorte van Marianne is overleden aan een overdosis,
werkt niet mee. Ze bemoeien zich met allerlei dingen, maar als puntje
bij paaltje komt willen ze niets doen en geen verantwoordelijkheid
dragen. Aan de andere kant zijn ze wel bezig met een of andere procedure
bezig om toch (een beetje) officieel zeggenschap over haar krijgen.
We vinden dat wij, als familie, beter voor Marianne kunnen zorgen
dan een 'gewoon' pleeggezin. Maar de begeleidster van de Pleeggezinnencentrale
vindt dat we toch wel goed moeten nadenken of we, gezien haar problemen,
voldoende tijd hebben voor Marianne. Marianne is verslaafd geboren
en is eerst een tijd in het ziekenhuis opgenomen geweest om af te
kicken. Ondanks dat ze nog lang medicijnen kreeg merkten we dat ze
niet zo reageerde als we ons van onze eigen kinderen herinneren. De
kinderarts verwacht dat het op den duur wel verder bijtrekt, dat ze
minder hangerig en huilerig wordt, maar nu is het nog wel belastend
om voor haar te zorgen, en een goede oppas te vinden.
Onze jongens gingen al naar de naschoolse opvang, en toen moesten
we ineens voor Marianne heel andere andere dingen organiseren. Daar
hebben we overleg over gehad met onze begeleidster. Het voelt raar
om in een organisatie te worden ingekapseld, om opeens pleeggezin
te zijn en allerlei mensen over de vloer te krijgen die meedenken
over wat goed is voor Marianne. Soms is het ook wel prettig om die
organisatie achter je te weten.
We hadden ons natuurlijk wel gerealiseerd dat alles niet zo kon doorgaan
als voordat ze kwam. Mia was een jaar daarvoor net weer gaan werken
en vindt dat hartstikke leuk. Zij wilde er ook niet teveel voor opgeven.
We waren blij dat haar baas zich soepel opstelde en haar – tijdelijk
– een extra vrije dag gaf. Zelfs nog voordat er sprake was van
zorgverlof voor pleegouders!
Bij mijzelf ging dat wat moeizamer. En aan die vrije dag wordt nog
steeds gemorreld, omdat niet alle vergaderingen en andere verplichtingen
op mijn 'werk'dagen worden gepland.
Via Mia’s werk hadden wij vrij snel een plekje op een heel
goede, particuliere crèche. Maar we wilden Marianne ook snel
beter leren kennen, haar aan ons moesten laten wennen, vandaar dat
we toch proberen er zoveel mogelijk voor haar te zijn. We merken dat
we het moeilijk vinden om anderen in te schakelen bij het opvoeden
van Marianne, het is toch onze keus geweest om voor Marianne te zorgen.
Mia's moeder heeft eerst een tijdje voor Marianne gezorgd maar hield
het niet vol, het was haar te zwaar. Mia’s andere zus past elke
maand een weekend op, dat is plezierig, dan kunnen we extra aandacht
aan onze jongens besteden.
Onze begeleidster heeft gezegd dat Marianne zich wellicht beter kan
ontwik-kelen als ze elke dag naar het medisch kleuterdagverblijf gaat.
Marianne wordt dan altijd, tenzij ze erg ziek is, en op vaste tijden
door dezelfde verzorgsters begeleid. Wij zouden onverwachte dingen
van ons werk makkelijker kunnen opvangen, en het zou ook ruimte geven
in onze weekplanning. Maar we vinden het nog een te grote stap voor
Marianne.
Nu zijn we allebei een hele dag thuis. Mia op woensdag, ik op vrijdag.
Dat is prettig: 's morgens hebben we tijd voor Marianne, 's middags
zijn de jongens thuis. We hebben twee keer per week hulp in de huishouding,
maar die vindt het moeilijk om goed met Marianne om te gaan. Als Marianne
op 'haar' dagen ziek is en niet naar de crèche kan, moeten
we toch weer iets anders organiseren. En dat vergt veel gehannes,
waar we weinig steun bij krijgen van de begeleidster. We krijgen het
gevoel dat ze ons hiermee wil pressen om in te stemmen met het MKD.
Soms denken we: we doen het, we sturen Marianne naar het MKD. Tot
de kleuterschool zijn we dan van veel gedoe en geregel af zijn, en
Marianne heeft ook een vast ritme. Maar we wilden oorspronkelijk zo
veel mogelijk zelf voor haar zorgen…
We zijn er nog niet uit wat het beste is voor Marianne en voor ons
allemaal.'