Wanneer we een aantal buitenlandse tijdschriften er op napluizen,
vinden we nauwelijks informatie over dit onderwerp. Is het geen ‘hot
item’ omdat er al faciliteiten zijn (zie vele Scandinavische
landen en ook Duitsland), of is het omdat de problematiek nog niet
wordt gezien, of omdat de combinatie pleegzorg en werken aan (beperkende)
regels is gebonden?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft becijferd dat in 1999
voor het eerst in de geschiedenis van ons land meer dan de helft van
alle Nederlandse vrouwen tussen 15 en 64 jaar een betaalde baan heeft.
Een stijging in de laatste tien jaar van 37 naar 51 procent. Dit is
een ontwikkeling die zich waarschijnlijk zal doorzetten en daarom
in het beleid van de jeugdhulpverlening moet worden ingecalculeerd.
Sinds de invoering van de Wet op de Jeugdhulpverlening in 1989 is
er met betrekking tot pleegzorg veel veranderd. De destijds voorgestelde
deskundigheidsbevordering binnen pleegzorg en specialisatie van de
medewerkers heeft onherroepelijk bijgedragen tot de professionalisering
van deze hulpvorm. Pleegzorg telt mee. Maar we moeten er alles aan
blijven doen om over pleeggezinnen te kunnen blijven beschikken. Idealisme
is niet genoeg om gezinnen zo ver te krijgen. Faciliteiten in de voorwaardenscheppende
sfeer zijn daarom nodig. Pleegouders volgen trainingen of cursussen,
vangen kinderen op met ernstiger problematische achtergronden dan
vroeger, spelen een cruciale rol in observatie van en rapportage over
het ontwikkelingsproces van het kind. Kortom zij realiseren voor het
kind een groot gedeelte van het hulpverleningsproces. Als hen geen
mogelijkheden worden geboden om dit te doen in combinatie met de ‘gezinstaken’
die ze al hebben, waaronder arbeid van een of beide opvoedingspartners,
zijn mooie plannen ijdel. Er is (nog) weinig draagvlak voor betaald
pleegouderschap, maar dat wil niet zeggen dat een aantal betaalde
of professionele pleegouders niet in de behoefte (kan) voorzien om
kinderen met zeer specifieke of complexe indicaties voor pleegzorg
op te vangen.
Pleegouders zijn tot op heden zelf de initiatiefnemers geweest om
het een met het ander te combineren. Met creativiteit, veel geregel
en overleg tussen partners of alle gezinsleden doet men wat van hen
ten aanzien van het verzorgen en opvoeden van het pleegkind wordt
verwacht.
Maar waar blijven de Voorzieningen voor Pleegzorg om actief hierin
mee te werken en mee te denken?
Welke faciltieiten kunnen zij aanbieden of waarin kunnen zij bemiddelen
door hun connecties met andere hulp- en sociale organisaties en diensten
aan te boren?
Pleegouders zijn wellicht gebaat bij een pleegzorgbudget, dat groter
is dan het persoonsgebonden budget, om diensten in te schakelen, bijvoorbeeld
op tijdelijke basis. Huishoudelijke hulp, opvanggezinnen voor weekends
of een variant op ouderschapsverlof met de nodige garanties kunnen
dan vanuit zo’n budget gefinancierd worden. Ligt echter een gedeelde
verantwoordelijkheid tussen pleeggezin en voorziening in deze niet
eerder in het verschiet? Opvang in crèches, het inhuren van
huishoudelijke krachten, ondersteuning door Medisch Kinder Dagverblijven,
buitenschoolse opvang regelen en realiseren, huiswerk-ondersteuning,
zijn voorbeelden van zaken die pleegouders de feitelijke en geestelijke
ruimte geven om zich op alle andere momenten te concentreren op het
kind in hun gezin.
Het spreekt voor zich dat ook Voorzieningen voor Pleegzorg dit niet
kunnen realiseren zonder steun van de overheid. Nu pleeggezinnen en
voorzieningen zich de afgelopen jaren kosten noch moeite hebben gespaard
om van pleegzorg een te respecteren hulpvariant te maken, is ook het
woord en de daad aan de overheid. Zij kan niet achter blijven met
het ontzeggen van die mogelijkheden aan een hulpvariant waarop men
in de toekomst hoog wil inzetten. Niet alleen omdat pleegzorg nog
méér wil, maar gewoon omdat onze samenleving zich zo
ontwikkelt dat zorgen voor kinderen én bijdragen aan de economie
nu eenmaal door dezelfden worden gedaan.
|
CITATEN UIT MOBIEL OVER ‘PLEEGZORG EN
ARBEID’:
-
Een gevolg van het economische zelfstandigheidsbeleid
van de overheid is dat steeds minder mensen (vooral vrouwen)
zich willen en kunnen inzetten voor de vrijwillige zorg
van anderen.
-
Het is eenvoudig uit te rekenen dat een pleeggezinplaatsing
de samenleving aanzienlijk minder kost dan een residentiële
plaatsing.
-
De overheid raakt in de knel met enerzijds de eis dat
steeds meer vrouwen aan het arbeidsproces moeten deelnemen
en anderzijds de noodzaak om de oplopende kosten van de
verzorgingsstaat terug te dringen.
-
Pleegvaders zijn beduidend meer vertegenwoordigd in
de hogere salarisgroepen.
-
Pleegzorg is behalve zo gewoon mogelijk opvoeden ook
als vorm van maatschappelijke dienstverlening op te vatten.
|