artikel uit Mobiel 3, juni/juli 2000

Ouders van pleegkinderen gehoord

Door: Eva Klooster en Agnes van Burik

Vinden de ouders van pleegkinderen dat zij voldoende professionele ondersteuning krijgen na de uithuisplaatsing? En zijn zij tevreden over de contacten met de pleegouders? Dit zijn twee onderwerpen die aan orde komen in een recent uitgebracht onderzoeksrapport 'Ouders van pleegkinderen gehoord'(1). In opdracht van de Landelijke Stuurgroep Pleegzorg voerden onderzoeksters hiervoor gesprekken met 22 ouders van kinderen die in justitieel kader uithuisgeplaatst zijn. De gesprekken geven een beeld van hoe ouders de situatie rondom de uithuisplaatsing ervaren.

'Het doen van voorstellen voor innovatie en kwaliteitsverbetering in de pleegzorg'. Met die opdracht heeft het Ministerie van WVC de Landelijke Stuurgroep Pleegzorg twee jaar geleden op pad gestuurd. Voor de uitvoering van deze opdracht is Trillium, Project Innovatie en Kwaliteitsverbetering Pleegzorg, van start gegaan. Dit project loopt tot maart 2001 en is organisatorisch ondergebracht bij het VOG(2).
De Landelijke Stuurgroep Pleegzorg is van mening dat vragen rond innovatie en kwaliteitsverbetering alleen samen met alle betrokkenen in de pleegzorg beantwoord kunnen worden. Daarom is een reeks bijeenkomsten georganiseerd waar men met die verschillende betrokken partijen - pleegouders, ouders, pleegkinderen en de professioneel betrokkenen - in gesprek is gegaan over een nieuwe visie op de pleegzorg. Omdat het relatief moeilijk was ouders te bereiken voor deze bijeenkomsten is een aanvullend onderzoek gedaan onder ouders van pleegkinderen. De ouders zijn benaderd via instellingen voor (gezins)voogdij. De onderzoeksopdracht was om een beter beeld te krijgen van:

1 de huidige situatie in de pleegzorg vanuit het perspectief van ouders;
2 de ideeën van ouders over kwaliteitsverbetering van de pleegzorg en hun reacties op de voorstellen van Trillium.

Meer interesse tonen

Een onderzoek naar de ervaringen en ideeën van ouders van pleegkinderen levert een zeer divers beeld op van de pleegzorg. Het is een beeld van ouders die behoefte hebben aan ondersteuning, zowel voorafgaand, maar zeker ook na de uithuisplaatsing. En het is een beeld van verschillende ervaringen met die ondersteuning. Circa een derde van de ouders voelt zich na de uithuisplaatsing voldoende ondersteund en zegt een prettige omgang met de gezinsvoogd te hebben. Tweederde van de ouders ervaart echter te weinig ondersteuning van de gezinsvoogd. Zij hebben het gevoel dat na uithuisplaatsing alle aandacht gericht wordt op het kind in het pleeggezin, terwijl de relatie tussen het kind en ouder wordt vergeten.
Vrijwel alle ouders zeggen bij de verwerking van de uithuisplaatsing en het opbouwen van een nieuwe verhouding met het kind en pleegouders behoefte te hebben aan ondersteuning van de gezinsvoogd. Mede door de werkdruk van de gezinsvoogd, krijgen veel ouders toch het gevoel op de laatste plaats te komen. Gemiddeld hebben ouders een paar keer per jaar contact met de (gezins)voogd. Dit is onvoldoende omdat juist de gezinsvoogd de link vormt tussen ouder, kind en pleegouders. Hieronder staan enkele treffende citaten:
"Mijn gezinsvoogd zou gewoon eens wat meer interesse moeten tonen, nu belt hij eens in twee maanden. Hij zou gewoon zo maar eens moeten bellen om te vragen hoe het met je gaat, of hoe het met je kind gaat."
"De pleegouders krijgen veel ondersteuning van de hulpverlening maar wij zitten maar in dat lege huis en wij moeten het allemaal zelf uit zoeken. De voogdes zien we een paar keer per jaar."

Vertrouwen is essentieel

Als het gaat om de relatie met de pleegouders is het beeld net zo divers. Er zijn ouders die zeer tevreden zijn over de goede verstandhouding met de pleegouders, maar er zijn ook ouders die al jaren lang geen normaal gesprek gevoerd hebben met de pleegouders. Een redelijke verstandhouding en vertrouwen tussen ouder en pleegouder, lijkt voor de ouder echter essentieel voor de acceptatie van de plaatsing, zeker wanneer het een langdurige plaatsing betreft. Het volgende citaat is illustratief:

"Bij mijn zoon kon ik meteen instemmen met een OTS-zonder vooruitzichten. Hij zat goed en er was wederzijds vertrouwen met de pleegouders, ik denk dat dat het belangrijkste was. Maar bij mijn dochter heb ik nooit kunnen instemmen, het geeft te veel problemen een plaatsing bij ex-schoonfamilie, wij hebben geen vertrouwen in elkaar. Dat had onderzocht moeten worden door Jeugdzorg, dat is beloofd, maar dat is nooit gebeurd..."
(vader van zoon van 7 en dochter van 4 jaar, zijn allebei 3,5 jaar geleden uithuisgeplaatst in twee verschillende gezinnen)

Of ouders van pleegkinderen vertrouwen kunnen geven en de plaatsing kunnen accepteren lijkt in ieder geval van twee zaken afhankelijk. Allereerst gaat het om de ervaring dat het kind het ‘het goed heeft’ in het pleeggezin. De grote meerderheid van de geïnterviewde ouders meent dat dit zo is en is positief over de zorg en opvoeding die de pleegouders bieden.
Ten tweede is het belangrijk dat de ouder op een of andere manier een invulling kan geven aan de ouderrol. De ouders moeten er op kunnen vertrouwen dat zij geïnformeerd worden en zo mogelijk betrokken worden bij de belangrijke momenten in het leven van het kind, bij ziekte, maar zeker bij leuke gebeurtenissen als afzwemmen en schooluitvoeringen. Ouders die weten dat zij delen in die momenten, lijken gemakkelijker een stap naar achteren te kunnen doen en vervolgens de pleegouders de ruimte te kunnen bieden die zij op hun beurt nodig hebben.

Vrijwel alle geïnterviewde ouders zeggen veel belang te hechten aan een goede relatie met de pleegouders. Dat het ouders en pleegouders echter niet altijd lukt om samen een balans te vinden komt ook duidelijk naar voren uit de interviews. Onder de geïnterviewden zijn ouders die al jaren achtereen nauwelijks communiceren met de pleegouders en ouders die nog nooit bij het pleeggezin thuis zijn geweest. Vooral het vaak veel te lang voortduren van conflictsituaties veroorzaakt veel leed, zo blijkt uit de interviews.

"We weten niet hoe onze dochter woont, hoe ze leeft. We weten niks. Niet hoe haar kamertje eruit ziet en hoe ze 's avonds gaat slapen.... Dat doet gewoon pijn... Ze zit nu op de peuterspeelzaal en we weten helemaal niet hoe het daar met haar gaat."
(ouders van een dochter van 3 jaar, ontmoeten hun dochter al 2,5 jaar alleen maar in de dierentuin)

Ouders en pleegouders moeten, ook in het belang van het kind, investeren in de onderlinge relatie, zo menen de geïnterviewde ouders. Maar in situaties waar ouders en pleegouders er niet samen uitkomen, is de bemoeienis van de gezinsvoogd onontbeerlijk. De volgende citaten zijn kenmerkend:

"Een eerste vereiste is een goede relatie tussen pleeggezin en ouders. Als dit niet werkt dan zijn alle verdere acties en mogelijkheden bij voorbaat gedoemd te mislukken. Onze huidige gezinsvoogd is overbelast. Hij heeft een te grote case-load. Daardoor is er te weinig inzet op gezamenlijk werken aan het belang van onze dochter. De eerste gezinsvoogd legde wel een duidelijke lijn tussen ons en het pleeggezin."
(ouders van dochter van 12 jaar, woont 11 jaar in pleeggezin)

Trillium: ‘meer duidelijkheid over doel plaatsing’

Uit bijeenkomsten en onderzoek in de afgelopen projectperiode is het de Landelijke Stuurgroep Pleegzorg duidelijk geworden dat de vaak langdurige onduidelijkheid over het doel van de plaatsing een belangrijk knelpunt in de pleegzorg is. Trillium zoekt de oplossing voor dit knelpunt in een duidelijker onderscheid tussen plaatsingen waarbij nog een vooruitzicht (perspectief) is op terugkeer en plaatsingen waarbij dat niet (meer) het geval is. Dit onderscheid maakt het volgens Trillium noodzakelijk om over twee verschillende varianten van pleegzorg te kunnen beschikken:

Variant 1: zijn er nog mogelijkheden voor terugkeer dan moet alles op alles gezet worden om ouders te ondersteunen. Een tijdelijke opvang van een kind in een pleeggezin kan een onderdeel vormen van die ondersteuning.
Variant 2: er bestaat geen perspectief op terugplaatsing. Het kind zal langere tijd in het pleeggezin wonen om daar op te groeien. Het is in het belang van het kind dat al het mogelijk wordt gedaan om de eigen ouders daarbij ook een rol te geven.

Welke van de twee varianten gekozen wordt moet in principe binnen een jaar duidelijk kunnen zijn. Voorwaarde is dat aan ouders intensieve en vraaggerichte hulp wordt geboden zodat de problemen in de thuissituatie worden opgelost. Trillium erkent dat een dergelijk intensief hulpaanbod op dit moment niet beschikbaar is voor ouders en dat er dus nog heel wat moet gebeuren.

Ouders over de voorstellen

De meerderheid van de ouders die meegewerkt heeft aan het onderzoek, heeft geen intensieve begeleiding gehad voorafgaand aan of direct na de uithuisplaatsing. Ook vinden de meeste ouders dat zij te weinig ondersteuning hebben gekregen bij de verwerking en het omgaan met de uithuisplaatsing en het bewerkstelligen van een goed contact met de pleegouders. Het voorstel van Trillium voor variant 1: ondersteuning aan ouders waarbij 'alles op alles gezet wordt', met pleegzorg als mogelijk onderdeel, betekent dus een kwalitatieve verbetering van de zorg aan ouders. Door intensieve hulp aan ouders direct na de uithuisplaatsing lijkt het voor ouders ook gemakkelijker een langdurige uithuisplaatsing te accepteren, wanneer geconstateerd wordt dat terugkeer toch niet haalbaar is.
Voor de tweede variant - pleegzorg als langdurige plaatsing - hebben de ouders duidelijke wensen. Voorop staat een goede verhouding met de (gezins)voogd en met de pleegouders én ruimte krijgen voor het invullen van een ouderrol.

Noten
(1) Het onderzoek is uitgevoerd bij Onderzoeksbureau Van Dijk, Van Sommeren en Partners door Eva Klooster en Agnes van Burik. Het onderzoeksrapport is verkrijgbaar bij Trillium, tel. 030-2983460.
(2) De projectorganisatie Trillium is ondergebracht bij het VOG, de ondernemersorganisatie voor welzijn, hulpverlening en opvang.