Vinden de ouders van pleegkinderen dat zij voldoende professionele
ondersteuning krijgen na de uithuisplaatsing? En zijn zij tevreden
over de contacten met de pleegouders? Dit zijn twee onderwerpen die
aan orde komen in een recent uitgebracht onderzoeksrapport 'Ouders
van pleegkinderen gehoord'(1). In opdracht van de Landelijke Stuurgroep
Pleegzorg voerden onderzoeksters hiervoor gesprekken met 22 ouders
van kinderen die in justitieel kader uithuisgeplaatst zijn. De gesprekken
geven een beeld van hoe ouders de situatie rondom de uithuisplaatsing
ervaren.
'Het doen van voorstellen voor innovatie en kwaliteitsverbetering
in de pleegzorg'. Met die opdracht heeft het Ministerie van WVC de
Landelijke Stuurgroep Pleegzorg twee jaar geleden op pad gestuurd.
Voor de uitvoering van deze opdracht is Trillium, Project Innovatie
en Kwaliteitsverbetering Pleegzorg, van start gegaan. Dit project
loopt tot maart 2001 en is organisatorisch ondergebracht bij het VOG(2).
De Landelijke Stuurgroep Pleegzorg is van mening dat vragen rond innovatie
en kwaliteitsverbetering alleen samen met alle betrokkenen in de pleegzorg
beantwoord kunnen worden. Daarom is een reeks bijeenkomsten georganiseerd
waar men met die verschillende betrokken partijen - pleegouders, ouders,
pleegkinderen en de professioneel betrokkenen - in gesprek is gegaan
over een nieuwe visie op de pleegzorg. Omdat het relatief moeilijk
was ouders te bereiken voor deze bijeenkomsten is een aanvullend onderzoek
gedaan onder ouders van pleegkinderen. De ouders zijn benaderd via
instellingen voor (gezins)voogdij. De onderzoeksopdracht was om een
beter beeld te krijgen van:
1 de huidige situatie in de pleegzorg vanuit het perspectief van
ouders;
2 de ideeën van ouders over kwaliteitsverbetering van de pleegzorg
en hun reacties op de voorstellen van Trillium.
Meer interesse tonen
Een onderzoek naar de ervaringen en ideeën van ouders van pleegkinderen
levert een zeer divers beeld op van de pleegzorg. Het is een beeld
van ouders die behoefte hebben aan ondersteuning, zowel voorafgaand,
maar zeker ook na de uithuisplaatsing. En het is een beeld van verschillende
ervaringen met die ondersteuning. Circa een derde van de ouders voelt
zich na de uithuisplaatsing voldoende ondersteund en zegt een prettige
omgang met de gezinsvoogd te hebben. Tweederde van de ouders ervaart
echter te weinig ondersteuning van de gezinsvoogd. Zij hebben het
gevoel dat na uithuisplaatsing alle aandacht gericht wordt op het
kind in het pleeggezin, terwijl de relatie tussen het kind en ouder
wordt vergeten.
Vrijwel alle ouders zeggen bij de verwerking van de uithuisplaatsing
en het opbouwen van een nieuwe verhouding met het kind en pleegouders
behoefte te hebben aan ondersteuning van de gezinsvoogd. Mede door
de werkdruk van de gezinsvoogd, krijgen veel ouders toch het gevoel
op de laatste plaats te komen. Gemiddeld hebben ouders een paar keer
per jaar contact met de (gezins)voogd. Dit is onvoldoende omdat juist
de gezinsvoogd de link vormt tussen ouder, kind en pleegouders. Hieronder
staan enkele treffende citaten:
"Mijn gezinsvoogd zou gewoon eens wat meer interesse moeten tonen,
nu belt hij eens in twee maanden. Hij zou gewoon zo maar eens moeten
bellen om te vragen hoe het met je gaat, of hoe het met je kind gaat."
"De pleegouders krijgen veel ondersteuning van de hulpverlening
maar wij zitten maar in dat lege huis en wij moeten het allemaal zelf
uit zoeken. De voogdes zien we een paar keer per jaar."
Vertrouwen is essentieel
Als het gaat om de relatie met de pleegouders is het beeld net zo
divers. Er zijn ouders die zeer tevreden zijn over de goede verstandhouding
met de pleegouders, maar er zijn ook ouders die al jaren lang geen
normaal gesprek gevoerd hebben met de pleegouders. Een redelijke verstandhouding
en vertrouwen tussen ouder en pleegouder, lijkt voor de ouder echter
essentieel voor de acceptatie van de plaatsing, zeker wanneer het
een langdurige plaatsing betreft. Het volgende citaat is illustratief:
"Bij mijn zoon kon ik meteen instemmen met een OTS-zonder
vooruitzichten. Hij zat goed en er was wederzijds vertrouwen met de
pleegouders, ik denk dat dat het belangrijkste was. Maar bij mijn
dochter heb ik nooit kunnen instemmen, het geeft te veel problemen
een plaatsing bij ex-schoonfamilie, wij hebben geen vertrouwen in
elkaar. Dat had onderzocht moeten worden door Jeugdzorg, dat is beloofd,
maar dat is nooit gebeurd..."
(vader van zoon van 7 en dochter van 4 jaar, zijn allebei 3,5 jaar
geleden uithuisgeplaatst in twee verschillende gezinnen)
Of ouders van pleegkinderen vertrouwen kunnen geven en de plaatsing
kunnen accepteren lijkt in ieder geval van twee zaken afhankelijk.
Allereerst gaat het om de ervaring dat het kind het ‘het goed
heeft’ in het pleeggezin. De grote meerderheid van de geïnterviewde
ouders meent dat dit zo is en is positief over de zorg en opvoeding
die de pleegouders bieden.
Ten tweede is het belangrijk dat de ouder op een of andere manier
een invulling kan geven aan de ouderrol. De ouders moeten er op kunnen
vertrouwen dat zij geïnformeerd worden en zo mogelijk betrokken
worden bij de belangrijke momenten in het leven van het kind, bij
ziekte, maar zeker bij leuke gebeurtenissen als afzwemmen en schooluitvoeringen.
Ouders die weten dat zij delen in die momenten, lijken gemakkelijker
een stap naar achteren te kunnen doen en vervolgens de pleegouders
de ruimte te kunnen bieden die zij op hun beurt nodig hebben.
Vrijwel alle geïnterviewde ouders zeggen veel belang te hechten
aan een goede relatie met de pleegouders. Dat het ouders en pleegouders
echter niet altijd lukt om samen een balans te vinden komt ook duidelijk
naar voren uit de interviews. Onder de geïnterviewden zijn ouders
die al jaren achtereen nauwelijks communiceren met de pleegouders
en ouders die nog nooit bij het pleeggezin thuis zijn geweest. Vooral
het vaak veel te lang voortduren van conflictsituaties veroorzaakt
veel leed, zo blijkt uit de interviews.
"We weten niet hoe onze dochter woont, hoe ze leeft. We weten
niks. Niet hoe haar kamertje eruit ziet en hoe ze 's avonds gaat slapen....
Dat doet gewoon pijn... Ze zit nu op de peuterspeelzaal en we weten
helemaal niet hoe het daar met haar gaat."
(ouders van een dochter van 3 jaar, ontmoeten hun dochter al 2,5 jaar
alleen maar in de dierentuin)
Ouders en pleegouders moeten, ook in het belang van het kind, investeren
in de onderlinge relatie, zo menen de geïnterviewde ouders. Maar
in situaties waar ouders en pleegouders er niet samen uitkomen, is
de bemoeienis van de gezinsvoogd onontbeerlijk. De volgende citaten
zijn kenmerkend:
"Een eerste vereiste is een goede relatie tussen pleeggezin
en ouders. Als dit niet werkt dan zijn alle verdere acties en mogelijkheden
bij voorbaat gedoemd te mislukken. Onze huidige gezinsvoogd is overbelast.
Hij heeft een te grote case-load. Daardoor is er te weinig inzet op
gezamenlijk werken aan het belang van onze dochter. De eerste gezinsvoogd
legde wel een duidelijke lijn tussen ons en het pleeggezin."
(ouders van dochter van 12 jaar, woont 11 jaar in pleeggezin)
Trillium: ‘meer duidelijkheid over doel plaatsing’
Uit bijeenkomsten en onderzoek in de afgelopen projectperiode is
het de Landelijke Stuurgroep Pleegzorg duidelijk geworden dat de vaak
langdurige onduidelijkheid over het doel van de plaatsing een belangrijk
knelpunt in de pleegzorg is. Trillium zoekt de oplossing voor dit
knelpunt in een duidelijker onderscheid tussen plaatsingen waarbij
nog een vooruitzicht (perspectief) is op terugkeer en plaatsingen
waarbij dat niet (meer) het geval is. Dit onderscheid maakt het volgens
Trillium noodzakelijk om over twee verschillende varianten van pleegzorg
te kunnen beschikken:
Variant 1: zijn er nog mogelijkheden voor terugkeer dan moet alles
op alles gezet worden om ouders te ondersteunen. Een tijdelijke opvang
van een kind in een pleeggezin kan een onderdeel vormen van die ondersteuning.
Variant 2: er bestaat geen perspectief op terugplaatsing. Het kind
zal langere tijd in het pleeggezin wonen om daar op te groeien. Het
is in het belang van het kind dat al het mogelijk wordt gedaan om
de eigen ouders daarbij ook een rol te geven.
Welke van de twee varianten gekozen wordt moet in principe binnen
een jaar duidelijk kunnen zijn. Voorwaarde is dat aan ouders intensieve
en vraaggerichte hulp wordt geboden zodat de problemen in de thuissituatie
worden opgelost. Trillium erkent dat een dergelijk intensief hulpaanbod
op dit moment niet beschikbaar is voor ouders en dat er dus nog heel
wat moet gebeuren.
Ouders over de voorstellen
De meerderheid van de ouders die meegewerkt heeft aan het onderzoek,
heeft geen intensieve begeleiding gehad voorafgaand aan of direct
na de uithuisplaatsing. Ook vinden de meeste ouders dat zij te weinig
ondersteuning hebben gekregen bij de verwerking en het omgaan met
de uithuisplaatsing en het bewerkstelligen van een goed contact met
de pleegouders. Het voorstel van Trillium voor variant 1: ondersteuning
aan ouders waarbij 'alles op alles gezet wordt', met pleegzorg als
mogelijk onderdeel, betekent dus een kwalitatieve verbetering van
de zorg aan ouders. Door intensieve hulp aan ouders direct na de uithuisplaatsing
lijkt het voor ouders ook gemakkelijker een langdurige uithuisplaatsing
te accepteren, wanneer geconstateerd wordt dat terugkeer toch niet
haalbaar is.
Voor de tweede variant - pleegzorg als langdurige plaatsing - hebben
de ouders duidelijke wensen. Voorop staat een goede verhouding met
de (gezins)voogd en met de pleegouders én ruimte krijgen voor
het invullen van een ouderrol.
Noten
(1) Het onderzoek is uitgevoerd bij Onderzoeksbureau Van Dijk, Van
Sommeren en Partners door Eva Klooster en Agnes van Burik. Het onderzoeksrapport
is verkrijgbaar bij Trillium, tel. 030-2983460.
(2) De projectorganisatie Trillium is ondergebracht bij het VOG, de
ondernemersorganisatie voor welzijn, hulpverlening en opvang.