artikel uit Mobiel 2, april/mei 2000

Lezers schrijven

Door:de redactie

VAN DER ENDE

Ik hou er een vieze nasmaak aan over, als ik lees dat 'de leuke, makkelijk te plaatsen kinderen' juist in beeld gebracht moeten worden (S. Nijon, Mobiel 1/2000). Wat een discriminatie naar kinderen met een handicap, ziekte of zwaar trauma! Moet dat zo?
Die 'leuke' kinderen laten op de TV niet zien wat er in hun koppie omgaat. Tenslotte wordt een kind pas pleegkind als er al heel veel is stukgemaakt, je komt niet 'zomaar' bij je ouders weg. En wat dat lieve gezichtje dan in een pleeggezin, soms op een subtiele manier, teweeg kan brengen, wordt maar even weggelaten.
Ik heb niets tegen een TV-programma over pleegzorg. Maar dan wel graag een programma waarin op een eerlijke wijze alle facetten van die mooie, maar o zo moeilijke en zware pleegzorg naar voren komen. En waarin kinderen die een thuis verdienen (en welk pleegkind wil je daarvan uitsluiten?) ook een eerlijke kans krijgen.

Marjan Sonnemans (pleeg)moeder, Vierlingsbeek

BETAALD PLEEGOUDERSCHAP

In het decembernummer van Mobiel houdt Saskia Grotenhuis een pleidooi voor betaald pleegouderschap. Ik wil dit graag ondersteunen.
Ik ben een gescheiden vrouw van 42 en verzorg sinds drie jaar een pleegkind, naast mijn eigen twee kinderen. Om in m'n levensonderhoud te voorzien heb ik een baan van 32 uur. Ik zou liever meer pleegkinderen willen omdat ik dit een veel zinniger invulling van m'n leven vind, dan mijn betaalde baan. De stichting Pleegzorg zou ook graag meer kinderen bij mij plaat-sen. Zowel financieel als qua tijd en woon-ruimte kan ik me dat niet veroorloven, en de Stichting heeft hiervoor geen oplossing. Ze voelden wel wat voor het idee dat ik ontslag zou nemen en in de bijstand zou gaan; als ik dan ook nog een grotere woning zou krijgen, zou bijplaatsing mogelijk worden. Wat mij betreft is dat geen re‘le oplossing: je gaat niet vrijwillig met vier of vijf kinderen in de bijstand: zelfs idealisme kent z'n grenzen.
De stichting Pleegzorg, c.q. de overheid, zou in dit soort situaties niet alleen naar de voordelen voor henzelf moeten kijken (plaatsing van meer kinderen), maar zich ook medeverantwoordelijk moeten voelen voor de organisatorische en financi‘le consequenties voor pleegouders. Als door dit soort zaken het plaatsen van kinderen niet kan doorgaan, is dit immers ook wel degelijk een probleem van de pleegzorg. Een salaris als pleegouders zou voor mij betekenen dat ik m'n baan kan opzeggen en me full-time kan inzetten voor meerdere pleegkinderen. De besparingen die dit voor de samenleving oplevert zijn vele malen groter dan het te betalen salaris. Dat hier tegenover zou staan dat er kwaliteitseisen worden gesteld aan pleegouders lijkt me geen enkel probleem.
Ik zou graag willen dat wij als pleegouders op dit punt op steun konden rekenen van de pleegzorgorganisaties. We hebben immers dezelfde belangen: die van de (toekomstige) pleegkinderen.

Paula Helderman, Den Haag

IEDEREEN HEEFT ZEKERHEID NODIG

In het februari/maart nummer van MOBIEL staat een interview met staats-secretaris Margo Vliegenthart. Zij geeft daarin haar mening over ontheffing en het scheppen van duidelijkheid naar pleegouders en pleegkind. Ik deel haar uitgangspunt dat altijd het belang van het kind voorop moet staan, evenals haar opvatting over contacten met ouders. Niet eens ben ik het met haar slotzin: 'het bieden van zekerheid en houvast zit 'm niet in in het weghalen van rechten bij anderen, in dit geval de natuurlijke ouders'.
Naar mijn mening is een ontheffing vaak nodig om het belang van het kind te dienen en het contact tussen ouders en pleegouders te bevorderen. Het gemakkelijkst laat zich dat zien aan de hand van onze twee pleegkinderen, beide in beginsel perspectiefbiedende plaatsingen. Onze pleegzoon is in 1990 geplaatst. Vanaf het begin waren de grenzen helder en is zekerheid geboden, mede ondersteund door een ontheffing. Een en ander heeft ertoe geleid dat tussen ons en zijn ouders het contact uitstekend is.
Heel anders ging het bij onze pleegdochter. Zij kwam in 1995, een maand oud, vanuit het ziekenhuis bij ons wonen. Waarschijnlijk voor langdurig, na een jaar zou de definitieve beslissing vallen. Na dit jaar was duidelijk dat een opvoeding bij de ouders niet mogelijk was. Toch heeft de gezins- en voogdijvereniging toentertijd geen besluit genomen. De ouders scheidden. Aanvankelijk wilde moeder nooit meer contact, maar later herriep ze dat. Er volgden jaren van 'wel of niet terug?', mede mogelijk gemaakt door een weifelende gezins- en voogdijvereniging.
Wat waren de gevolgen voor onze pleegdochter? Waarschijnlijk heeft ze zich door alle gebeurtenissen onzeker en verlaten gevoeld. Ze kreeg onverklaarbare koortsaanvallen, sliep onrustig, de zindelijkheid liep terug etc.Toen er zekerheid kwam over haar verblijf, verdwenen deze verschijnselen ook geleidelijk. Wat blijft is een onderhuidse spanning: vier jaar onzekerheid geeft basisonveiligheid.
Ook de moeder heeft de periode waarin naar terugplaatsing werd toegewerkt heel negatief ervaren. Zij zag het als een oneerlijke strijd: zij kon immers toch nooit tegen het pleeggezin op? Ze voelde zich een jaar lang met de neus op haar eigen onvermogen (of mogelijk onwil?) gedrukt. Gevolg: ze wil geen contact meer met ons, terwijl er in de jaren ervoor periodes met een groeiende vertrouwensband waren geweest. Nu moet ze - na 5 jaar - nog beginnen met de verwerking van het feit dat haar kind elders opgroeit.
Wijzelf zijn inmiddels een stuk minder positief over de praktijk van pleegzorg. Als er eerder duidelijkheid was gekomen was onze pleegdochter minder beschadigd en was er waarschijnlijk een beter contact mogelijk geweest met haar moeder. De huidige wetgeving en praktijk, waarin eerst bewezen moet worden of een kind niet door de ouders opgevoed kan worden, brengt juist onzekerheid (of nog erger). Als de Staatssecretaris het belang van het kind als uitgangspunt neemt en goed contact tussen pleegouders en ouders belangrijk vindt, zal ze de nieuwe Wet op de Jeugdzorg zo moeten veranderen dat ontheffing weer sneller toegepast wordt. Langdurige onzekerheid is voor alle betrokkenen in de pleegzorg zeer slecht.

Pleegvader, naam en adres bij redactie bekend

EEN KIND IN DE AANBIEDING, EEN PRACHTKANS ? VOOR WIE ?

Sonja Nijon verbaast zich in MOBIEL nr. 1 over de negatieve reacties op Endemols plannen voor een tv-programma waarin pleegkinderen worden aangeboden.
Ook zou ik nogal stellige antwoorden hebben gegeven op vragen van een Volkskrant-journalist naar aanleiding van die plannen. Graag wil ik op beide beweringen reageren.
Het is maar goed dat er direkt en duidelijk aan de bel werd getrokken werd toen de plannen bekend werden. Na overleg tussen de Neder-landse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) en de Stichting Pleegzorg Nederland (SPN), lopen er nu gesprekken met tv-producenten over een heel andere aanpak van publiciteit over pleegzorg. Met een wervend 'docu-drama' over pleegzorg _ gebaseerd op feiten _ voor een groot publiek, is niets mis. Maar dat is heel wat anders dan de programmamakers eerst voor ogen stond en wat ik nog steeds afwijs.
Sonja Nijon draaft door als ze zegt dat men: 'argumenten verzamelt om het aanbod van Endemol in een _ bij voorbaat _ twijfelachtig daglicht te stellen'.
In het interview in de Volkskrant wees ik op ervaringen van pleegkinderen, waarbij hun verschijnen op tv niet goed voor hen heeft uitgepakt. Ook verwees ik naar het onderzoek 'Ze zijn er gewoon voor mij' (blijkbaar gemist mw. Nijon?), waaruit blijkt dat pleegkinderen zo gewoon mogelijk willen leven. Ik hou mijn hart vast voor al die kinderen over wiens hoofden heen een tv-optreden wordt georganiseerd. Haar voorbeeld over tv-optredens van kinderen n.a.v. 'Gilly' betrof een heel andere categorie pleegkinderen dan die Endemol op het oog had. De kinderen uit haar voorbeeld waren 'ervaren' pleegkinderen en stonden sterk in hun schoenen, het was hun keuze. Die publiciteit is natuurlijk niet schadelijk. De kinderen waar het bij Endemol om ging moeten nog beginnen aan hun 'pleegkindleventje', en zijn onzeker over hun toekomst. Dan weet je niet hoe publiciteit kan uitpakken. Het valt m.i. niet te verdedigen met het win-winargument van 'het levert een aantal plekjes in een pleeggezin' op. Als het maar voor een paar kinderen verkeerd uitpakt, is het verwerpelijk. Je kunt en mag nu eenmaal niet met kinderen experimenteren.
Er is niets tegen publiciteit over pleegzorg, maar die moet wel zorgvuldig en weloverwogen zijn. En altijd beschermend naar het kind toe, en _ als het daar aan toe is _ in samenspraak met het kind.

Peter Zevenhuizen, voorzitter NVP