artikel uit Mobiel 2, april/mei 2000

Allochtone kinderen in de pleegzorg.

Overzicht van een decennium

thema: kleurrijke pleegzorg, 10 jaar later

Door: Siemen Spinder

Het is 1990 als de Stichting Therapeutische Gezinsverpleging Amsterdam haar vijfentwintigste verjaardag viert met een studiedag over 'Allochtone kinderen in pleeggezinnen'. Een actuele kwestie binnen de pleegzorg wordt in de schijnwerpers gezet. De actualiteit van dat moment is: een enorm toegenomen vraag naar pleeggezinplaatsen voor kinderen met bijvoorbeeld een Surinaamse, Antilliaanse, Turkse of Marokkaanse achtergrond. Voor de stedelijke gebieden schat men dat het bij 1 op de 3 aanvragen voor een pleeggezin gaat om een allochtoon kind. Beschikbaar over het hele land zijn slechts dertig allochtone pleeggezinnen. Familie- en netwerkplaatsingen zijn dan nog geen geaccepteerde zaak. Met uitzondering van het Amsterdamse circuit is men daar in pleegzorgkringen zeer terughoudend in. De meeste allochtone kinderen komen dus terecht in een autochtoon, 'wit' pleeggezin. Is dat een probleem?

Vanuit professionele hoek wordt die vraag volmondig met ja beantwoord. Pleegkinderen hebben behoefte aan een vertrouwde omgeving die aansluit op wat ze van huis uit gewend zijn. Huidskleur en andere zichtbare kenmerken, taal, religie, eet- en andere gewoonten, woninginrichting, kleding, e.d. zijn daarbij belangrijke elementen.
Minder volmondig is het antwoord van pleegouders. Bij onverwachte of lastige situaties rondom een bij hen geplaatst allochtoon kind zoeken ze eigen oplossingen. Zij blijven niet zo lang bij 'de problemen' stil staan. "Het was soms wel wennen" zo zegt een pleegouder. "Bij een bezoek van de ouders stond onverwacht een hele familie op de stoep: vader, moeder, oma, een tante en nog enkele thuis wonende kinderen". Dikwijls zoekt men te vergeefs naar adviezen en tips van de kant van de instelling. Pleegzorgbegeleiders moeten erkennen dat ze vaak net zo onthand zijn als de pleegouders zelf. Tijdens de studiedag erkent men de wenselijkheid van een twee-sporen-beleid: én meer werk maken van het werven van allochtone pleeggezinnen, én het verbeteren van de werving, begeleiding en ondersteuning van de autochtone pleeggezinnen die allochtone kinderen opnemen. Dit sluit aan bij de werkelijkheid van dat moment. Binnen het project 'Bevordering pleegzorg allochtonen' in Zuid-Holland heeft men dan al enige ervaring opgedaan met het werven van allochtone pleeggezinnen. Het blijkt een tijdrovend en moeizaam proces. De onbekendheid met het fenomeen pleegzorg is onder allochtone groepen enorm groot.

Op weg naar een kleurrijke Pleegzorg

De studiedag in 1990 vormt voor de Hogeschool van Amsterdam het startsein om in samenwerking met enkele praktijkinstellingen een deskundigheidsbevorderingsprogramma te ontwikkelen. Onder de titel 'Naar een kleurrijke Pleegzorg' komen er cursussen beschikbaar. Plaatsers en begeleiders worden voorbereid om groepsgewijs autochtone ouders voor te bereiden op de plaatsing van een allochtoon kind. De werving van allochtone pleeggezinnen wordt opnieuw projectmatig aangepakt. In Zuid-Holland borduurt men voort op eerdere ervaringen onder de noemer 'Kleur bekennen in de pleegzorg'. Het project levert een netwerk op van sleutelfiguren uit verschillende allochtone groepen en organisaties. De vraag is of dat daarna voldoende is benut.

Het Nederlands Centrum Buitenlanders laat een verkennende studie verrichten naar de situatie van allochtone pleegkinderen (april 1992). 'Fatima bij de familie Jansen' luidt de titel. MOBIEL kopte destijds veelzeggend: "Pleegkind Fatima ontmoet weinig deskundigheid".
Er wordt in 1993 een congres gehouden onder de titel 'Moslimpleegkinderen in Nederland: Wie vangt ze op?' Men richt zich hiermee op de mogelijke pleeggezinnen uit de Marokkaanse en Turkse gemeenschap zelf. Naar aanleiding van dat congres wordt een videoband gemaakt die bij de voorlichting en werving gebruikt kan worden. Ook op landelijk niveau komt prachtig wervingsmateriaal beschikbaar, zowel met Nederlandse als met Arabische teksten.
Ook dient zich een nieuwe doelgroep aan: alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA's). De Opbouw is de organisatie die zich over hen ontfermt. Vooral voor de jongeren onder de 15 jaar probeert zij een plek in een pleeggezin te vinden. Daarvoor zoekt zij actief naar gezinnen met een zelfde culturele achtergrond als de kinderen. "De jongere blijft zo verbonden met zijn oorsprong en raakt minder snel ontworteld". De bij de Opbouw opgedane ervaringen kunnen voor heel de pleegzorg van belang zijn. Helaas is daar geen uitwisseling over. Het zijn gescheiden circuits.

In een tijdschrift voor de Hindoestaans (Surinaamse) gemeenschap deed in het eerste nummer van dit nieuwe jaar Bea Lalmahomed een klemmend beroep op deze bevolkingsgroep, waaruit zijzelf afkomstig is, om zich het lot van Hindoestaanse kinderen aan te trekken die dringend behoefte hebben aan opvang binnen een pleeggezin. Tien jaar geleden op de studiedag in Amsterdam deed zij dat ook. Dan lijkt er niet zo heel veel veranderd.
Een positieve ontwikkeling is dat de bezwaren tegen netwerk- en familieplaatsingen goeddeels op de achtergrond zijn geraakt. Veel Voorzieningen voor Pleegzorg (VVP's) hanteren de volgende prioriteitsvolgorde bij plaatsingen: eerst wordt bekeken of een familieplaatsing mogelijk is; zo niet, dan zoekt men in het netwerk; lukt ook dat niet, dan pas komt een profielplaatsing in aanmerking. Dit geldt voor alle pleegkinderen, ongeacht herkomst. Eenmaal als familie- of netwerkpleeggezin gefunctioneeerd hebbend, kan hen gevraagd worden zich als bestandsgezin beschikbaar te stellen. Dat gebeurt hier en daar. Mogelijk heeft ook de bredere steun van familie- en netwerkplaatsingen ertoe bijgedragen dat de verhoudingen niet meer zo ernstig uit balans lijken als een decennium geleden.

Verder worden op beperkte schaal - en dan nog alleen in de randstad - de cursussen benut om autochtone gezinnen voor te bereiden op de plaatsing van een alloch-toon kind. De Amsterdamse pleegzorg organiseert thema-avonden onder de noemer 'Kleurrijke Pleegzorg' voor gezinnen die een kind uit een andere cultuur opvangen. Het gaat daarbij om het uitwisselen van ervaringen en om van elkaar te leren. Iets dat navolging verdient. Niet bekend is of er elders dergelijke initiatieven bestaan.
Opnieuw heeft men geprobeerd om allochtone gezinnen te werven voor bestandsplaatsingen. Nu in Noord-Brabant met het project 'Pleegzorg en Moslimkinderen'. Het project werd onlangs afgerond. Werving uit de eigen (allochtone) kring blijkt zeer wel mogelijk, maar ook een kwestie van 'lange adem'. Met twee van de drie betrokken pleegzorginstellingen bleek de samenwerking met het project moeizaam te verlopen. Anno 2000 een treurige zaak!
Hoopvol is het dat de landelijke pleegzorgorganisatie voor kinderen met een handicap via een interculturalisatienota de weg is ingeslagen 'naar een kleurrijke William Schrikker Stichting'. Daarin koerst men op zowel een kleurrijk personeelsbestand als op een aanpassing van de methodiek.
Al met al is er in tien jaar veel gebeurd, maar is er ook nog veel te doen. Welke aanpak men ook kiest, altijd zal het gaan om de bereidwilligheid en kundigheid een brug te kunnen slaan naar de eigen familie van het pleegkind en aansluiting te zoeken bij zijn achtergrond. Daarmee zijn de belangen van zowel allochtone als autoch-tone pleegkinderen gediend. De discussie over allochtone kinderen in de pleegzorg heeft dat echter nog eens krachtig onderstreept.