Het is 1990 als de Stichting Therapeutische Gezinsverpleging Amsterdam
haar vijfentwintigste verjaardag viert met een studiedag over 'Allochtone
kinderen in pleeggezinnen'. Een actuele kwestie binnen de pleegzorg
wordt in de schijnwerpers gezet. De actualiteit van dat moment is:
een enorm toegenomen vraag naar pleeggezinplaatsen voor kinderen met
bijvoorbeeld een Surinaamse, Antilliaanse, Turkse of Marokkaanse achtergrond.
Voor de stedelijke gebieden schat men dat het bij 1 op de 3 aanvragen
voor een pleeggezin gaat om een allochtoon kind. Beschikbaar over
het hele land zijn slechts dertig allochtone pleeggezinnen. Familie-
en netwerkplaatsingen zijn dan nog geen geaccepteerde zaak. Met uitzondering
van het Amsterdamse circuit is men daar in pleegzorgkringen zeer terughoudend
in. De meeste allochtone kinderen komen dus terecht in een autochtoon,
'wit' pleeggezin. Is dat een probleem?
Vanuit professionele hoek wordt die vraag volmondig met ja beantwoord.
Pleegkinderen hebben behoefte aan een vertrouwde omgeving die aansluit
op wat ze van huis uit gewend zijn. Huidskleur en andere zichtbare
kenmerken, taal, religie, eet- en andere gewoonten, woninginrichting,
kleding, e.d. zijn daarbij belangrijke elementen.
Minder volmondig is het antwoord van pleegouders. Bij onverwachte
of lastige situaties rondom een bij hen geplaatst allochtoon kind
zoeken ze eigen oplossingen. Zij blijven niet zo lang bij 'de problemen'
stil staan. "Het was soms wel wennen" zo zegt een pleegouder.
"Bij een bezoek van de ouders stond onverwacht een hele familie
op de stoep: vader, moeder, oma, een tante en nog enkele thuis wonende
kinderen". Dikwijls zoekt men te vergeefs naar adviezen en tips
van de kant van de instelling. Pleegzorgbegeleiders moeten erkennen
dat ze vaak net zo onthand zijn als de pleegouders zelf. Tijdens de
studiedag erkent men de wenselijkheid van een twee-sporen-beleid:
én meer werk maken van het werven van allochtone pleeggezinnen,
én het verbeteren van de werving, begeleiding en ondersteuning
van de autochtone pleeggezinnen die allochtone kinderen opnemen. Dit
sluit aan bij de werkelijkheid van dat moment. Binnen het project
'Bevordering pleegzorg allochtonen' in Zuid-Holland heeft men dan
al enige ervaring opgedaan met het werven van allochtone pleeggezinnen.
Het blijkt een tijdrovend en moeizaam proces. De onbekendheid met
het fenomeen pleegzorg is onder allochtone groepen enorm groot.
Op weg naar een kleurrijke Pleegzorg
De studiedag in 1990 vormt voor de Hogeschool van Amsterdam het startsein
om in samenwerking met enkele praktijkinstellingen een deskundigheidsbevorderingsprogramma
te ontwikkelen. Onder de titel 'Naar een kleurrijke Pleegzorg' komen
er cursussen beschikbaar. Plaatsers en begeleiders worden voorbereid
om groepsgewijs autochtone ouders voor te bereiden op de plaatsing
van een allochtoon kind. De werving van allochtone pleeggezinnen wordt
opnieuw projectmatig aangepakt. In Zuid-Holland borduurt men voort
op eerdere ervaringen onder de noemer 'Kleur bekennen in de pleegzorg'.
Het project levert een netwerk op van sleutelfiguren uit verschillende
allochtone groepen en organisaties. De vraag is of dat daarna voldoende
is benut.
Het Nederlands Centrum Buitenlanders laat een verkennende studie
verrichten naar de situatie van allochtone pleegkinderen (april 1992).
'Fatima bij de familie Jansen' luidt de titel. MOBIEL kopte destijds
veelzeggend: "Pleegkind Fatima ontmoet weinig deskundigheid".
Er wordt in 1993 een congres gehouden onder de titel 'Moslimpleegkinderen
in Nederland: Wie vangt ze op?' Men richt zich hiermee op de mogelijke
pleeggezinnen uit de Marokkaanse en Turkse gemeenschap zelf. Naar
aanleiding van dat congres wordt een videoband gemaakt die bij de
voorlichting en werving gebruikt kan worden. Ook op landelijk niveau
komt prachtig wervingsmateriaal beschikbaar, zowel met Nederlandse
als met Arabische teksten.
Ook dient zich een nieuwe doelgroep aan: alleenstaande minderjarige
asielzoekers (AMA's). De Opbouw is de organisatie die zich over hen
ontfermt. Vooral voor de jongeren onder de 15 jaar probeert zij een
plek in een pleeggezin te vinden. Daarvoor zoekt zij actief naar gezinnen
met een zelfde culturele achtergrond als de kinderen. "De jongere
blijft zo verbonden met zijn oorsprong en raakt minder snel ontworteld".
De bij de Opbouw opgedane ervaringen kunnen voor heel de pleegzorg
van belang zijn. Helaas is daar geen uitwisseling over. Het zijn gescheiden
circuits.
In een tijdschrift voor de Hindoestaans (Surinaamse) gemeenschap
deed in het eerste nummer van dit nieuwe jaar Bea Lalmahomed een klemmend
beroep op deze bevolkingsgroep, waaruit zijzelf afkomstig is, om zich
het lot van Hindoestaanse kinderen aan te trekken die dringend behoefte
hebben aan opvang binnen een pleeggezin. Tien jaar geleden op de studiedag
in Amsterdam deed zij dat ook. Dan lijkt er niet zo heel veel veranderd.
Een positieve ontwikkeling is dat de bezwaren tegen netwerk- en familieplaatsingen
goeddeels op de achtergrond zijn geraakt. Veel Voorzieningen voor
Pleegzorg (VVP's) hanteren de volgende prioriteitsvolgorde bij plaatsingen:
eerst wordt bekeken of een familieplaatsing mogelijk is; zo niet,
dan zoekt men in het netwerk; lukt ook dat niet, dan pas komt een
profielplaatsing in aanmerking. Dit geldt voor alle pleegkinderen,
ongeacht herkomst. Eenmaal als familie- of netwerkpleeggezin gefunctioneeerd
hebbend, kan hen gevraagd worden zich als bestandsgezin beschikbaar
te stellen. Dat gebeurt hier en daar. Mogelijk heeft ook de bredere
steun van familie- en netwerkplaatsingen ertoe bijgedragen dat de
verhoudingen niet meer zo ernstig uit balans lijken als een decennium
geleden.
Verder worden op beperkte schaal - en dan nog alleen in de randstad
- de cursussen benut om autochtone gezinnen voor te bereiden op de
plaatsing van een alloch-toon kind. De Amsterdamse pleegzorg organiseert
thema-avonden onder de noemer 'Kleurrijke Pleegzorg' voor gezinnen
die een kind uit een andere cultuur opvangen. Het gaat daarbij om
het uitwisselen van ervaringen en om van elkaar te leren. Iets dat
navolging verdient. Niet bekend is of er elders dergelijke initiatieven
bestaan.
Opnieuw heeft men geprobeerd om allochtone gezinnen te werven voor
bestandsplaatsingen. Nu in Noord-Brabant met het project 'Pleegzorg
en Moslimkinderen'. Het project werd onlangs afgerond. Werving uit
de eigen (allochtone) kring blijkt zeer wel mogelijk, maar ook een
kwestie van 'lange adem'. Met twee van de drie betrokken pleegzorginstellingen
bleek de samenwerking met het project moeizaam te verlopen. Anno 2000
een treurige zaak!
Hoopvol is het dat de landelijke pleegzorgorganisatie voor kinderen
met een handicap via een interculturalisatienota de weg is ingeslagen
'naar een kleurrijke William Schrikker Stichting'. Daarin koerst men
op zowel een kleurrijk personeelsbestand als op een aanpassing van
de methodiek.
Al met al is er in tien jaar veel gebeurd, maar is er ook nog veel
te doen. Welke aanpak men ook kiest, altijd zal het gaan om de bereidwilligheid
en kundigheid een brug te kunnen slaan naar de eigen familie van het
pleegkind en aansluiting te zoeken bij zijn achtergrond. Daarmee zijn
de belangen van zowel allochtone als autoch-tone pleegkinderen gediend.
De discussie over allochtone kinderen in de pleegzorg heeft dat echter
nog eens krachtig onderstreept.