artikel uit Mobiel 2, april/mei 2000

Adoptie en pleegzorg

hoogste tijd voor samenwerking?

Door: Prof Dr. René Hoksbergen
senior onderzoeker adoptie- en genetisch ouderschap, Universiteit van Utrecht

Ruim tien jaar geleden werd op verzoek van het Ministerie van Justitie geadviseerd hoe de voorbereiding van adoptieouders voor een buitenlands pleegkind goed op de rails zou kunnen worden gezet. Een van de aanbevelingen toen was om voorbereidingscursussen in samenwerking met de pleegzorg inhoud te geven en te organiseren. Maar het was kennelijk te ver vooruit gedacht. Dit deel van het advies werd voorlopig in beraad gehouden, en de pleegzorg legde andere prioriteiten omtrent professionalisering en positionering.
Toch blijft de vraag over een samenwerking tussen adoptie en pleegzorg - en zelfs op een breder terrein dan alleen bij de voorbereiding - uiterst actueel, aldus René Hoksbergen.

Adoptie in hoofdlijnen

Afstand en vervolgens adoptie van in Nederland geboren kinderen komt vrijwel niet meer voor. De huidige adoptiekinderen komen in hoofdzaak uit Derde Wereldlanden en Oost-Europa. Als we stiefouderadoptie (ca. 300 per jaar) niet meerekenen, worden elk jaar in totaal ongeveer 700 kinderen ter adoptie geplaatst.
De achtergrond van buitenlandse adoptiekinderen is zeer divers. Jaarlijks zijn er zo'n 20 tot 25 landen bij betrokken, en het betreft dan kinderen die verblijven in kindertehuizen of op tijdelijke opvangplaatsen.
Over de feitelijke achtergrond van deze adoptiekinderen is meestal nauwelijks iets bekend, en zeker heel weinig over de ouders. De vader is niet zelden onbekend, en over de situatie van de moeder tijdens de zwangerschap (alcohol, drugmisbruik?) tasten we meestal volledig in het duister.
Adoptiekinderen hebben vaak al verschillende scheidingen achter de rug. Het is geen uitzondering dat het kind van moeder of familie, naar een ziekenhuis, een tijdelijk pleeggezin, en vervolgens naar een of meer kindertehuizen is gegaan.
Adoptieouders willen over het algemeen een zo jong mogelijk kind. Voorkeur voor een bepaald land van herkomst is beperkt, hoewel men soms wel bewust kiest voor kinderen uit Oost-Europa, of uit hetzelfde land van herkomst als een eerder geadopteerd kind.
Veel adoptiekinderen (50 tot 75 procent) vertonen bij aankomst in het adoptiegezin medische en psychische problemen. Ernstig geestelijk gehandicapte kinderen mogen volgens de regelgeving niet ter adoptie in een gezin worden geplaatst. Bij een adoptiekind, net als bij een pleegkind, is het doel immers: gezinsopvoeding en niet dat het kind weer spoedig in een inrichting terechtkomt.
Adoptieouders melden zich bij het Ministerie van Justitie aan. Ze mogen dan niet ouder dan 40 jaar zijn, moeten verplicht eerst een voorbereidingscursus van zes bijeenkomsten volgen, en een gezinsonderzoek ondergaan door de Raad voor de Kinderbescherming. Vervolgens worden er twee of meer huisbezoeken afgelegd. Adoptiebemiddelaars kunnen een plaatsing afwijzen, meestal is dat op grond van eisen die vanuit het land van herkomst worden gesteld.
De totale wachttijd, totdat het eerste adoptiekind in het gezin komt, is gemiddeld vier jaar. Bij een tweede kind verloopt de procedure wat sneller. De meeste adoptieouders adopteren twee kinderen.
De adoptiekosten per kind zijn aanzienlijk, denk aan 15.000 tot 30.000 gulden.

Overeenkomsten en verschillen tussen adoptie en pleegzorg

Het ouderschap

Adoptieouders zijn in tegenstelling tot pleegouders veelal ongewenst kinderloos. Dit geldt voor 85 tot 90 procent van de adoptieouders. Ze hebben veel moeite moeten doen om een kind te krijgen, eigenlijk moet je zeggen: verkrijgen. Maar ook voor pleegouders is die weg veelal niet eenvoudig. Beide typen ouders zijn sterk kind-gerichte ouders. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom zij bereid zijn moeilijke stappen te ondernemen. Beide groepen moeten immers professionele instellingen inschakelen, een voorbereidingscursus doorlopen, een gezinsonderzoek ondergaan, kortom zich een grote mate van afhankelijkheid laten welgevallen.
Beide groepen moeten ook leren leven met het onzekere van hun ouderschap. Voor zowel adoptie- als pleegouders is de belangrijkste vraag of dit vreemde kind aan hen zal wennen en zich voldoende in hun gezin thuis zal gaan voelen. Culturele achtergrond en de ouders van het kind spelen in beide opvoedsituaties een belangrijke rol, echter voor pleegouders is de oorspronkelijke familie bijna altijd veel directer aanwezig.
Als er sprake is van langdurige plaatsing, en vervolgens het blokkaderecht (na 1 jaar verzorging) en misschien zelfs het voorlopig voogdijschap gelden, is de feitelijke opvoedingssituatie voor een pleeggezin en een adoptiegezin sterk vergelijkbaar. Maar bij pleegouders is er meestal sprake van meer tijdelijkheid. Zij moeten nog flexibeler zijn dan adoptieouders.
Voor al deze ouders is het van principieel belang dat zij beseffen een kind van andere ouders op te voeden. In de opvoeding moet daar rekening mee worden gehouden. Onderzoek wijst uit dat - als dit op een verstandige wijze gebeurt - het opvoedingsproces daarmee positief wordt beonvloed.

De kinderen

In de pleegzorg is een grotere variatie in leeftijd bij plaatsing. Juist daar wordt vaak een gezin voor een adolescent gezocht. Meestal gaat het dan om een tijdelijke plaatsing en niet om een zogenaamde perspectief biedende plaatsing. Het bieden van een toekomstperspectief in een pleeggezin gaat meestal om jonge pleegkinderen. Bij adoptie gaat het altijd om deze laatste vorm van plaatsing: de perspectiefbiedende. Regelgeving bepaalt dat adoptiekinderen bij plaatsing niet ouder dan vijf jaar mogen zijn. Hierop wordt alleen uitzondering gemaakt bij het samen plaatsen van kinderen die al een hechte relatie in het land van herkomst hebben opgebouwd, of bij broertjes of zusjes.
Zowel pleeg- als adoptiekinderen hebben vaak een traumatische achtergrond, met mogelijk daaruit voortvloeiende meer of minder ernstige gedrags- en hechtingsproblemen. Naar aard en mate van deze problemen is er grote overeenkomst in behoefte aan professionele hulp bij beide groepen kinderen. Bijna altijd is bij beide groepen vanaf het begin van de plaatsing professionele begeleiding nodig.
Het onderzoek 'TGV-hulp bij interlandelijke adoptie' (Min. van Justitie, 1994) legde bloot hoezeer adoptiekinderen overeenkomsten vertonen met pleegkinderen. VVP-directeur René de Bot formuleerde dit in zijn voorwoord bij de eindrapportage als volgt: 'Vanaf 1978 werden TGV's geconfronteerd met aanmeldingen van kinderen die niet langer in de gezinnen konden wonen, die hen uit het buitenland hadden geadopteerd. Bij bestudering van de gegevens van kind en gezin, viel telkens weer op, dat de problematiek van het kind grote overeenkomsten vertoonde met de problematiek, die anderszins bij TGV aangemelde kinderen vertoonden'. De Bot constateert dat het opvallend en schrijnend is, dat de adoptiegezinnen, waar deze kinderen terechtkwamen, in het geheel niet op dergelijke problemen waren voorbereid en nauwelijks hulp kregen. Dit laatste wordt door steeds meer beleidsmakers onderkend, maar heeft nog niet tot voldoende beleidsmaatregelen geleid.

Invulling van de samenwerking

De genoemde overeenkomsten pleiten mijns inziens sterk voor een samenwerking - vanaf de voorbereiding van de aspiranten tot en met de nazorg van de pleeg- c.q. adoptieouders - tussen het adoptieveld en de pleegzorg.
Voor plaatsende instanties valt bij samenwerking veel van elkaar te leren over het proces van matching en plaatsing.
Op dit moment zijn voorbereidingscursussen bij zowel bij pleeg- als adoptieouders verplicht. Aan samenwerking zijn in organisatorisch opzicht grote voordelen verbonden en het zal ook kostenbesparend werken.
Samenwerking heeft voor de pleegzorg nog een belangrijk voordeel. Nogal wat adoptieouders haken na korte of langere tijd na de voorbereidingscursus af. Als zij tijdens de cursus veel intensiever met het pleegouderschap kennismaken, kunnen sommigen misschien wel tot de overtuiging komen, dat het pleegouderschap voor hen een betere weg is. Er is in Nederland een tekort aan pleegouders en niet aan adoptieouders!
Tot slot heeft de begeleiding en de nazorg zoals die nu bij de pleegzorg is geregeld, veel te bieden aan adoptiekinderen en adoptieouders. Net als bij het pleegkind kunnen zij hiermee de aandacht krijgen waar De Bot en anderen op aandringen.
Kortom, verdient het zo langzamerhand geen aanbeveling om - met steun van de betrokken ministeries - de mogelijkheid tot samenwerking tussen de pleeg- en adoptiezorg gestalte te gaan geven? Dan kunnen de nu bestaande 'eilandjes' met stevige bruggen worden verbonden en misschien wel tot een groot schiereiland uitgroeien. Zonder twijfel zal dat de zorg voor de kinderen en de ouders ten goede komen.


Onlangs is het het boek 'Adoptie, een levenslang dilemma' onder redactie van Hoksbergen en Walenkamp van de persen gerold.
Diverse auteurs beschrijven de ontwikkelingen in dertig jaar adoptiegeschiedenis. Aan bod komen de verandering van adoptie als particulier initiatief tot zorgvuldig gecontroleerd overheidsgebeuren, onderzoek naar adoptievraagstukken, de hulpverlening, de adoptiewetgeving en persoonlijke ervaringen van adoptieouders.
Het boek is uitgegeven door Bohn Stafleu Van Loghum en kost f. 65,--. ISBN 90 313 3222 4