Ruim tien jaar geleden werd op verzoek van het Ministerie van Justitie
geadviseerd hoe de voorbereiding van adoptieouders voor een buitenlands
pleegkind goed op de rails zou kunnen worden gezet. Een van de aanbevelingen
toen was om voorbereidingscursussen in samenwerking met de pleegzorg
inhoud te geven en te organiseren. Maar het was kennelijk te ver vooruit
gedacht. Dit deel van het advies werd voorlopig in beraad gehouden,
en de pleegzorg legde andere prioriteiten omtrent professionalisering
en positionering.
Toch blijft de vraag over een samenwerking tussen adoptie en pleegzorg
- en zelfs op een breder terrein dan alleen bij de voorbereiding -
uiterst actueel, aldus René Hoksbergen.
Adoptie in hoofdlijnen
Afstand en vervolgens adoptie van in Nederland geboren kinderen komt
vrijwel niet meer voor. De huidige adoptiekinderen komen in hoofdzaak
uit Derde Wereldlanden en Oost-Europa. Als we stiefouderadoptie (ca.
300 per jaar) niet meerekenen, worden elk jaar in totaal ongeveer
700 kinderen ter adoptie geplaatst.
De achtergrond van buitenlandse adoptiekinderen is zeer divers. Jaarlijks
zijn er zo'n 20 tot 25 landen bij betrokken, en het betreft dan kinderen
die verblijven in kindertehuizen of op tijdelijke opvangplaatsen.
Over de feitelijke achtergrond van deze adoptiekinderen is meestal
nauwelijks iets bekend, en zeker heel weinig over de ouders. De vader
is niet zelden onbekend, en over de situatie van de moeder tijdens
de zwangerschap (alcohol, drugmisbruik?) tasten we meestal volledig
in het duister.
Adoptiekinderen hebben vaak al verschillende scheidingen achter de
rug. Het is geen uitzondering dat het kind van moeder of familie,
naar een ziekenhuis, een tijdelijk pleeggezin, en vervolgens naar
een of meer kindertehuizen is gegaan.
Adoptieouders willen over het algemeen een zo jong mogelijk kind.
Voorkeur voor een bepaald land van herkomst is beperkt, hoewel men
soms wel bewust kiest voor kinderen uit Oost-Europa, of uit hetzelfde
land van herkomst als een eerder geadopteerd kind.
Veel adoptiekinderen (50 tot 75 procent) vertonen bij aankomst in
het adoptiegezin medische en psychische problemen. Ernstig geestelijk
gehandicapte kinderen mogen volgens de regelgeving niet ter adoptie
in een gezin worden geplaatst. Bij een adoptiekind, net als bij een
pleegkind, is het doel immers: gezinsopvoeding en niet dat het kind
weer spoedig in een inrichting terechtkomt.
Adoptieouders melden zich bij het Ministerie van Justitie aan. Ze
mogen dan niet ouder dan 40 jaar zijn, moeten verplicht eerst een
voorbereidingscursus van zes bijeenkomsten volgen, en een gezinsonderzoek
ondergaan door de Raad voor de Kinderbescherming. Vervolgens worden
er twee of meer huisbezoeken afgelegd. Adoptiebemiddelaars kunnen
een plaatsing afwijzen, meestal is dat op grond van eisen die vanuit
het land van herkomst worden gesteld.
De totale wachttijd, totdat het eerste adoptiekind in het gezin komt,
is gemiddeld vier jaar. Bij een tweede kind verloopt de procedure
wat sneller. De meeste adoptieouders adopteren twee kinderen.
De adoptiekosten per kind zijn aanzienlijk, denk aan 15.000 tot 30.000
gulden.
Overeenkomsten en verschillen tussen adoptie en pleegzorg
Het ouderschap
Adoptieouders zijn in tegenstelling tot pleegouders veelal ongewenst
kinderloos. Dit geldt voor 85 tot 90 procent van de adoptieouders.
Ze hebben veel moeite moeten doen om een kind te krijgen, eigenlijk
moet je zeggen: verkrijgen. Maar ook voor pleegouders is die weg veelal
niet eenvoudig. Beide typen ouders zijn sterk kind-gerichte ouders.
Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom zij bereid zijn moeilijke
stappen te ondernemen. Beide groepen moeten immers professionele instellingen
inschakelen, een voorbereidingscursus doorlopen, een gezinsonderzoek
ondergaan, kortom zich een grote mate van afhankelijkheid laten welgevallen.
Beide groepen moeten ook leren leven met het onzekere van hun ouderschap.
Voor zowel adoptie- als pleegouders is de belangrijkste vraag of dit
vreemde kind aan hen zal wennen en zich voldoende in hun gezin thuis
zal gaan voelen. Culturele achtergrond en de ouders van het kind spelen
in beide opvoedsituaties een belangrijke rol, echter voor pleegouders
is de oorspronkelijke familie bijna altijd veel directer aanwezig.
Als er sprake is van langdurige plaatsing, en vervolgens het blokkaderecht
(na 1 jaar verzorging) en misschien zelfs het voorlopig voogdijschap
gelden, is de feitelijke opvoedingssituatie voor een pleeggezin en
een adoptiegezin sterk vergelijkbaar. Maar bij pleegouders is er meestal
sprake van meer tijdelijkheid. Zij moeten nog flexibeler zijn dan
adoptieouders.
Voor al deze ouders is het van principieel belang dat zij beseffen
een kind van andere ouders op te voeden. In de opvoeding moet daar
rekening mee worden gehouden. Onderzoek wijst uit dat - als dit op
een verstandige wijze gebeurt - het opvoedingsproces daarmee positief
wordt beonvloed.
De kinderen
In de pleegzorg is een grotere variatie in leeftijd bij plaatsing.
Juist daar wordt vaak een gezin voor een adolescent gezocht. Meestal
gaat het dan om een tijdelijke plaatsing en niet om een zogenaamde
perspectief biedende plaatsing. Het bieden van een toekomstperspectief
in een pleeggezin gaat meestal om jonge pleegkinderen. Bij adoptie
gaat het altijd om deze laatste vorm van plaatsing: de perspectiefbiedende.
Regelgeving bepaalt dat adoptiekinderen bij plaatsing niet ouder dan
vijf jaar mogen zijn. Hierop wordt alleen uitzondering gemaakt bij
het samen plaatsen van kinderen die al een hechte relatie in het land
van herkomst hebben opgebouwd, of bij broertjes of zusjes.
Zowel pleeg- als adoptiekinderen hebben vaak een traumatische achtergrond,
met mogelijk daaruit voortvloeiende meer of minder ernstige gedrags-
en hechtingsproblemen. Naar aard en mate van deze problemen is er
grote overeenkomst in behoefte aan professionele hulp bij beide groepen
kinderen. Bijna altijd is bij beide groepen vanaf het begin van de
plaatsing professionele begeleiding nodig.
Het onderzoek 'TGV-hulp bij interlandelijke adoptie' (Min. van Justitie,
1994) legde bloot hoezeer adoptiekinderen overeenkomsten vertonen
met pleegkinderen. VVP-directeur René de Bot formuleerde dit
in zijn voorwoord bij de eindrapportage als volgt: 'Vanaf 1978 werden
TGV's geconfronteerd met aanmeldingen van kinderen die niet langer
in de gezinnen konden wonen, die hen uit het buitenland hadden geadopteerd.
Bij bestudering van de gegevens van kind en gezin, viel telkens weer
op, dat de problematiek van het kind grote overeenkomsten vertoonde
met de problematiek, die anderszins bij TGV aangemelde kinderen vertoonden'.
De Bot constateert dat het opvallend en schrijnend is, dat de adoptiegezinnen,
waar deze kinderen terechtkwamen, in het geheel niet op dergelijke
problemen waren voorbereid en nauwelijks hulp kregen. Dit laatste
wordt door steeds meer beleidsmakers onderkend, maar heeft nog niet
tot voldoende beleidsmaatregelen geleid.
Invulling van de samenwerking
De genoemde overeenkomsten pleiten mijns inziens sterk voor een samenwerking
- vanaf de voorbereiding van de aspiranten tot en met de nazorg van
de pleeg- c.q. adoptieouders - tussen het adoptieveld en de pleegzorg.
Voor plaatsende instanties valt bij samenwerking veel van elkaar te
leren over het proces van matching en plaatsing.
Op dit moment zijn voorbereidingscursussen bij zowel bij pleeg- als
adoptieouders verplicht. Aan samenwerking zijn in organisatorisch
opzicht grote voordelen verbonden en het zal ook kostenbesparend werken.
Samenwerking heeft voor de pleegzorg nog een belangrijk voordeel.
Nogal wat adoptieouders haken na korte of langere tijd na de voorbereidingscursus
af. Als zij tijdens de cursus veel intensiever met het pleegouderschap
kennismaken, kunnen sommigen misschien wel tot de overtuiging komen,
dat het pleegouderschap voor hen een betere weg is. Er is in Nederland
een tekort aan pleegouders en niet aan adoptieouders!
Tot slot heeft de begeleiding en de nazorg zoals die nu bij de pleegzorg
is geregeld, veel te bieden aan adoptiekinderen en adoptieouders.
Net als bij het pleegkind kunnen zij hiermee de aandacht krijgen waar
De Bot en anderen op aandringen.
Kortom, verdient het zo langzamerhand geen aanbeveling om - met steun
van de betrokken ministeries - de mogelijkheid tot samenwerking tussen
de pleeg- en adoptiezorg gestalte te gaan geven? Dan kunnen de nu
bestaande 'eilandjes' met stevige bruggen worden verbonden en misschien
wel tot een groot schiereiland uitgroeien. Zonder twijfel zal dat
de zorg voor de kinderen en de ouders ten goede komen.
Onlangs is het het boek 'Adoptie, een levenslang dilemma' onder
redactie van Hoksbergen en Walenkamp van de persen gerold.
Diverse auteurs beschrijven de ontwikkelingen in dertig jaar
adoptiegeschiedenis. Aan bod komen de verandering van adoptie
als particulier initiatief tot zorgvuldig gecontroleerd overheidsgebeuren,
onderzoek naar adoptievraagstukken, de hulpverlening, de adoptiewetgeving
en persoonlijke ervaringen van adoptieouders.
Het boek is uitgegeven door Bohn Stafleu Van Loghum en kost
f. 65,--. ISBN 90 313 3222 4
|