|

|
artikel uit Mobiel 1, februari-maart 2000
Indicaties voor pleegzorg
thema: kiezen voor pleegzorg
Door: Ronald De Meyer
Ronald de Meyer, Assistent in Opleiding bij het Instituut voor Orthopedagogiek
van de Universiteit te Nijmegen, werkt sinds 1998 aan een proefschrift
over ‘Indicaties voor pleegzorg’. Het doel van dit onderzoek
is beter zicht krijgen op de vraag: ‘Voor wie is pleegzorg het
meest geschikt?’ Een onderwerp dat aansluit bij de verschillende
keuzevragen die in het thema van deze MOBIEL aan de orde komen. Voor
de nieuwe rubriek ‘Uit de winkel van de wetenschap’ schreef
hij een kort verslag over zijn bevindingen tot nu toe.
In Nederland is binnen plaatsingsinstellingen geen formele visie ontwikkeld
of een protocol vervaardigd wanneer een kind in een pleeggezin moet
worden geplaatst. Het plaatsingsbeleid van deze instellingen is gebaseerd
op het zogenaamde ‘zo-zo-zo’ beleid (Van Dam & ten Haaf,
1999*) zoals dat in de Wet op de Jeugdhulpverlening (1989) is vastgelegd.
Dit beleid schrijft voor dat de hulpverlening zo tijdig mogelijk, zo
dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk en in een zo licht mogelijke
vorm moet worden aangeboden. Dhuyvetter, van Engelen & Van Montfoort
(1999) schetsen in hun Verslag Planfase Kwaliteit Pleegzorg een plaatsingsbeleid
wat in de lijn ligt van dit regeringsbeleid: thuishulp en dagbehandeling
verdienen de voorkeur boven pleegzorg en pleegzorg verdient dan weer
de voorkeur boven residentiële zorg. Uit Wet en beleidsstukken
blijkt dat de visie van plaatsingsinstellingen tot op heden voornamelijk
gebaseerd is op richtlijnen vanuit de centrale of regionale overheid.
Ook een protocol om te bepalen welk kind gebaat is bij een pleeggezinplaatsing
is nog niet vervaardigd. In Nederland bepalen de Bureaus Jeugdzorg welke
behandeling een kind nodig heeft. Regionale Diagnostische Indicatie
Teams (RDIT) hebben de taak de door de Bureaus Jeugdzorg gemaakte behandelingskeuze
te toetsen op juistheid. Deze RDIT’s hanteren wel plaatsingscriteria
maar deze zijn niet toegespitst op een van de bestaande pleegzorgvarianten.
Het lopende onderzoek van De Meyer, Robbroeckx & De Bruyn naar indicatiestellingen
voor pleegzorg heeft de intentie hierover in de nabije toekomst meer
uitsluitsel te geven. Zij hebben plaatsingsgegevens verzameld van verschillende
pleegzorgvarianten, namelijk: crisisopvang; kortverblijfgezinnen; langverblijfgezinnen
en netwerkplaatsingen. De Meyer e.a. hebben tevens een literatuurstudie
gedaan naar factoren die van invloed zijn op een pleeggezinplaatsing.
Zij vonden de volgende factoren:
– Emotionele en gedragsproblemen van het kind.
– Leeftijd van het kind.
– Lichamelijke en/of mentale handicaps van het kind.
– Ouder(s) verwaarlozen het kind.
– Ouder(s) mishandelen het kind.
– Psychisch functioneren van de ouder(s).
– Afwezigheid van de ouder(s) door overlijden of gevangenschap
– Alcohol en drugsverslaving van de ouder(s).
– Onvoldoende draagkracht ouders.
– Relatieproblemen tussen ouders onderling of tussen ouder(s) en
kind.
De RDIT’s hanteren naast uithuisplaatsingscriteria ook specifieke
criteria voor pleegzorg. Deze criteria geven aan wanneer van pleegzorg
moet worden afgezien. Een aantal van deze criteria noem ik hier:
– Er mag geen sprake zijn van crimineel gedrag van het kind en
of de ouders waardoor de veiligheid van het pleeggezin in gevaar dreigt
te komen.
– Er mag geen sprake zijn van (hard)drugs of overmatig alcoholgebruik
bij het kind.
– Het (jonge?) kind moet in staat zijn tot enige relatievorming
met de pleegouders.
– Er mag geen sprake zijn van extreem afwijkend gedrag, ernstige
lichamelijke afwijkingen, zwakzinnigheid of van psychiatrische stoornissen
bij het kind.
– Het kind wil zelf niet naar een pleeggezin of de ouders verzetten
zich er tegen.
Wat opvalt is dat deze criteria niet helder omschreven zijn. Neem bijvoorbeeld
het crimineel gedrag van het kind of de ouders. Welke gedragingen vallen
onder dit crimineel gedrag en vormen een gevaar voor het pleeggezin?
Dit zijn vragen die beantwoord moeten worden om te kunnen bepalen of
een kind in aanmerking komt voor pleegzorg of niet. Vooralsnog ontbreekt
een protocol om tot een goede keuze te komen.
Naast de kwaliteit van uithuisplaatsingsbeslissingen speelt ook de
kwaliteit van de verslaglegging in dossiers een rol. Al in 1983 stelde
Veerman dat het met de kwaliteit van dossiers niet best is gesteld:
ze zijn vaak onsystematisch en onlogisch opgezet, de informatie is fragmentarisch
en het taalgebruik is vaak verwarrend en vaag. In de Wet op de Jeugdhulpverlening
is vastgelegd dat iedere plaatsingsinstelling een hulpverleningsplan
en iedere pleegzorgvoorziening een begeleidingsplan dient op te stellen.
In de praktijk blijkt dit nog altijd niet bij iedere plaatsingsinstantie
het geval te zijn. Uit het onderzoek van De Meyer e.a. blijkt bijvoorbeeld
dat in 46% van de door hen onderzochte dossiers nog altijd geen hulpverleningsplan
aanwezig is. Als dat wel het geval is blijkt de kwaliteit van de verslaglegging
nog altijd niet optimaal te zijn. De Meyer e.a. vinden bijvoorbeeld
dat in ruim 38% van de dossiers geen reden voor de plaatsing wordt gegeven.
Samenvattend kunnen we vaststellen dat er veel behoefte is aan een
besluitvormings-protocol voor pleegzorg waaruit duidelijk af te leiden
valt welke kinderen het meeste baat hebben bij pleegzorg. Het onderzoek
van De Meyer e.a. zal zich hier verder op gaan richten. Ook aan de verslaglegging
valt nog veel te verbeteren. Een duidelijke verslaglegging maakt het
bijvoorbeeld voor hulpverleners gemakkelijker bepaalde relevante informatie,
zoals de problemen van een kind, terug te vinden. Deze informatie kan
dan weer gebruikt worden bij het nemen van nieuwe beslissingen die in
het belang van het kind zijn. Een nauwkeurige registratie draagt er
mede toe bij dat een kind niet op grond van verkeerde beslissingen uithuisgeplaatst
wordt. Wij adviseren daarom plaatsingsinstellingen onderling afspraken
te maken betreffende de verslaglegging.
Literatuur
De Meyer, R.E., L.M.H Robbroeckx en E.E.J. de Bruyn. Evaluatie van
indicatiestellingen voor pleegzorgplaatsingen, Nijmegen, Katholieke
Universiteit, Orthopedagogiek vakgroep Gezin en gedrag, 1998-2000.
Dam, C. van, en N. ten Haaf. Besluitvorming bij uithuisplaatsing.
Een evaluatie-onderzoek naar het functioneren van een instrument om
de kwaliteit van besluitvorming bij uithuisplaatsing te verbeteren.
Utrecht, SWP, 1999.(voor een bespreking van dit onderzoeksproces zie
‘Publicaties’, op pag. 23).
Dhuyvetter, T., J.H. van Engelen en A. van Montfoort. Verslag planfase
Kwaliteit Pleegzorg Trillium. Woerden, Adviesbureau van Montfoort, 1999.
Veerman, J.W. Probleemgerichte Evaluatie en Registratie. In: Geestelijke
Volksgezondheid, 1983, nr. 38, p.28-39.
|