artikel uit Mobiel 1, februari-maart 2000

Pleegouder worden ja! of toch niet?

thema: kiezen voor pleegzorg

Door: Irona Groeneveld

Al ruim twee jaar denken Dirk (38) en ik (34) er over na of we pleeggezin willen worden. We hebben een stevig gezin, met 2 meiden, een groot hart en er is ruimte voor een kind extra, dus waarom niet? Toch nemen we die stap niet zo maar. We hebben de plannen ook al een poos in de koelkast gezet, om onze overwegingen zo goed mogelijk een op rij en zuiver mogelijk te houden. Hoe je het ook wendt of keert : pleegzorg maakt deel uit van mijn leven, vroeger, en ook nu, in mijn werk als beleidsmedewerker bij de NVP in de regio Groningen en Drenthe. Vroeger pleegkind, nu beleid maken voor pleegouders en dan, straks, zelf pleegouder worden....?

Mijn eigen geschiedenis is bij mijn afwegingen om wel of niet pleegouder te worden heel belangrijk. Ooit was ik zelf pleegkind. Mijn moeder was een ‘ongehuwd moeder’, ik dus een bastaard en dat was niet best. Familie ontfermde zich over mij: toen ik een half jaar oud was, kwam ik bij een oom en tante in huis, weliswaar tegen de zin van mijn moeder. Maar ja, zij was nog jong en de familie was sterk. Deze ‘netwerkplaatsing’ ging ten koste van de familieverhoudingen.

Toch bleek mijn moeder sterker, want zij zorgde ervoor dat ik bij een ‘bestandsgezin’ terecht kwam. Daar woonde ik van mijn 2e tot mijn 7e jaar. Ik heb heel veilige herinneringen aan mijn pleegmoeder en -vader van destijds. Toen werd besloten dat ik weer bij mijn moeder kon wonen. Het werd me uitgelegd en ik snapte dat best, natuurlijk. Ik had mijn moeder in de tussenliggende jaren ook regelmatig gezien, en gelogeerd bij haar en haar man. Dus, prima toch? Totdat ik werkelijk de eerste nacht daar was, voorgoed. Ik heb de hele nacht liggen huilen, gillen. Mijn pleegvader kwam en ik dacht dat ik weer mee mocht met hem. Maar hij kwam me alleen maar vertellen dat ik flink moest zijn en dat ik hem niet kwijt zou raken. Ik moest wel bijven...

Maar het wende snel, op school was het leuk en thuis ging het ook prima. Ik kreeg een leuk klein broertje, waar ik dol op was. Mijn pleegvader bleef ik ontmoeten, ook toen zijn huwelijk stuk liep en hij ver weg ging wonen.
‘Knap iemand die mij hier weg krijgt’

Na drie redelijk onbezorgde jaren eindigde het huwelijk van mijn moeder en ze werd uit huis gezet. Mijn pleegvader haalde mij weer op en ik verwachtte dat ik bij hem zou blijven wonen, maar zijn nieuwe vrouw bleek mij niet te kunnen verdragen. Na een aantal weken (en weer een andere school) bracht mijn pleegvader mij naar een zuster van mijn moeder. Daar woonde ik van mijn 10e tot mijn 18e, met de instelling ‘knap iemand die mij hier weer weg krijgt’. Ik noemde mijn oom en tante pa en ma en genoot ervan 2 broers en 2 zussen te hebben.

Het leven ging verder en ik maakte vriendinnen, ging naar school, puberde er flink op los, had een vriendje, enzovoort. En ook al vergat ik het soms, het was er altijd: de rivaliteit tussen mijn oom en tante en mijn moeder. Verhalen van beide kanten, waarvan ik niet wist wat ik ermee moest, omdat ze de ander voor mijn gevoel in een negatief daglicht zetten. De bezoeken aan mijn moeder waar ik soms geen zin in had, maar waar door mijn oom en tante op aangedrongen werd. Tegelijk ook de boodschap van mijn oom en tante naar mij: als je er ook maar over denkt om bij je moeder te gaan wonen, dan kun je meteen vertrekken.

In het laatste jaar van de middelbare school wist ik het zeker: ik ga studeren en op kamers. Eindelijk een eigen stek! In het eerste studiejaar heb ik ook amper een weekeind bij mijn moeder of bij mijn oom en tante doorgebracht. Ik had een vriend en hij was alles voor mij. We gingen samenwonen.
Maar tegen het einde van datzelfde schooljaar, begon ik slecht te slapen, was bang om alleen te zijn, helemaal angstig, deed niks meer, at steeds minder, ik voelde me heel raar. Op een middag begon ik midden onder de afwas te janken en kon alleen nog maar mijn moeder bellen. "Kom maar naar huis", zei ze. Ik liet alles staan, pakte mijn tas en ging. Daar heb ik, na veel huilbuien, nog meer slapeloze nachten, de keus gemaakt om bij mijn moeder te gaan wonen en te breken met mijn vriend. Mijn oom en tante moesten weer gewoon oom en tante worden. Die keus gaf mij rust. Mijn oom en tante begrepen het niet en hebben er heel veel verdriet van gehad. En mijn moeder voelde zich gerehabiliteerd.

Twee jaar heb ik bij mijn moeder en broertje gewoond. Ik vervolgde mijn opleiding en leerde Dirk kennen. Binnen het jaar zijn we getrouwd.
Een half jaar na onze trouwdag is er nog iets bijzonders gebeurd: ik heb mijn vader voor het eerst ontmoet. Ik wilde hem al jaren zien, maar de angst om afgewezen te worden was toch telkens sterker. En toen nam hij zelf contact op. We hebben heel veel besproken en ik leerde ook zijn vrouw en kinderen kennen. Wat een goede ervaring is dat voor mij geweest! Ik heb mijn wortels leren kennen en daarmee ook een stuk van mezelf. Nog steeds is het contact met mijn vader en zijn gezin goed, en toen ik 10 jaar ‘bij de familie’ was kreeg ik een foto-album met daarin mijn voorgeschiedenis: foto’s van opa’s oma’s, overgrootouders. Die kan ik nu aan mijn kinderen laten zien, wanneer ze vragen naar hun en mijn voorgeschiedenis.

Wel... of niet?

En dan doet zich nu de vraag voor of ik zelf pleegouder wil worden. Maar pleegouder worden doe je niet zomaar, dat geldt voor iedereen en voor mij zeker. Heel wat overwegingen heb ik het afgelopen jaar de revue laten passeren.
Ik weet zelf hoe belangrijk het is een veilige stek te hebben. Ondanks de problemen heb ik toch overwegend positieve herinneringen. Daarom zou ik dat een ander kind ook willen bieden. Maar de ingewikkelde loyaliteitsgevoelens ken ik ook. Uit ervaring weet ik hoe je heen en weer geslingerd kan worden tussen eigen ouders en pleegouders. Hoe je ook behoefte hebt aan erkenning van je eigen achtergrond. Ik denk dat ik met mijn ervaringen een ander pleegkind kan helpen.

De ‘naaste’ is voor mijn heel reëel en dichtbij. Goede doelen ver weg, daar doe ik graag aan mee. Maar waarom aarzel ik als het ook binnen handbereik is? Pleegzorg is een concrete vorm van omzien naar je naaste, kan ik dat zelf ook opbrengen? Er werd toch ook naar mij omgezien....

Aan de andere kant denk ik ook: stap ik niet in een valkuil? Probeer ik niet een schuld in te lossen? Heb ik mijn eigen verliezen en mijn geschiedenis echt goed een plek gegeven? Loop ik, met een pleegkind in huis, 24 uur per dag, niet de kans dat mijn zwakke plekken te zwaar worden belast? Kan ik echt zo nuchter zijn als ik denk? Ga ik me niet teveel vereenzelvigen met een pleegkind? ‘Nee hoor!’ denk ik meestal. Maar soms twijfel ik.

Mijn leven zoals het nu is, loopt fantastisch, ik geniet van het feit dat mijn kinderen veilig opgroeien, ik heb een leuke baan en ben bestuurlijk en politiek actief. Misschien moet ik mezelf gewoon toestaan lekker te genieten, en is het al genoeg dat ik mijn bijdrage aan de pleegzorg lever via mijn baan.

Maar toch... het blijft kriebelen. Misschien moet ik de boel niet dood-redeneren en gewoon de stap nemen. Stiekem denk ik, heel af en toe, wel eens: stond er maar op eens een voor de deur, dan hoefde ik niet meer te kiezen...