Al ruim twee jaar denken Dirk (38) en ik (34) er over na of we pleeggezin
willen worden. We hebben een stevig gezin, met 2 meiden, een groot
hart en er is ruimte voor een kind extra, dus waarom niet? Toch nemen
we die stap niet zo maar. We hebben de plannen ook al een poos in
de koelkast gezet, om onze overwegingen zo goed mogelijk een op rij
en zuiver mogelijk te houden. Hoe je het ook wendt of keert : pleegzorg
maakt deel uit van mijn leven, vroeger, en ook nu, in mijn werk als
beleidsmedewerker bij de NVP in de regio Groningen en Drenthe. Vroeger
pleegkind, nu beleid maken voor pleegouders en dan, straks, zelf pleegouder
worden....?
Mijn eigen geschiedenis is bij mijn afwegingen om wel of niet pleegouder
te worden heel belangrijk. Ooit was ik zelf pleegkind. Mijn moeder
was een ‘ongehuwd moeder’, ik dus een bastaard en dat was
niet best. Familie ontfermde zich over mij: toen ik een half jaar
oud was, kwam ik bij een oom en tante in huis, weliswaar tegen de
zin van mijn moeder. Maar ja, zij was nog jong en de familie was sterk.
Deze ‘netwerkplaatsing’ ging ten koste van de familieverhoudingen.
Toch bleek mijn moeder sterker, want zij zorgde ervoor dat ik bij
een ‘bestandsgezin’ terecht kwam. Daar woonde ik van mijn
2e tot mijn 7e jaar. Ik heb heel veilige herinneringen aan mijn pleegmoeder
en -vader van destijds. Toen werd besloten dat ik weer bij mijn moeder
kon wonen. Het werd me uitgelegd en ik snapte dat best, natuurlijk.
Ik had mijn moeder in de tussenliggende jaren ook regelmatig gezien,
en gelogeerd bij haar en haar man. Dus, prima toch? Totdat ik werkelijk
de eerste nacht daar was, voorgoed. Ik heb de hele nacht liggen huilen,
gillen. Mijn pleegvader kwam en ik dacht dat ik weer mee mocht met
hem. Maar hij kwam me alleen maar vertellen dat ik flink moest zijn
en dat ik hem niet kwijt zou raken. Ik moest wel bijven...
Maar het wende snel, op school was het leuk en thuis ging het ook
prima. Ik kreeg een leuk klein broertje, waar ik dol op was. Mijn
pleegvader bleef ik ontmoeten, ook toen zijn huwelijk stuk liep en
hij ver weg ging wonen.
‘Knap iemand die mij hier weg krijgt’
Na drie redelijk onbezorgde jaren eindigde het huwelijk van mijn
moeder en ze werd uit huis gezet. Mijn pleegvader haalde mij weer
op en ik verwachtte dat ik bij hem zou blijven wonen, maar zijn nieuwe
vrouw bleek mij niet te kunnen verdragen. Na een aantal weken (en
weer een andere school) bracht mijn pleegvader mij naar een zuster
van mijn moeder. Daar woonde ik van mijn 10e tot mijn 18e, met de
instelling ‘knap iemand die mij hier weer weg krijgt’. Ik
noemde mijn oom en tante pa en ma en genoot ervan 2 broers en 2 zussen
te hebben.
Het leven ging verder en ik maakte vriendinnen, ging naar school,
puberde er flink op los, had een vriendje, enzovoort. En ook al vergat
ik het soms, het was er altijd: de rivaliteit tussen mijn oom en tante
en mijn moeder. Verhalen van beide kanten, waarvan ik niet wist wat
ik ermee moest, omdat ze de ander voor mijn gevoel in een negatief
daglicht zetten. De bezoeken aan mijn moeder waar ik soms geen zin
in had, maar waar door mijn oom en tante op aangedrongen werd. Tegelijk
ook de boodschap van mijn oom en tante naar mij: als je er ook maar
over denkt om bij je moeder te gaan wonen, dan kun je meteen vertrekken.
In het laatste jaar van de middelbare school wist ik het zeker: ik
ga studeren en op kamers. Eindelijk een eigen stek! In het eerste
studiejaar heb ik ook amper een weekeind bij mijn moeder of bij mijn
oom en tante doorgebracht. Ik had een vriend en hij was alles voor
mij. We gingen samenwonen.
Maar tegen het einde van datzelfde schooljaar, begon ik slecht te
slapen, was bang om alleen te zijn, helemaal angstig, deed niks meer,
at steeds minder, ik voelde me heel raar. Op een middag begon ik midden
onder de afwas te janken en kon alleen nog maar mijn moeder bellen.
"Kom maar naar huis", zei ze. Ik liet alles staan, pakte
mijn tas en ging. Daar heb ik, na veel huilbuien, nog meer slapeloze
nachten, de keus gemaakt om bij mijn moeder te gaan wonen en te breken
met mijn vriend. Mijn oom en tante moesten weer gewoon oom en tante
worden. Die keus gaf mij rust. Mijn oom en tante begrepen het niet
en hebben er heel veel verdriet van gehad. En mijn moeder voelde zich
gerehabiliteerd.
Twee jaar heb ik bij mijn moeder en broertje gewoond. Ik vervolgde
mijn opleiding en leerde Dirk kennen. Binnen het jaar zijn we getrouwd.
Een half jaar na onze trouwdag is er nog iets bijzonders gebeurd:
ik heb mijn vader voor het eerst ontmoet. Ik wilde hem al jaren zien,
maar de angst om afgewezen te worden was toch telkens sterker. En
toen nam hij zelf contact op. We hebben heel veel besproken en ik
leerde ook zijn vrouw en kinderen kennen. Wat een goede ervaring is
dat voor mij geweest! Ik heb mijn wortels leren kennen en daarmee
ook een stuk van mezelf. Nog steeds is het contact met mijn vader
en zijn gezin goed, en toen ik 10 jaar ‘bij de familie’
was kreeg ik een foto-album met daarin mijn voorgeschiedenis: foto’s
van opa’s oma’s, overgrootouders. Die kan ik nu aan mijn
kinderen laten zien, wanneer ze vragen naar hun en mijn voorgeschiedenis.
Wel... of niet?
En dan doet zich nu de vraag voor of ik zelf pleegouder wil worden.
Maar pleegouder worden doe je niet zomaar, dat geldt voor iedereen
en voor mij zeker. Heel wat overwegingen heb ik het afgelopen jaar
de revue laten passeren.
Ik weet zelf hoe belangrijk het is een veilige stek te hebben. Ondanks
de problemen heb ik toch overwegend positieve herinneringen. Daarom
zou ik dat een ander kind ook willen bieden. Maar de ingewikkelde
loyaliteitsgevoelens ken ik ook. Uit ervaring weet ik hoe je heen
en weer geslingerd kan worden tussen eigen ouders en pleegouders.
Hoe je ook behoefte hebt aan erkenning van je eigen achtergrond. Ik
denk dat ik met mijn ervaringen een ander pleegkind kan helpen.
De ‘naaste’ is voor mijn heel reëel en dichtbij. Goede
doelen ver weg, daar doe ik graag aan mee. Maar waarom aarzel ik als
het ook binnen handbereik is? Pleegzorg is een concrete vorm van omzien
naar je naaste, kan ik dat zelf ook opbrengen? Er werd toch ook naar
mij omgezien....
Aan de andere kant denk ik ook: stap ik niet in een valkuil? Probeer
ik niet een schuld in te lossen? Heb ik mijn eigen verliezen en mijn
geschiedenis echt goed een plek gegeven? Loop ik, met een pleegkind
in huis, 24 uur per dag, niet de kans dat mijn zwakke plekken te zwaar
worden belast? Kan ik echt zo nuchter zijn als ik denk? Ga ik me niet
teveel vereenzelvigen met een pleegkind? ‘Nee hoor!’ denk
ik meestal. Maar soms twijfel ik.
Mijn leven zoals het nu is, loopt fantastisch, ik geniet van het
feit dat mijn kinderen veilig opgroeien, ik heb een leuke baan en
ben bestuurlijk en politiek actief. Misschien moet ik mezelf gewoon
toestaan lekker te genieten, en is het al genoeg dat ik mijn bijdrage
aan de pleegzorg lever via mijn baan.
Maar toch... het blijft kriebelen. Misschien moet ik de boel niet
dood-redeneren en gewoon de stap nemen. Stiekem denk ik, heel af en
toe, wel eens: stond er maar op eens een voor de deur, dan hoefde
ik niet meer te kiezen...