artikel uit Mobiel 1, februari-maart 2000

Kiezen voor pleegzorg

thema: kiezen voor pleegzorg

Door: Willemien Kronenberg
redacteur Mobiel

Kiezen voor pleegzorg is nodig. Kinderen die niet bij hun ouders kunnen opgroeien krijgen daarmee de kans in een zo gewoon mogelijke situatie groot te worden. Het pleeggezin stelt zijn huis en leven voor het pleegkind open en gáát er vervolgens voor. Die houding blijkt ook nodig te zijn. Want pleegzorg is leuk en kan veel toevoegen aan je leven, maar vergt óók veel energie, aandacht en doorzettingsvermogen. Stilstaan bij dit onderwerp in MOBIEL levert voor de ervaren pleegouder misschien niet veel nieuws op, maar voor veel recente pleegouders is het prettig om eens te lezen waarom mensen voor pleegzorg kiezen en hoe ze later op hun keuze terugkijken*.

Waarom kiezen mensen voor pleegkinderen? Dat kan om uiteenlopende redenen zijn. Mensen zijn tevreden met het aantal eigen kinderen, maar vinden dat zij er qua energie, ruimte, liefde en aandacht, best voor meer kinderen kunnen zorgen. Kinderloosheid en kinderwensen spelen een rol, en soms wil men graag ‘wat vrouwlijkspul naast alle jongetjes die hier rondlopen’ en andersom: ‘voor onze meiden is het goed dat er ook een jongen bij loopt’.
Ook argumenten als uitdaging, een tevreden gevoel willen hebben aan het eind van de werkdag, en `kinderen gewoon leuk vinden’, bepalen de keuze voor pleegzorg.
Maar waarom dan juist pleegzorg? Het valt op dat veel pleegouders van huis uit al op een of ander manier in aanraking zijn geweest met pleegkinderen. Men had vroeger weekend kinderen, kwam veel over de vloer bij Jeugddorp de Glind, of er was thuis altijd discussie over wel of niet pleegkinderen. Ook direct hulp willen en kunnen bieden is een belangrijk motief.

De afwegingen

De informatie over pleegzorg komt grotendeels bij de organisaties voor pleegzorg vandaan, aangevuld met wat vrienden, kennissen en familie er al over wisten.
Vervolgens begon het grote afwegen. De STAP cursus was daar soms belangrijk bij. Zo besloten sommige pleegouders pas na de cursus dat zij iets te bieden hadden aan pleegkinderen. Door de aangedragen onderwerpen, voorbeelden en onderlinge gesprekken raakten zij ervan overtuigd dat ze pedagogisch voldoende in huis hadden om andermans kinderen op te voeden . Ook de aandacht die besteed werd aan de kwaliteit van de relatie tussen de pleegouders ervaren zij achteraf als waardevol, omdat gebleken is dat een relatie behoorlijk stressbestendig moet zijn.
Natuurlijk waren er ook praktische afwegingen als: de ruimte in huis, het aantal slaapkamers, past iedereen nog in de auto, is de onkostenvergoeding kostendekkend, wat gaat de belasting doen en moeten er aanpassingen komen in de werkuren van de pleegouders?

Mening en positie van eigen kinderen

De mening en positie van de eigen kinderen is belangrijk bij de keuze voor pleegzorg, en de soort opvang die het gezin wilde bieden. Ouders met jonge kinderen legden de keuzevraag meestal niet expliciet voor aan hun kinderen. De ouders beslisten, net als bij de startkeuze in het allereerste begin. Wel werden meningen gepeild, en leeftijd en geslacht kwamen dan het meest ter sprake. Zijn de eigen kinderen ouder, dan hebben ze een duidelijke stem in de beslissing om aan pleegzorg te beginnen, of er mee door te gaan. Bij een positieve keuze is het opvallend dat deze kinderen vaak een eigen rol spelen in de opvang en begeleiding van het nieuwe kind in het gezin.
In alle gevallen heeft men samen met de pleegzorgbegeleider heel zorgvuldig gekeken of de eigen kinderen geen schade zullen ondervinden van een eventuele plaatsing. Bij een bijplaatsing werd goed geluisterd naar opmerkingen als ‘de volgende keer wil ik niet weer iemand die alles van mijn kamer pikt’.

‘Het is heel belangrijk om ervan overtuigd te zijn en blijven dat je eigen kinderen geen schade ondervinden van een plaatsing. Bij voorkeur moeten ze er ook nog wat van opsteken’, aldus een aantal pleegouders die wel zegt ooit érg dicht bij het punt van stoppen te zijn geweest. Als de ruzies in het gezin het stadium bereiken waarop één van de eigen kinderen stelt ‘hij weg of ik weg’ moet je voor je eigen kind kiezen, ook al is dat met de nodige moeite.
Duidelijk is dat pleegouders er heel goed over nadenken of de veiligheid, behoefte aan aandacht en steun voor hun kinderen voldoende gegarandeerd zijn.

De rol van pleegkinderen

Ook de pleegkinderen die al in het gezin zijn speelden een belangrijke rol in de afwegingen of er nog iemand bij kan.
Een voorbeeld: Het gezin van Veen bestaat uit vader, moeder, zoon Hugo van 13 en pleegzoon Jaap van tien. Vanaf het begin van de plaatsing van Jaap hebben de pleegouders zich voorgenomen om, als het goed gaat met Jaap en Hugo, er nog een pleegkind bij te laten plaatsen. Beide jongens weten dat en de tijd is aangebroken om het proces op gang te brengen. Met de begeleider wordt geïnventariseerd welke voor- en nadelen er voor de jongens zitten aan een bijplaatsing. Er is ruimte in huis, qua energie en qua emoties. Voor Hugo zou het goed zijn als Jaap wat minder op hem is gericht. Hugo begint te puberen en wil graag meer met eigen vrienden optrekken. Voor Jaap, die aardig in het gezin is ingegroeid, zou het goed zijn om te ontdekken dat hij niet de enige op deze wereld is die het zo ‘slecht’ heeft getroffen om in een pleeggezin te moeten wonen. Met een jonger broertje of zusje kan hij bovendien wat in leeftijd zakken, en nog een tijdje echt kind zijn. Nu wil hij steeds met de groten meedoen en dat redt hij eigenlijk niet. Nog meer argumenten passeren de revue en men besluit dat een
kind van een jaar of 7 à 8 welkom is. Deze conclusie wordt nog eens met de jongens besproken, en ook zij zouden het leuk vinden als er iemand bijkomt, liefst een meisje.

Na verloop van tijd komt Bianca kennismaken, 7 jaar, ziet er schattig uit en heeft in het kinderhuis goed geleerd haar mondje te roeren.
Van de ene op de andere dag is de relatieve rust in het huis verdwenen. Alles wordt onderzocht, geleend en geprobeerd. Het toetsenbord van decomputer heeft opeens plakkende toetsen, de stiften hebben allemaal ingedeukte punten en oeps de doos met elektronica onderdelen ligt in het caviahok. De jongens beginnen te mopperen, pleegmoeder wordt doodmoe en iedereen vraag zich af of de afwegingen wel goed gemaakt zijn. Vooral Hugo lijkt het er moeilijk mee te hebben.
Met vereende krachten en drie crisissen verder is er een manier gevonden om allemaal te overleven in huis, en begint zich een nieuw evenwicht af te tekenen. Hugo vlucht niet meer naar boven of naar buiten, Jaap kan samen met Bianca met Lego spelen en leert haar stevige muurtjes te bouwen en Bianca heeft haar eigen speelplek gekregen. Daar is zij de baas met de bijbehorende afspraken. Pleegmoeder kan weer rustig koken en pleegvader zorgt dat hij ‘s avonds wisselend met Jaap en Hugo een uurtje wat samen doet. Jaap vatte de periode als
volgt kernachtig samen: "Toen ze er net was vond ik het maar een trut, met al dat drukke gedoe, maar nu snap ik het wel. Zij wist ook niet hoe je in een gezin moest wonen, net als ik toen ik kwam. Er was niet eens ruzie hier".

De keuzemogelijkheid van het pleegkind

Onze informatie komt voornamelijk uit pleeggezinnen met jonge pleegkinderen. Maar vier pleegkinderen hebben de leeftijd, om en nabij de negen jaar, om antwoord te geven op de vraag of zij zelf naar een pleeggezin wilden, en wat ze nu van de situatie vinden. Wisselend, denken ze over de keuze voor een pleeggezin: ‘Stom vond ik het, maar eigenlijk wel beter, want ik zit nu op een goede school’ en ‘ik heb nu eindelijk vrienden’ of ‘Leuk, omdat ik nu eindelijk een vaste plaats heb’, maar ook: ‘Niet leuk, ik wil naar huis!’.
Van te voren kregen ze van de maatschappelijk werker te horen dat ze naar een pleeggezin zouden gaan, en het merendeel ging eerst kennis maken of logeren in het aanstaande pleeggezin. Waar letten pleegkinderen dan op? ‘Nou of ze aardig waren, die mensen’, en ‘hoe ongeveer de regels waren’, en ‘of het een leuke buurt was’. Nu ze er wonen zijn drie van de vier kinderen tevreden. ‘Het is er meestal leuk’, ‘ik voel me veilig’, ‘het is gezellig’ en ‘het is thuis’ schrijven ze. En het moet ze ook van het hart dat ‘je echt niet zielig bent als je in een pleeggezin woont, want dat wordt wel eens gedacht’.

De mening van familie en vrienden

Bij de eerste plannen van de aanstaande pleegouders waren er in de directe omgeving vaak grote verschillen in reactie: van afwijzend, afwachtend, tot ‘wat goed van jullie’.
In de uiteindelijke keuze voor pleegzorg speelde de mening van familie of vrienden echter nergens een doorslaggevende rol. Toch is duidelijk dat de houding van de directe omgeving van een pleeggezin door de pleegouders als belangrijk wordt ervaren. Zij kunnen immers heel veel betekenen bij ondersteuning en bemoediging, bij opvang, als een oppas nodig is, of als het even niet loopt zoals je zou willen, kortom situaties die zich in elk pleeggezin regelmatig voor doen.
Als de kinderen er eenmaal waren raakte de familie er meestal snel aan gewend. Men leerde hen kennen en waarderen als het om langer blijvende kinderen ging, en ze keken op den duur niet meer op van ‘altijd wel een kind erbij in het gezin’ in een crisisopvanggezin. Ook de grootouders speelden hun partij mee. In gezinnen waar kinderen langer woonden werden zij vaak ook opa en oma voor de pleegkinderen, maar het is ook voorgekomen dat de grootouders de pleegkinderen alleen maar gedoogden.

Toekomstperspectief

De toekomst voor de pleegzorg ziet er zonnig(er) uit als het aan deze pleeggezinnen ligt. De eigen kinderen uit het gezin geven aan later ook pleegkinderen te willen en ook de pleegkinderen hebben deze plannen. Dat geeft de mens moed. We zijn op de goede weg als de keuze voor pleegzorg voor zowel kinderen als pleegkinderen dit toekomstperspectief heeft.

Voor de voorbereiding van dit artikel is deze vraag voorgelegd aan pleeggezinnen uit Gouda en omgeving.