artikel uit Mobiel 1, februari/maart 2000

Kiest Margo Vliegenthart voor pleegzorg?

Interview met de staatssecretaris

Door: Jenny Gijzen
redacteur Mobiel

"Pleegzorg, dat doen we toch niet meer?", vroeg de telefoniste van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(VWS) aan haar collega, toen ik haar vroeg bij wie ik moest zijn voor een interview met staatssecretaris mw. Margo Vliegenthart. Dat klonk niet hoopvol, en gaf minstens de indruk dat ze het op dit departement niet al te vaak over pleegzorg hebben. Maar, na enig speurwerk, zorgden uiterst behulpzame beleidsmedewerkers ervoor dat de staatssecretaris zich kon buigen over de vragen die MOBIEL haar wilde voorleggen. In haar antwoorden geeft Vliegenthart aan voor welke zaken in de pleegzorg zij zich hard zal maken in haar regeerperiode.

Wat vindt u belangrijk om tijdens uw regeerperiode voor pleegouders en pleegkinderen te bereiken? Hoe wilt u dat bereiken en wanneer?

Vooropgesteld wil ik benadrukken dat de pleegzorg een zeer belangrijke functie vervult in de zorg voor jongeren. Ik heb ook persoonlijk zeer veel waardering en respect voor alle ouders die pleegjongeren opnemen in hun eigen gezin. Niets is zo belangrijk voor kinderen en jongeren als te kunnen opgroeien in een normale gezinssituatie met ouders, broers en zussen.
Ik besef ook maar al te goed dat het opnemen van pleegkinderen soms veel druk legt op een gezin. En ook kosten met zich meebrengt, laten we daar duidelijk over zijn. Wat ik belangrijk vind is dat de pleegzorg de maatschappelijke waardering krijgt die het verdient. Ik zal me daar ook sterk voor maken.
De pleegzorg zal in ieder geval kwalitatief moeten worden versterkt. Via het project Trillium zijn we daar ook mee bezig. Verder vind ik dat de pleegzorg straks een volwaardige plek moet hebben in het totaal aanbod van de jeugdzorg. We zijn bezig de Wet op de jeugdzorg te maken. Daar zal de positie van de pleegzorg ook zeker een volwaardige plek in krijgen. In het visiedocument van Trillium wordt een onderscheid gemaakt tussen pleegzorg als module in een zorgprogramma en als opvoedingsarrangement. Ik zou er geen voorstander van zijn als we pleegzorg gaan definiëren als professionele zorg.Maar ik wil hier niet vooruitlopen op Trillium. De kern is dat het gaat om het opvoeden van kinderen in een zo normaal mogelijke gezinssituatie. Daar waar er ondersteuning nodig is zal die er moeten komen. Deze ondersteuning moet flexibel zijn, toegesneden op de behoeften van de pleegouders. De professionele zorg zal de omgeving moeten creëren waarin de pleegouders hun normale ouderlijke taak goed kunnen vervullen. Daar hoort dus ook bij de speciale behoeften die bijvoorbeeld allochtone pleegouders hebben, of pleegouders met allochtone kinderen.
Ik wil hier deze kabinetsperiode nog een aantal stappen in kunnen zetten.

In september vorig jaar heeft u 60 miljoen uitgetrokken om extra knelpunten in de jeugdhulpverlening op te lossen (wachtlijsten, meldpunten kindermishandeling). Pleegzorg viste achter het net. De pleegzorg is op dit moment hard aan het werk om kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen. Waar moet het geld voor vernieuwingen in deze sector vandaan komen?

Per 1 januari 2000 is er 60 miljoen extra beschikbaar bovenop het geld uit het regeerakkoord. Dit is bestemd om knelpunten in de jeugdhulpverlening op te lossen. Het gaat hier om structurele middelen die tot 2002 oplopen. Vanaf dat jaar is er jaarlijks 110 miljoen extra beschikbaar voor de jeugdzorg. Dit laat volgens mij eens te meer zien hoezeer het kabinet hecht aan versterking van de sociale infrastructuur, vooral ook op het terrein van de jeugd. Bij de verdeling van de middelen is in overleg met de bestuurlijke partners geen expliciet bedrag voor de pleegzorg vastgelegd. Dit betekent echter niet dat de pleegzorg achter het net vist. De middelen voor de bureaus Jeugdzorg/AMKs en aanpak van de wachtlijsten worden vanaf 2000 voornamelijk naar rato toegevoegd aan de doeluitkering van de provincies/grootstedelijke regio’s. Het is vervolgens aan de provincies om aan te geven voor welke prioriteiten de middelen worden bestemd. De middelen kunnen dus ook aan pleegzorg worden besteed.

Diverse onderzoeken bevestigen dat een kind in het algemeen beter in een gezin kan opgroeien dan in een internaat. Daarnaast is het 5 maal goedkoper. Toch is er nauwelijks verschuiving van internaatsplaatsingen naar pleeggezinplaatsingen. Deelt u bovenstaande opvattingen en zo ja, waarom wordt hier door de overheid niet meer invloed op uitgeoefend?

Ik deel de opvatting dat een kind over het algemeen beter in een gezin kan opgroeien dan in een residentiële instelling. Het uitgangspunt voor de hulp aan jeugdigen in de Wet op de Jeugdhulpverlening, het zogenaamde zo-zo-zo beleid sluit hierbij aan. Hulp die zo kort mogelijk duurt, zo dicht mogelijk bij huis gegeven wordt en zo licht mogelijk is. Het streven is om de ambulante jeugdhulpverlening te versterken. Als een kind toch uit huis geplaatst moet worden biedt een pleeggezin nog de kans op een gezinsleven. Ook binnen de nieuwe Wet op de Jeugdzorg zal dit beleid een plaats moeten krijgen.
Een initiatief zoals dat onlangs door de provincie Limburg is genomen past uitstekend binnen dit beleid. In deze provincie wordt nagestreefd om de verhouding tussen het aantal kinderen in (semi)-residentiële instellingen en pleeggezinnen, terug te brengen tot ten hoogste een verhouding van 1 op 1. De provincie Limburg gaat nu maatregelen nemen om dit op zo kort mogelijke termijn tot stand te brengen.
Zo’n initiatief komt niet zonder meer tot stand. Er zal gezamenlijk gewerkt moeten worden aan het aantrekkelijker maken van het pleegouderschap voor potentiële pleegouders. Bijvoorbeeld
door middel van voorlichtingscampagnes. Met de start van de campagne ‘Kinderen’ door de Voorzieningen voor Pleegzorg is de belangstelling voor het pleegouderschap bijna verdubbeld van 3800 informatieaanvragen en aanmeldingen in 1997 naar 6185 informatieaanvragen en meldingen in 1998. Via deze campagnes lukt het om het bestand aan pleegouders op peil te houden. Momenteel leven er plannen bij Endemol om pleegouders via de televisie te werven. Ik wil u eerlijk zeggen dat ik daar nog mijn twijfels over heb of dat wel de goede weg is. Het gaat daarbij om de privacy van de kinderen. Maar ook als dat goed geregeld is vraag ik me af of we het beeld moeten presenteren van kinderen die worden ‘aangeboden’. Pleegkinderen mogen geen object van goedkoop effectbejag worden. Ik zie niets in zulke emotie-tv, dat staat mij persoonlijk erg tegen.

Pleegouders kiezen in hun persoonlijk leven voor de opvang van een kind uit een problematische opvoedingssituatie. Ze leveren hiervoor vrije tijd, sociale contacten en vaak ook geld in. Dit blijkt uit een rapport ‘Arbeid en pleegzorg in de 21e eeuw’ van de Nederlandse Gezinsraad dat vorig jaar verscheen. Dit rapport waarschuwt dat er in de toekomst een groot probleem zal ontstaan doordat – ten gevolge van de lage status van het pleegouderschap en de toenemende arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen – het aantal mensen mensen dat zich (kosteloos) beschikbaar stelt voor het pleegouderschap, zal afnemen. Wat kan de overheid bijdragen in het aantrekkelijker maken van het pleegouderschap?

Het dilemma tussen enerzijds de rechten van pleegouders, die sommigen ook vertaald willen zien in volledig betaald pleegouderschap, en anderzijds de keuze voor het pleegouderschap vanuit een grote betrokkenheid bij de zorg voor jeugdigen is nog steeds actueel. Een boeiende vraag uit het NGR rapport, misschien wel de hamvraag, is of er betaald ouderschap moet komen.
Ik ben daar niet voor. Pleegouderschap is geen beroep. Ouders die daar voor kiezen doen dat vanuit een persoonlijke betrokkenheid. Het zou verkeerd zijn als daar andere motieven door heen zouden gaan lopen. Zoals je pleegouders ook niet moet beschouwen als professionele zorgverleners. Het gaat erom dat pleegouders goed worden ondersteund om hun ouderlijke taken optimaal kunnen vervullen. Om die reden moet serieus worden overwogen of verlofregelingen ook voor pleegouders kunnen gelden en of pleegouders van dezelfde fiscale voorzieningen gebruik kunnen maken als andere ouders. En dat geldt ook voor voorzieningen als kinderopvang. In dat geval zullen CAO-partijen ook duidelijk moeten vastleggen dat bedrijfsplaatsen voor kinderopvang ook voor pleeggezinnen gelden. Ik kan u in ieder geval toezeggen dat ik ook nog eens goed wil kijken naar de vergoedingen voor pleegzorg zoals die momenteel bestaan. Gelukkig geldt de kinderaftrek in het nieuwe belastingstelsel ook voor pleegkinderen.

Op welke termijn, en met welke concrete overheidsmaatregelen zullen pleegouders de kwaliteitsverbetering in de pleegzorg ervaren met betrekking tot de jaarlijkse indexering van de pleegvergoeding, de vergoeding van extra kosten voor een pleegkind, die niet gedekt worden door de reguliere pleegvergoeding en de mogelijkheid van extra (pedagogische) ondersteuning?

Ik ben bezig de indexering nader te onderzoeken. Ik vind het belangrijk dat voor de pleegzorg een normale indexering wordt gehanteerd.
Het punt van de vergoeding van extra kosten speelt natuurlijk al langer dan vandaag. Hoewel ik op dit moment nog niet iets concreets kan toezeggen, kan ik wel aangeven dat het een thema is dat mijn aandacht heeft. Ik gaf al aan dat ik naar de vergoedingen voor pleegzorg wil kijken en zal daar ook de vergoedingen voor extra kosten in meenemen.
Voor wat betreft de pedagogische ondersteuning van ouders: mijn uitgangspunt is dat pleegouders hun pleegkinderen een zo’n normaal mogelijk opvoeding moet kunnen geven. Professionele instellingen moeten hen waar nodig ondersteunen, ook op pedagogisch gebied. Naast de Voorzieningen voor Pleegzorg gaat het dan ook om consultatiebureaus, lokale bureaus voor opvoedingsondersteuning en Bureaus Jeugdzorg. Zij zullen gezamenlijk netwerken moeten vormen op het gebied van opvoedingsondersteuning. Grotendeels zullen de opvoedingsvragen dezelfde zijn als bij andere ouders. Als er zich problemen voordoen die direct te maken hebben met de pleegsituatie dan zullen de ouders meer gericht hulp moeten krijgen van de jeugdhulpverlening.
Deeltijdpleegzorg (weekend/vakantieopvang) kan zowel voor de beginnende pleegouders als voor het kind een goede vorm van hulpverlening zijn. Op dit moment hangt het er nog steeds een beetje bij en wordt er heel verschillend mee omgegaan omdat het geen geïndiceerde vorm van hulp is en er dus ook geen middelen voor zijn. Kunt u het een plek geven in de jeugdhulpverlening?
Weekend/vakantieopvang is bedoeld om de ouders tijdelijk te ontlasten zodat ze het kunnen volhouden om hun kind zelf thuis te helpen. Het is een ondersteunende, preventieve vorm van hulp en dienstverlening. Het past in de gedachte van zorg-op-maat. Ik zie wel voor me dat jeugdhulpverlening en instellingen voor pleegzorg in de toekomst gezamenlijk meer van dit soort ‘producten’ gaan aanbieden. Het visiedocument van Trillium geeft ook die richting aan. Natuurlijk zal er een indicatie moeten zijn voor dergelijke vormen van ondersteuning, maar als er sprake is van een aantoonbare behoefte en noodzaak voor dan zal het ook mogelijk moeten zijn dit als aparte vorm te erkennen. We zullen hier bij de verder uitwerking van het visiedocument nog zeker op terugkomen.

De Raden voor de kinderbescherming en de kinderrechters willen vaak niet aan een ontheffing, zelfs als duidelijk is dat het kind voorgoed in het pleeggezin blijft. De stelling is: wat voegt het toe? Maar de pleegouders en het pleegkind willen duidelijkheid en houvast. Is hier een oplossing voor?

Ik heb begrip voor deze situatie. Wat voor mij bij alles voor op staat is: wat dient uiteindelijk het beste het belang van het kind. Dat zal ook het uitgangspunt zijn voor de nieuwe Wet op de Jeugdzorg. Het belangrijkste is dat kinderen in een liefdevolle omgeving worden opgevoed waar ze zich optimaal kunnen ontplooien. In principe is dat bij de natuurlijke ouders. Waar dat niet meer gaat kunnen pleegouders de opvoedingstaak gaan overnemen. Voor het kind zal het belangrijk zijn dat natuurlijke ouders en pleegouders met elkaar contact hebben over de toekomst van het kind. Dat is vaak niet makkelijk, dat weet ik maar al te goed, maar ik zie een belangrijke rol weggelegd voor de Voorzieningen voor Pleegzorg om deze communicatie te verbeteren. Daarmee kan de onzekerheid voor pleegouders voor een belangrijk deel worden weggenomen en zodoende een houvast worden geboden. Dat de rechter zeer voorzichtig is met het verlenen van ontheffingen vind ik ook terecht. Het bieden van zekerheid en houvast zit ‘m niet in in het weghalen van rechten bij anderen, in dit geval de natuurlijke ouders, maar in het versterken van de ondersteuningsstructuur en het komen tot onderlinge heldere afspraken.