"Pleegzorg, dat doen we toch niet meer?", vroeg de telefoniste van
het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(VWS) aan haar
collega, toen ik haar vroeg bij wie ik moest zijn voor een interview
met staatssecretaris mw. Margo Vliegenthart. Dat klonk niet hoopvol,
en gaf minstens de indruk dat ze het op dit departement niet al te
vaak over pleegzorg hebben. Maar, na enig speurwerk, zorgden uiterst
behulpzame beleidsmedewerkers ervoor dat de staatssecretaris zich
kon buigen over de vragen die MOBIEL haar wilde voorleggen. In haar
antwoorden geeft Vliegenthart aan voor welke zaken in de pleegzorg
zij zich hard zal maken in haar regeerperiode.
Wat vindt u belangrijk om tijdens uw regeerperiode voor pleegouders
en pleegkinderen te bereiken? Hoe wilt u dat bereiken en wanneer?
Vooropgesteld wil ik benadrukken dat de pleegzorg een zeer belangrijke
functie vervult in de zorg voor jongeren. Ik heb ook persoonlijk zeer
veel waardering en respect voor alle ouders die pleegjongeren opnemen
in hun eigen gezin. Niets is zo belangrijk voor kinderen en jongeren
als te kunnen opgroeien in een normale gezinssituatie met ouders,
broers en zussen.
Ik besef ook maar al te goed dat het opnemen van pleegkinderen soms
veel druk legt op een gezin. En ook kosten met zich meebrengt, laten
we daar duidelijk over zijn. Wat ik belangrijk vind is dat de pleegzorg
de maatschappelijke waardering krijgt die het verdient. Ik zal me
daar ook sterk voor maken.
De pleegzorg zal in ieder geval kwalitatief moeten worden versterkt.
Via het project Trillium zijn we daar ook mee bezig. Verder vind ik
dat de pleegzorg straks een volwaardige plek moet hebben in het totaal
aanbod van de jeugdzorg. We zijn bezig de Wet op de jeugdzorg te maken.
Daar zal de positie van de pleegzorg ook zeker een volwaardige plek
in krijgen. In het visiedocument van Trillium wordt een onderscheid
gemaakt tussen pleegzorg als module in een zorgprogramma en als opvoedingsarrangement.
Ik zou er geen voorstander van zijn als we pleegzorg gaan definiëren
als professionele zorg.Maar ik wil hier niet vooruitlopen op Trillium.
De kern is dat het gaat om het opvoeden van kinderen in een zo normaal
mogelijke gezinssituatie. Daar waar er ondersteuning nodig is zal
die er moeten komen. Deze ondersteuning moet flexibel zijn, toegesneden
op de behoeften van de pleegouders. De professionele zorg zal de omgeving
moeten creëren waarin de pleegouders hun normale ouderlijke taak
goed kunnen vervullen. Daar hoort dus ook bij de speciale behoeften
die bijvoorbeeld allochtone pleegouders hebben, of pleegouders met
allochtone kinderen.
Ik wil hier deze kabinetsperiode nog een aantal stappen in kunnen
zetten.
In september vorig jaar heeft u 60 miljoen uitgetrokken om extra
knelpunten in de jeugdhulpverlening op te lossen (wachtlijsten, meldpunten
kindermishandeling). Pleegzorg viste achter het net. De pleegzorg
is op dit moment hard aan het werk om kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen.
Waar moet het geld voor vernieuwingen in deze sector vandaan komen?
Per 1 januari 2000 is er 60 miljoen extra beschikbaar bovenop het
geld uit het regeerakkoord. Dit is bestemd om knelpunten in de jeugdhulpverlening
op te lossen. Het gaat hier om structurele middelen die tot 2002 oplopen.
Vanaf dat jaar is er jaarlijks 110 miljoen extra beschikbaar voor
de jeugdzorg. Dit laat volgens mij eens te meer zien hoezeer het kabinet
hecht aan versterking van de sociale infrastructuur, vooral ook op
het terrein van de jeugd. Bij de verdeling van de middelen is in overleg
met de bestuurlijke partners geen expliciet bedrag voor de pleegzorg
vastgelegd. Dit betekent echter niet dat de pleegzorg achter het net
vist. De middelen voor de bureaus Jeugdzorg/AMKs en aanpak van de
wachtlijsten worden vanaf 2000 voornamelijk naar rato toegevoegd aan
de doeluitkering van de provincies/grootstedelijke regio’s. Het
is vervolgens aan de provincies om aan te geven voor welke prioriteiten
de middelen worden bestemd. De middelen kunnen dus ook aan pleegzorg
worden besteed.
Diverse onderzoeken bevestigen dat een kind in het algemeen beter
in een gezin kan opgroeien dan in een internaat. Daarnaast is het
5 maal goedkoper. Toch is er nauwelijks verschuiving van internaatsplaatsingen
naar pleeggezinplaatsingen. Deelt u bovenstaande opvattingen en zo
ja, waarom wordt hier door de overheid niet meer invloed op uitgeoefend?
Ik deel de opvatting dat een kind over het algemeen beter in een
gezin kan opgroeien dan in een residentiële instelling. Het uitgangspunt
voor de hulp aan jeugdigen in de Wet op de Jeugdhulpverlening, het
zogenaamde zo-zo-zo beleid sluit hierbij aan. Hulp die zo kort mogelijk
duurt, zo dicht mogelijk bij huis gegeven wordt en zo licht mogelijk
is. Het streven is om de ambulante jeugdhulpverlening te versterken.
Als een kind toch uit huis geplaatst moet worden biedt een pleeggezin
nog de kans op een gezinsleven. Ook binnen de nieuwe Wet op de Jeugdzorg
zal dit beleid een plaats moeten krijgen.
Een initiatief zoals dat onlangs door de provincie Limburg is genomen
past uitstekend binnen dit beleid. In deze provincie wordt nagestreefd
om de verhouding tussen het aantal kinderen in (semi)-residentiële
instellingen en pleeggezinnen, terug te brengen tot ten hoogste een
verhouding van 1 op 1. De provincie Limburg gaat nu maatregelen nemen
om dit op zo kort mogelijke termijn tot stand te brengen.
Zo’n initiatief komt niet zonder meer tot stand. Er zal gezamenlijk
gewerkt moeten worden aan het aantrekkelijker maken van het pleegouderschap
voor potentiële pleegouders. Bijvoorbeeld
door middel van voorlichtingscampagnes. Met de start van de campagne
‘Kinderen’ door de Voorzieningen voor Pleegzorg is de belangstelling
voor het pleegouderschap bijna verdubbeld van 3800 informatieaanvragen
en aanmeldingen in 1997 naar 6185 informatieaanvragen en meldingen
in 1998. Via deze campagnes lukt het om het bestand aan pleegouders
op peil te houden. Momenteel leven er plannen bij Endemol om pleegouders
via de televisie te werven. Ik wil u eerlijk zeggen dat ik daar nog
mijn twijfels over heb of dat wel de goede weg is. Het gaat daarbij
om de privacy van de kinderen. Maar ook als dat goed geregeld is vraag
ik me af of we het beeld moeten presenteren van kinderen die worden
‘aangeboden’. Pleegkinderen mogen geen object van goedkoop
effectbejag worden. Ik zie niets in zulke emotie-tv, dat staat mij
persoonlijk erg tegen.
Pleegouders kiezen in hun persoonlijk leven voor de opvang van een
kind uit een problematische opvoedingssituatie. Ze leveren hiervoor
vrije tijd, sociale contacten en vaak ook geld in. Dit blijkt uit
een rapport ‘Arbeid en pleegzorg in de 21e eeuw’ van de
Nederlandse Gezinsraad dat vorig jaar verscheen. Dit rapport waarschuwt
dat er in de toekomst een groot probleem zal ontstaan doordat –
ten gevolge van de lage status van het pleegouderschap en de toenemende
arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen – het aantal mensen
mensen dat zich (kosteloos) beschikbaar stelt voor het pleegouderschap,
zal afnemen. Wat kan de overheid bijdragen in het aantrekkelijker
maken van het pleegouderschap?
Het dilemma tussen enerzijds de rechten van pleegouders, die sommigen
ook vertaald willen zien in volledig betaald pleegouderschap, en anderzijds
de keuze voor het pleegouderschap vanuit een grote betrokkenheid bij
de zorg voor jeugdigen is nog steeds actueel. Een boeiende vraag uit
het NGR rapport, misschien wel de hamvraag, is of er betaald ouderschap
moet komen.
Ik ben daar niet voor. Pleegouderschap is geen beroep. Ouders die
daar voor kiezen doen dat vanuit een persoonlijke betrokkenheid. Het
zou verkeerd zijn als daar andere motieven door heen zouden gaan lopen.
Zoals je pleegouders ook niet moet beschouwen als professionele zorgverleners.
Het gaat erom dat pleegouders goed worden ondersteund om hun ouderlijke
taken optimaal kunnen vervullen. Om die reden moet serieus worden
overwogen of verlofregelingen ook voor pleegouders kunnen gelden en
of pleegouders van dezelfde fiscale voorzieningen gebruik kunnen maken
als andere ouders. En dat geldt ook voor voorzieningen als kinderopvang.
In dat geval zullen CAO-partijen ook duidelijk moeten vastleggen dat
bedrijfsplaatsen voor kinderopvang ook voor pleeggezinnen gelden.
Ik kan u in ieder geval toezeggen dat ik ook nog eens goed wil kijken
naar de vergoedingen voor pleegzorg zoals die momenteel bestaan. Gelukkig
geldt de kinderaftrek in het nieuwe belastingstelsel ook voor pleegkinderen.
Op welke termijn, en met welke concrete overheidsmaatregelen zullen
pleegouders de kwaliteitsverbetering in de pleegzorg ervaren met betrekking
tot de jaarlijkse indexering van de pleegvergoeding, de vergoeding
van extra kosten voor een pleegkind, die niet gedekt worden door de
reguliere pleegvergoeding en de mogelijkheid van extra (pedagogische)
ondersteuning?
Ik ben bezig de indexering nader te onderzoeken. Ik vind het belangrijk
dat voor de pleegzorg een normale indexering wordt gehanteerd.
Het punt van de vergoeding van extra kosten speelt natuurlijk al langer
dan vandaag. Hoewel ik op dit moment nog niet iets concreets kan toezeggen,
kan ik wel aangeven dat het een thema is dat mijn aandacht heeft.
Ik gaf al aan dat ik naar de vergoedingen voor pleegzorg wil kijken
en zal daar ook de vergoedingen voor extra kosten in meenemen.
Voor wat betreft de pedagogische ondersteuning van ouders: mijn uitgangspunt
is dat pleegouders hun pleegkinderen een zo’n normaal mogelijk
opvoeding moet kunnen geven. Professionele instellingen moeten hen
waar nodig ondersteunen, ook op pedagogisch gebied. Naast de Voorzieningen
voor Pleegzorg gaat het dan ook om consultatiebureaus, lokale bureaus
voor opvoedingsondersteuning en Bureaus Jeugdzorg. Zij zullen gezamenlijk
netwerken moeten vormen op het gebied van opvoedingsondersteuning.
Grotendeels zullen de opvoedingsvragen dezelfde zijn als bij andere
ouders. Als er zich problemen voordoen die direct te maken hebben
met de pleegsituatie dan zullen de ouders meer gericht hulp moeten
krijgen van de jeugdhulpverlening.
Deeltijdpleegzorg (weekend/vakantieopvang) kan zowel voor de beginnende
pleegouders als voor het kind een goede vorm van hulpverlening zijn.
Op dit moment hangt het er nog steeds een beetje bij en wordt er heel
verschillend mee omgegaan omdat het geen geïndiceerde vorm van
hulp is en er dus ook geen middelen voor zijn. Kunt u het een plek
geven in de jeugdhulpverlening?
Weekend/vakantieopvang is bedoeld om de ouders tijdelijk te ontlasten
zodat ze het kunnen volhouden om hun kind zelf thuis te helpen. Het
is een ondersteunende, preventieve vorm van hulp en dienstverlening.
Het past in de gedachte van zorg-op-maat. Ik zie wel voor me dat jeugdhulpverlening
en instellingen voor pleegzorg in de toekomst gezamenlijk meer van
dit soort ‘producten’ gaan aanbieden. Het visiedocument
van Trillium geeft ook die richting aan. Natuurlijk zal er een indicatie
moeten zijn voor dergelijke vormen van ondersteuning, maar als er
sprake is van een aantoonbare behoefte en noodzaak voor dan zal het
ook mogelijk moeten zijn dit als aparte vorm te erkennen. We zullen
hier bij de verder uitwerking van het visiedocument nog zeker op terugkomen.
De Raden voor de kinderbescherming en de kinderrechters willen vaak
niet aan een ontheffing, zelfs als duidelijk is dat het kind voorgoed
in het pleeggezin blijft. De stelling is: wat voegt het toe? Maar
de pleegouders en het pleegkind willen duidelijkheid en houvast. Is
hier een oplossing voor?
Ik heb begrip voor deze situatie. Wat voor mij bij alles voor op
staat is: wat dient uiteindelijk het beste het belang van het kind.
Dat zal ook het uitgangspunt zijn voor de nieuwe Wet op de Jeugdzorg.
Het belangrijkste is dat kinderen in een liefdevolle omgeving worden
opgevoed waar ze zich optimaal kunnen ontplooien. In principe is dat
bij de natuurlijke ouders. Waar dat niet meer gaat kunnen pleegouders
de opvoedingstaak gaan overnemen. Voor het kind zal het belangrijk
zijn dat natuurlijke ouders en pleegouders met elkaar contact hebben
over de toekomst van het kind. Dat is vaak niet makkelijk, dat weet
ik maar al te goed, maar ik zie een belangrijke rol weggelegd voor
de Voorzieningen voor Pleegzorg om deze communicatie te verbeteren.
Daarmee kan de onzekerheid voor pleegouders voor een belangrijk deel
worden weggenomen en zodoende een houvast worden geboden. Dat de rechter
zeer voorzichtig is met het verlenen van ontheffingen vind ik ook
terecht. Het bieden van zekerheid en houvast zit ‘m niet in in
het weghalen van rechten bij anderen, in dit geval de natuurlijke
ouders, maar in het versterken van de ondersteuningsstructuur en het
komen tot onderlinge heldere afspraken.