artikel uit Mobiel 6, december 1999

Pleegzorg trek niet steeds een ander jasje aan!

Door: Joan Slagers
Staffunctionaris werkbegeleiding Jeugdbescherming Limburg.

In het vorige nummer van MOBIEL wijst pleegzorgbegeleider en redactielid Michaël Baas op de – ongewenste – bijverschijnselen van de ontvlechting in de pleegzorg. Ik heb net als hij, maar dan als jeugdbeschermer, zowel de periode voor als na de ontvlechting meegemaakt. Al voor de invoering van de ontvlechting zijn de problemen zoals Baas die nu schetst in zijn artikel, vanuit de jeugdbescherming onderkend. Ze kunnen dan ook nauwelijks als verrassend worden ervaren. Het zou te mooi zijn geweest als ontvlechting het ultieme antwoord was op alle knelpunten in de pleegzorg.

Echter, evenals voor de ontvlechting, blijft de pleegzorg op zoek naar de juiste vorm en afstemming. Bovendien dient het zich voortdurend te verhouden tot wat de maatschappij vraagt. Die dynamiek leidt momenteel tot weinig rust en ook aan continuïteit wil het dan wel eens schorten.
In mijn reactie op Baas' aanzet tot een discussie over de onvlechting wil ik eerst kort ingaan op zijn kritiekpunten om vervolgens vanuit het oogpunt van de jeugdbescherming nog enige toevoegingen te doen.

Pleegzorg in zijn huidige vorm heeft inderdaad als gevolg dat er meer afstand ontstaat tussen 'de hulpverlening aan het kind' en de 'hulpverlening aan de ouder'. Dat kan ook bijna niet anders als je bij een pleegzorgplaatsing twee verschillende invalshoeken creëert met 2 verschillende deskundigen. Je krijgt per definitie een ander effect dan wanneer één persoon zich een totaalbeeld van de plaatsing kan vormen, en ook de belangen van de verschillende partijen moet behartigen. Destijds hebben voorstanders van ontvlechting het gevaar van de belangenverstrengeling zwaarder laten wegen, al werd toen door de jeugdbescherming al gewezen op de 'bij-effecten' zoals die nu worden geconstateerd.
Destijds is ook vanuit de pleegzorg nadrukkelijk gesteld dat met de ontvlechting de pleegzorgwerker degene zou zijn die veelvuldig (meer dan de jeugdbescherming zich tot dan toe kon veroorloven) in het pleeggezin zou zijn. Dit werd expliciet genoemd als een van de grote voordelen van de ontvlechting. Het is dan ook verrassend om nu te moeten constateren dat die pleegzorgwerker zelfs minder in pleeggezinnen komt dan eertijds de plaatser. Is het verwonderlijk dat de meerwaarde van de ontvlechting op deze manier niet zo goed begrepen wordt binnen de jeugdbescherming?

Het is niet verwonderlijk dat wanneer de plaatser na de ontvlechting een minimale rol krijgt toebedeeld, en er van hem ook niet verwacht wordt dat hij regelmatig in het gezin komt, er een minder hechte band ontstaat met het pleegkind en ook de informatie vanuit het ouderlijk gezin wat meer op afstand komt. Ook dit effect van de ontvlechting was destijds een veelbesproken zorgpunt en is weliswaar meegewogen maar te licht bevonden om in de onvlechtingsplannen nog eens kritisch tegen het licht te houden.
De afstemmingsproblemen die Baas signaleert tussen plaatser en pleegzorgwerker hebben m.i. weinig met het ontvlechtingsgebeuren te maken, maar meer met het 'baas op eigen terrein' willen zijn van de participanten. De praktijk wijst uit dat bij soepelheid en bereidheid van beiden tot overleg met daarin oog voor elkaars situatie een betekenisvolle hulpverleningssituatie vaak tot de mogelijkheden behoort.
Bij de voorgestelde alternatieven door Baas grijpt hij tot mijn verbazing terug op een oud, en bij de ontvlechting juist losgelaten gedachtengoed n.l. om de hulpverlening voor beide gezinssystemen weer in één hand leggen. Maar zijn voorstel gaat zelfs nog verder: deze totaalhulpverlening' lag vroeger bij de plaatser, maar zou in zijn voorstel nu bij de pleegzorg ondergebracht moeten worden.
In mijn optiek is zo'n aanpassing eerder een stap terug dan een stap voorwaarts. Ik wil graag leren van moeilijkheden in plaats van teruggrijpen naar oude modellen waarover bovendien de nodige twijfels hebben bestaan.

Het is belangrijk dat de pleegzorg haar zoektocht afmaakt en vervolmaakt. Pleegzorg moet zich vooral niet gaan verliezen in het naar zich toetrekken van nóg meer en nóg breder.
Steeds nieuwe richtlijnen of herverdeling van werkgebieden zoals Michaël Baas voorstelt lijkt teveel op het voortdurend aantrekken van een ander jasje, op de buitenkant, de vorm.
Ik pleit er juist sterk voor om ons veel meer te gaan richten op de inhoud en de afstemming van de hulpverlening, op de binnenkant.
Het voortdurend ter discussie blijven stellen van de vorm, houdt aandacht en energie weg van waar we graag uit willen komen: een mooie inhoudelijk fijn afgestemde hulpverlening, gedragen door alle participanten. Hierbinnen liggen nog genoeg veranderingsmogelijkheden waarbij pleegzorg en plaatser elkaar hard nodig hebben en waarin zij, als zij dat wensen, veel voor elkaar kunnen betekenen.