In het vorige nummer van MOBIEL wijst pleegzorgbegeleider en redactielid
Michaël Baas op de – ongewenste – bijverschijnselen
van de ontvlechting in de pleegzorg. Ik heb net als hij, maar dan
als jeugdbeschermer, zowel de periode voor als na de ontvlechting
meegemaakt. Al voor de invoering van de ontvlechting zijn de problemen
zoals Baas die nu schetst in zijn artikel, vanuit de jeugdbescherming
onderkend. Ze kunnen dan ook nauwelijks als verrassend worden ervaren.
Het zou te mooi zijn geweest als ontvlechting het ultieme antwoord
was op alle knelpunten in de pleegzorg.
Echter, evenals voor de ontvlechting, blijft de pleegzorg op zoek
naar de juiste vorm en afstemming. Bovendien dient het zich voortdurend
te verhouden tot wat de maatschappij vraagt. Die dynamiek leidt momenteel
tot weinig rust en ook aan continuïteit wil het dan wel eens
schorten.
In mijn reactie op Baas' aanzet tot een discussie over de onvlechting
wil ik eerst kort ingaan op zijn kritiekpunten om vervolgens vanuit
het oogpunt van de jeugdbescherming nog enige toevoegingen te doen.
Pleegzorg in zijn huidige vorm heeft inderdaad als gevolg dat er
meer afstand ontstaat tussen 'de hulpverlening aan het kind' en de
'hulpverlening aan de ouder'. Dat kan ook bijna niet anders als je
bij een pleegzorgplaatsing twee verschillende invalshoeken creëert
met 2 verschillende deskundigen. Je krijgt per definitie een ander
effect dan wanneer één persoon zich een totaalbeeld
van de plaatsing kan vormen, en ook de belangen van de verschillende
partijen moet behartigen. Destijds hebben voorstanders van ontvlechting
het gevaar van de belangenverstrengeling zwaarder laten wegen, al
werd toen door de jeugdbescherming al gewezen op de 'bij-effecten'
zoals die nu worden geconstateerd.
Destijds is ook vanuit de pleegzorg nadrukkelijk gesteld dat met de
ontvlechting de pleegzorgwerker degene zou zijn die veelvuldig (meer
dan de jeugdbescherming zich tot dan toe kon veroorloven) in het pleeggezin
zou zijn. Dit werd expliciet genoemd als een van de grote voordelen
van de ontvlechting. Het is dan ook verrassend om nu te moeten constateren
dat die pleegzorgwerker zelfs minder in pleeggezinnen komt dan eertijds
de plaatser. Is het verwonderlijk dat de meerwaarde van de ontvlechting
op deze manier niet zo goed begrepen wordt binnen de jeugdbescherming?
Het is niet verwonderlijk dat wanneer de plaatser na de ontvlechting
een minimale rol krijgt toebedeeld, en er van hem ook niet verwacht
wordt dat hij regelmatig in het gezin komt, er een minder hechte band
ontstaat met het pleegkind en ook de informatie vanuit het ouderlijk
gezin wat meer op afstand komt. Ook dit effect van de ontvlechting
was destijds een veelbesproken zorgpunt en is weliswaar meegewogen
maar te licht bevonden om in de onvlechtingsplannen nog eens kritisch
tegen het licht te houden.
De afstemmingsproblemen die Baas signaleert tussen plaatser en pleegzorgwerker
hebben m.i. weinig met het ontvlechtingsgebeuren te maken, maar meer
met het 'baas op eigen terrein' willen zijn van de participanten.
De praktijk wijst uit dat bij soepelheid en bereidheid van beiden
tot overleg met daarin oog voor elkaars situatie een betekenisvolle
hulpverleningssituatie vaak tot de mogelijkheden behoort.
Bij de voorgestelde alternatieven door Baas grijpt hij tot mijn verbazing
terug op een oud, en bij de ontvlechting juist losgelaten gedachtengoed
n.l. om de hulpverlening voor beide gezinssystemen weer in één
hand leggen. Maar zijn voorstel gaat zelfs nog verder: deze totaalhulpverlening'
lag vroeger bij de plaatser, maar zou in zijn voorstel nu bij de pleegzorg
ondergebracht moeten worden.
In mijn optiek is zo'n aanpassing eerder een stap terug dan een stap
voorwaarts. Ik wil graag leren van moeilijkheden in plaats van teruggrijpen
naar oude modellen waarover bovendien de nodige twijfels hebben bestaan.
Het is belangrijk dat de pleegzorg haar zoektocht afmaakt en vervolmaakt.
Pleegzorg moet zich vooral niet gaan verliezen in het naar zich toetrekken
van nóg meer en nóg breder.
Steeds nieuwe richtlijnen of herverdeling van werkgebieden zoals Michaël
Baas voorstelt lijkt teveel op het voortdurend aantrekken van een
ander jasje, op de buitenkant, de vorm.
Ik pleit er juist sterk voor om ons veel meer te gaan richten op de
inhoud en de afstemming van de hulpverlening, op de binnenkant.
Het voortdurend ter discussie blijven stellen van de vorm, houdt aandacht
en energie weg van waar we graag uit willen komen: een mooie inhoudelijk
fijn afgestemde hulpverlening, gedragen door alle participanten. Hierbinnen
liggen nog genoeg veranderingsmogelijkheden waarbij pleegzorg en plaatser
elkaar hard nodig hebben en waarin zij, als zij dat wensen, veel voor
elkaar kunnen betekenen.