De landelijke overheid wil de kwaliteit van pleegzorg verbeteren
en heeft hiervoor het driejarig project Trillium opgezet. Volgens
het visie-debat dat in dit kader gaande is, zijn pleegouders te onderscheiden
in twee groepen: pleegouders als hulpverleners in zogenaamde 'zorg-modules'
en pleegouders als opvoeders in 'opvoedings-arrangementen'. In het
middenkatern van MOBIEL wordt hier uitgebreid aandacht besteed. Spin
in het web van deze discussie is de hoogleraar Opvoedkunde Prof. Dr.
Jo Hermanns. Hermanns is vanuit zijn bureau Coact Consult ingehuurd
om het visie-debat op gang te brengen. Sonja Nijon ging bij de hoogleraar
op bezoek en ondervroeg hem vooral over de rol van de begeleider in
de nieuwe plannen.
Jo Hermanns ontvangt me in de woonkamer, en terwijl hij koffie zet
in de keuken, neem ik de stapel beleidsplannen van Trillium nog even
kort door. Het valt me in de plannen op dat met name de werkhouding
van de professional in de pleegzorg buiten beschouwing wordt gelaten.
Dat is opmerkelijk omdat de professional een baan van negen tot vijf
in de pleegzorg heeft, en daarvoor toegerust wordt met een werktas
vol aangeleerde vaardigheden, rapporten en dossiers. Maar is dat ook
hetgeen waar pleegouders in hun contacten met de begeleider behoefte
aan hebben? Zijn er aspecten in een werkhouding waarover iedere pleegzorgbegeleider
idealiter zou moeten beschikken? Op deze vragen gaan we in ons gesprek
dieper in.
Hoe komt het toch dat op dit moment de inzet van professionals niet
zozeer als spannend, maar vooral als inspannend, stressvol, en ontoereikend
wordt ervaren?
Hermanns: 'De professional in de pleegzorg moet tegenwoordig erg
bureaucratisch werken. Voor allerlei opvoedingsproblemen zijn er standaard
vragenlijsten, beoordelingsformulieren, protocollen. De hulpverlening
is sterk analytisch, overgeorganiseerd, en vooral gericht op het aanleren
van vaardigheden. Een begeleider legt allereerst een dik dossier over
een kind op tafel. Dit dossier staat vaak letterlijk tussen de pleegouders
en de begeleider in. Een dossier is dan niet zozeer een hulpmiddel,
maar een obstakel. Het dossier schept afstand, een begeleider stapt
als het ware uit het directe persoonlijke contact met een pleeggezin,
en gaat hierdoor niet op ontdekkingsreis naar waar pleegouders op
dat moment behoefte aan hebben. Vervolgens voelt de pleegouder zich
niet ondersteund, en komt de hulpverlener moe terug omdat er wel hard
is gewerkt, maar weinig is bereikt.'
Hoe kun je dit nou doorbreken?
'Pleegzorg moet weer een ontmoeting tussen mensen worden,' meent
Hermanns, 'waarbij het spannend wordt om te onderzoeken hoe jij als
begeleider datgene kan bieden waar een pleegouder op dat moment behoefte
aan heeft'.
Een ontmoeting kenmerkt zich door een open houding van beide kanten,
gecombineerd met wederzijds begrip voor elkaars verschillende posities.
Ook heeft een echte ontmoeting een vleugje onverwachtsheid, verrassing,
onvoorspelbaarheid, waardoor je op het puntje van je stoel zit en
benieuwd bent naar wat er gaat komen. Hoe kan de pleegzorg weer een
'ontmoeting' worden?
'Zowel bij de begeleider, als bij de pleegouder, moet een 'klik'
ontstaan. Hoe? Doordat een begeleider precies op dat moment geeft
waar de pleegouder op zit te wachten, bijvoorbeeld steun, troost,
waardering, informatie. Het is moeilijk te pakken, het vergt een soort
open alertheid, een antenne om goed af te stemmen op de behoefte van
de ander tegenover je. Het heeft niet zozeer met een professionele
houding te maken, als wel met medemenselijkheid. Wat je ook bedenkt
aan beleidsplannen: die aansluiting of ‘klik’ lukt nooit
als de mensen om wie het gaat niet over de persoonlijke kwaliteiten
beschikken die nodig zijn om aan te sluiten op de behoefte van een
pleegouder. Dan kun je nog zulke mooie plannen en beleidsprocessen
ontwikkelen, maar je raakt nooit het wezenlijke punt dat tot echte
kwaliteitsverhoging leidt.'
Wat vraagt dit van een begeleider?
'Hulpverleners hebben veel te bieden juist als ze hun professionele,
aangeleerde vaardigheden en zekerheden los gaan laten. Op het moment
dat je je als persoon laat ‘raken’, kun je je eigen fascinatie
weer volgen. Juist door het niet volgen van een protocol vanuit de
instelling, maar het volgen van de vaardigheden van de pleegouders.
Wat gaat er goed? Waar willen ze hulp zodat het beter kan? Juist als
je met lege handen op bezoek komt, kun je openstaan voor de behoefte
van een pleeggezin. Waar vindt de ‘klik’ plaats tussen wat
zowel de pleegouder wil en kan, en waar de begeleider goed in is en
door geboeid wordt? Het werk wordt weer spannend als je merkt dat
je als persoon zelf iets kunt bereiken. Als je een resultaat aan jezelf
toe kunt schrijven, aan iets wat je zelf gedaan hebt. Bijvoorbeeld
doordat jij hebt opgemerkt dat een pleegouder behoefte had aan emotionele
steun en je bereid was gewoon te luisteren. Dit heeft veel meer effect
dan een cursus over ADHD-kinderen, hoe goed ook. Als je in het contact
met pleegouders opeens merkt dat jij als individu iets speciaals hebt
te bieden, waar mensen behoefte aan hebben. Dat werkt stimulerend,
en dan komen begeleiders ook niet meer moe van een pleeggezin terug.'
Zijn daar voorbeelden van?
Hermanns: 'Jazeker, in de residentiële sector bijvoorbeeld loopt
een nieuw project 'Hulp in Eigen Omgeving' genaamd. Het is een experiment
om kinderen die in aanmerking komen voor een plaats in een kinderhuis,
in de eigen omgeving te blijven helpen. Daarbij worden groepsleiders
ingezet om intensieve thuisbegeleiding in het oorspronkelijke gezin
te organiseren. Interessant is dat deze groepsleiders last hadden
van uitputting en demotivatie in hun werk.
Deze groepsleiders moeten op bezoek gaan bij de kinderen in hun eigen
gezin. Er zijn geen richtlijnen aanwezig over hoe ze de problemen
die ze daar tegen komen moeten aanpakken. Om te kunnen helpen, moeten
ze dus op zoek gaan naar de regels in het gezin, naar wat er goed
gaat, en waar hulp nodig is. De groepsleiders werken zonder de regels
en de veiligheid van de instelling. Ze zitten alleen tegenover de
kinderen en hun ouders en zijn als het ware 'overgeleverd' aan het
gezin. Ze moeten zichzelf en hun traditionele werkaanpak ter discussie
stellen. Het blijkt dat de helft van alle vragen van ouders op het
vlak van de opvoeding liggen, en samenhangt met de gedragsproblemen
van het kind. De andere helft is meer een organisatorische zaak. Hoe
lossen we de rommel op hier in huis? Hoe zorgen we ervoor dat de tuin
geen puinhoop meer is? Hoe gaan we om met de juf op school? Kun je
helpen bij de ruzie met die buurman? Hoe kunnen we beter met ons geld
uitkomen?
De groepsleiders hebben ontdekt dat de gezinsproblemen minder worden
als ze bereid zijn mee te helpen opruimen, of een plan opstellen om
het huishouden beter te organiseren. Het gaat vooral goed als ze die
plannen afstemmen op wat een kind of zijn ouders al goed doen. Hierdoor
ontstaat een zeer ondersteunend contact met de kinderen en hun gezinnen.
Het aantal uithuisplaatsingen is drastisch afgenomen. En de uitgeputte
groepsleiders vinden hun werk weer boeiend en interessant.
Dit soort projecten laat zien dat het erg belangrijk is om de hele
jeugdzorg, maar zeker ook de pleegzorg, om te bouwen tot een 'vraaggestuurde'
zorgvoorziening.
De inzet van de hulpverlener moet dus niet zozeer bepaald worden door
wat hij of zij aan vaardigheden heeft opgebouwd, maar door wat een
cliënt of pleegouder nodig heeft, waar om wordt gevraagd.'
Bij mijn laatste vraag wil ik terugkomen op de Trilliumplannen.
Wie gaat er voor zorgen dat de voorgestelde vernieuwingen in depleegzorg
breed worden gedragen en doorgevoerd?
Hermanns legt die bal neer bij de Stuurgroep Pleegzorg, op landelijk
niveau verantwoordelijk voor de verdere professionalisering van de
pleegzorg. Hij voegt daar nog wel een zorgpunt aan toe: 'We hebben
het in ons gesprek vooral gehad over de betrokkenheid van de begeleider
in de pleegzorg, maar ik maak me wat zorgen over de betrokkenheid
bij pleegzorg op het hoogste, bestuurlijke, niveau. In september van
dit jaar, vlak voor Prinsjesdag, werd bekend dat de staatssecretaris
van VWS jaarlijks 60 miljoen gulden heeft uitgetrokken om de knelpunten
in het functioneren van de nieuwe Bureau’s Jeugdzorg op te lossen.
Dit bedrag is met name bedoeld om de lange wachtlijsten voor tehuisplaatsen
weg te werken en om de meldpunten voor kindermishandeling verder uit
te bouwen. Maar de knelpunten in de pleegzorg werden er jammer genoeg
niet bij betrokken. Als de pleegzorg niet oplet missen ze toch opnieuw
weer de aansluiting bij de bredere vernieuwingen in de totale jeugdzorg.'
Hulp in Eigen Omgeving-project in
Brunssum onder leiding van
Piet Pannemans, tel. 045-5640911.