artikel uit Mobiel 5, oktober 1999

Ontvlechting: onthechting van de hulpverlening?

Door Michael Baas
redacteur Mobiel

In 1996 werd de ontvlechting in de pleegzorg daadwerkelijk in gang gezet. Plaatsing en begeleiding van pleeggezin en ouders vonden voortaan gescheiden plaats. Hiermee werd één van de aanbevelingen aan de regering uit de adviesnota 'Voorzien in Pleegzorg' gevolgd. De pleegzorg bleek er bovendien behoefte aan te hebben, om de begeleiding van pleeggezinnen te laten plaatsvinden binnen organisaties die daarvoor speciaal toegerust waren. Wat zijn de ervaringen vijf jaar later? Alleen maar positief? Of worden ook nieuwe, andere knelpunten ervaren? Pleegzorgbegeleider en redactielid Michal Baas maakt de balans op.*

Vóór 1996 was ik in mijn functie als plaatser, tegelijk maatschappelijk werker van de ouders en begeleider voor de pleegouders.
Het belangrijkste voordeel van die combinatie was dat je tot een zeer precieze afstemming kon komen van de begeleiding van het pleegkind binnen een pleeggezin. Je kreeg informatie uit de eerste hand van zowel het pleeggezin als van de ouders van het kind. En omdat je tegelijkertijd plaatser was had je ook nog contacten met de hulpverlening rondom het pleeggezin (bijvoorbeeld speltherapie voor het pleegkind) en de hulpverlening rondom de ouders.
Natuurlijk waren er ook knelpunten. Die hadden onder meer te maken met de organisatie van de pleegzorg, met de vele wisselingen van begeleiders die de pleegouders kregen. Ook gebeurde het dat bij meerdere plaatsingen in een pleeggezin, er meerdere begeleiders betrokken waren.
Soms liepen pleegouders aan tegen grote verschillen in kwaliteit en intensiteit van de begeleiding. Visieverschillen tussen de verschillende werkers leidden nogal eens tot afstemmingsproblemen, en er waren zeker ook afstemmingsproblemen tussen ouders en pleegouders.
Opvallend was toen ook dat zowel pleegouders als ouders zeer betrokken waren bij de hulpverlening. Zij wisten dat de plaatser een verbindende schakel was, die tevens de mogelijkheid had om daadwerkelijk gezag uit te oefenen.
Zelf heb ik het toentertijd nooit ervaren dat ik met een 'dubbele pet'
op zat. De combinatiefunctie vereiste wel duidelijkheid in het hulpverleningsplan voor het pleegkind.

De ontvlechting en de eerste bevindingen

Met de ontvlechting kregen nogal wat pleegouders te maken met nieuwe begeleiders in hun gezin.
Uit de eerste bevindingen van pleegouders en collega's bleek dat de meeste pleegouders erg ingenomen waren met het feit dat er nu in principe één vaste begeleider voor hun gezin zou komen. Ook werd door een aantal pleegouders als voordeel genoemd dat men nu minder het gevoel had te moeten 'onderhandelen' met de plaatser over de belangen van het kind. Deze taak werd immers overgenomen door de pleeggezinbegeleider.
Opvallend geluid uit het veld was, dat nogal wat netwerkpleegouders de nieuwe constructie onduidelijk vonden. Met name het feit wie nu welke taak kreeg, schiep bij hen veel verwarring.
Tot slot vond men de organisatie van de oudercontacten erg ondoorzichtig, omdat de (nieuwe)pleeggezinbegeleider hier nu niet meer direct verantwoordelijk voor was.

De ontvlechting een aantal jaren verder

Nu we een aantal jaren verder zijn signaleer ik uit eigen ervaring en uit het werkveld dat er ook structurele knelpunten zijn ontstaan door de ontvlechting. Structurele knelpunten waar ik als pleeggezinbegeleider veel last van heb.
Ik heb geconstateerd dat de inhoud van de hulpverlening rondom pleeggezinnen veranderd is door de ontvlechting. Ook is de afstand tussen de hulpverlening aan het kind binnen het pleeggezin enerzijds, en de ouders anderzijds fors toegenomen.
Vóór de ontvlechting kon de plaatser bij problemen in de relatie tussen ouders-kind-pleegouders, snel reageren en handelen. Bij vergelijkbare problemen op dit moment moet er eerst afstemming plaatsvinden tussen de plaatser en begeleider. Die afstemming brengt per definitie extra tijd met zich mee. Vervelender wordt het (en dat komt nogal eens voor) als de begeleider en plaatser niet tot afstemming met elkaar kunnen komen, vanwege inhoudelijke en/of persoonlijke meningsverschillen.
Ook wijzigingen in het hulpverleningsplan aan het pleegkind (bijvoorbeeld wijziging in een omgangsregeling) nemen tegenwoordig aanzienlijk meer tijd in beslag dan vroeger het geval was. Dit heeft te maken met het feit – en dit staat los van de ontvlechting – dat de huidige plaatser gebonden is aan allerlei protocollen binnen zijn organisatie als gevolg van de nieuwe wet OTS uit 1995. Maar ook dat heeft zijn weerslag op de samenwerking tussen plaatser en begeleider.
Maar wat misschien nog wel het meest knelt is mijn constatering dat de hulpverlening voor betrokkenen sinds de ontvlechting minder goed voelbaar is geworden.
Pleegkinderen hebben – veel minder dan voor de ontvlechting – het gevoel hebben dat er aan de thuissituatie 'iets gedaan wordt'. De huidige hulpverlener voor de ouders (de plaatser) is voor het pleegkind veel minder in beeld. Hij of zij komt in het algemeen ook veel minder in het pleeggezin dan vóór de ontvlechting. En ook de (gezins)voogd is iemand op afstand, een vreemde, voor het kind geworden.
Ook ouders worstelen met de ontvlochten organisatie van de pleegzorg. Ze begrijpen vaak weinig van de gang van zaken, en geven soms zelfs aan de begeleider van hun kind in het pleeggezin nog nooit te hebben gezien. Omgekeerd geldt dat de pleegzorgbegeleider nauwelijks een beeld heeft van de actuele leefsituatie van de ouders van het kind.
Plaatsers ten slotte vinden het moeilijker om een goed beeld van de ontwikkeling van het pleegkind aan de ouders te geven, omdat men nu eenmaal minder vaak in het pleeggezin komt.

Alternatieven?

Pleegouders zijn in eerste instantie opvoedende ouders en geen hulpverleners. Deze positie vereist voor alle betrokkenen een toegankelijke, inzichtelijke, heldere en praktische hulpverleningsorganisatie. Maar de pleegzorg is sinds de ontvlechting in zijn huidige uitwerking het tegendeel. De organisatie van de pleegzorg is ondoorzichtig voor pleegkind en ouders (wie doet wat?), en er gaat veel te veel tijd en 'ruis' zitten in de afstemming tussen plaatser en begeleider (voorheen 1 hulpverlener, nu 2 hulpverleners). Kortom, mijns inziens heeft de ontvlechting tot dusver alleen maar de bureaucratie bevorderd.
Het zou zeker niet mijn idee zijn om nu de gehele organisatie van de pleegzorg weer op de helling te zetten. Het grote voordeel van de ontvlechting is immers wel dat er nu hulpverleningsorganisaties zijn die zich toegelegd hebben op de pleegzorg, de Voorzieningen voor Pleegzorg (VVP's). Bovendien zijn er over het algemeen minder wisselingen in begeleidingen aan pleeggezinnen.
Maar het kan in mijn ogen beter, doorzichtiger en praktischer georganiseerd worden.
De begeleiding van het pleegkind en een deel van de begeleiding van de ouders zouden weer in één hand moeten komen te liggen. Het aandeel in de ouderbegeleiding van de VVP moet die onderdelen van de begeleiding bevatten die betrekking hebben op de relatie ouder-pleegkind. Dit deel hoort mijns inziens bij de VVP's.
De coördinatie van de overige ondersteuning van de ouders (bijvoorbeeld: huisvesting, schuldsanering) kan bij de plaatser blijven.
In deze constructie zou de plaatser, meer dan voorheen, zijn toetsende functie naar de VVP kunnen innemen. Hij kan in principe aanwezig zijn bij alle evaluaties, en als het nodig is bijvoorbeeld bij kortverblijfplaatsingen en terugplaatsingen naar de ouders, in een tijdelijk oplopende frequentie.
In zijn toetsende rol moet de plaatser beoordelen of de VVP de gewenste kwaliteit in begeleiding geeft, waardoor het pleegkind optimaal kan opgroeien.
Naar mijn idee kan de pleegzorg met deze aanzet voor verbeteringen beter functioneren.
Als de rijks- en provinciale overheid nu ook bereid zou zijn om de aanbevolen bedragen uit de nota 'Voorzien in Pleegzorg' echt in te zetten, zou de kwaliteit van begeleiding en ondersteuning in de pleegzorg sterk kunnen verbeteren.
Want het is nog steeds te gek voor woorden dat de meest goedkope vorm van niet ambulante hulpverlening, waar bovendien de minst vroegtijdige uitval is, het met zo weinig financiële ondersteuning van de overheid moet doen.

*Al vr de ontvlechting werkte ik als pleeggezinbegeleider en inmiddels kan ik enige jaren werkervaring met de ontvlechting op mijn curriculum vitae bijschrijven. Dit artikel beschrijft niet alleen mijn persoonlijke werkervaringen, maar het is ook de weerslag van een regelmatige gedachtenwisseling met pleegouders, met pleegkinderen en met collegas over het onderwerp pleegzorg na de ontvlechting.

De redactie wil graag een discussie met haar lezers aangaan over dit onderwerp. Reacties zijn van harte welkom.