In 1996 werd de ontvlechting in de pleegzorg
daadwerkelijk in gang gezet. Plaatsing en begeleiding van pleeggezin
en ouders vonden voortaan gescheiden plaats. Hiermee werd één
van de aanbevelingen aan de regering uit de adviesnota 'Voorzien in
Pleegzorg' gevolgd. De pleegzorg bleek er bovendien behoefte aan te
hebben, om de begeleiding van pleeggezinnen te laten plaatsvinden
binnen organisaties die daarvoor speciaal toegerust waren. Wat zijn
de ervaringen vijf jaar later? Alleen maar positief? Of worden ook
nieuwe, andere knelpunten ervaren? Pleegzorgbegeleider en redactielid
Michal Baas maakt de balans op.*
Vóór 1996 was ik in mijn functie
als plaatser, tegelijk maatschappelijk werker van de ouders en begeleider
voor de pleegouders.
Het belangrijkste voordeel van die combinatie was dat je tot een zeer
precieze afstemming kon komen van de begeleiding van het pleegkind
binnen een pleeggezin. Je kreeg informatie uit de eerste hand van
zowel het pleeggezin als van de ouders van het kind. En omdat je tegelijkertijd
plaatser was had je ook nog contacten met de hulpverlening rondom
het pleeggezin (bijvoorbeeld speltherapie voor het pleegkind) en de
hulpverlening rondom de ouders.
Natuurlijk waren er ook knelpunten. Die hadden onder meer te maken
met de organisatie van de pleegzorg, met de vele wisselingen van begeleiders
die de pleegouders kregen. Ook gebeurde het dat bij meerdere plaatsingen
in een pleeggezin, er meerdere begeleiders betrokken waren.
Soms liepen pleegouders aan tegen grote verschillen in kwaliteit en
intensiteit van de begeleiding. Visieverschillen tussen de verschillende
werkers leidden nogal eens tot afstemmingsproblemen, en er waren zeker
ook afstemmingsproblemen tussen ouders en pleegouders.
Opvallend was toen ook dat zowel pleegouders als ouders zeer betrokken
waren bij de hulpverlening. Zij wisten dat de plaatser een verbindende
schakel was, die tevens de mogelijkheid had om daadwerkelijk gezag
uit te oefenen.
Zelf heb ik het toentertijd nooit ervaren dat ik met een 'dubbele
pet' op zat. De combinatiefunctie vereiste
wel duidelijkheid in het hulpverleningsplan voor het pleegkind.
De ontvlechting en de eerste bevindingen
Met de ontvlechting kregen nogal wat pleegouders
te maken met nieuwe begeleiders in hun gezin.
Uit de eerste bevindingen van pleegouders en collega's bleek dat de
meeste pleegouders erg ingenomen waren met het feit dat er nu in principe
één vaste begeleider voor hun gezin zou komen. Ook werd
door een aantal pleegouders als voordeel genoemd dat men nu minder
het gevoel had te moeten 'onderhandelen' met de plaatser over de belangen
van het kind. Deze taak werd immers overgenomen door de pleeggezinbegeleider.
Opvallend geluid uit het veld was, dat nogal wat netwerkpleegouders
de nieuwe constructie onduidelijk vonden. Met name het feit wie nu
welke taak kreeg, schiep bij hen veel verwarring.
Tot slot vond men de organisatie van de oudercontacten erg ondoorzichtig,
omdat de (nieuwe)pleeggezinbegeleider hier nu niet meer direct verantwoordelijk
voor was.
De ontvlechting een
aantal jaren verder
Nu we een aantal jaren verder zijn signaleer
ik uit eigen ervaring en uit het werkveld dat er ook structurele knelpunten
zijn ontstaan door de ontvlechting. Structurele knelpunten waar ik
als pleeggezinbegeleider veel last van heb.
Ik heb geconstateerd dat de inhoud van de hulpverlening rondom pleeggezinnen
veranderd is door de ontvlechting. Ook is de afstand tussen de hulpverlening
aan het kind binnen het pleeggezin enerzijds, en de ouders anderzijds
fors toegenomen.
Vóór de ontvlechting kon de plaatser bij problemen in
de relatie tussen ouders-kind-pleegouders, snel reageren en handelen.
Bij vergelijkbare problemen op dit moment moet er eerst afstemming
plaatsvinden tussen de plaatser en begeleider. Die afstemming brengt
per definitie extra tijd met zich mee. Vervelender wordt het (en dat
komt nogal eens voor) als de begeleider en plaatser niet tot afstemming
met elkaar kunnen komen, vanwege inhoudelijke en/of persoonlijke meningsverschillen.
Ook wijzigingen in het hulpverleningsplan aan het pleegkind (bijvoorbeeld
wijziging in een omgangsregeling) nemen tegenwoordig aanzienlijk meer
tijd in beslag dan vroeger het geval was. Dit heeft te maken met het
feit – en dit staat los van de ontvlechting – dat de huidige
plaatser gebonden is aan allerlei protocollen binnen zijn organisatie
als gevolg van de nieuwe wet OTS uit 1995. Maar ook dat heeft zijn
weerslag op de samenwerking tussen plaatser en begeleider.
Maar wat misschien nog wel het meest knelt is mijn constatering dat
de hulpverlening voor betrokkenen sinds de ontvlechting minder goed
voelbaar is geworden.
Pleegkinderen hebben – veel minder dan voor de ontvlechting –
het gevoel hebben dat er aan de thuissituatie 'iets gedaan wordt'.
De huidige hulpverlener voor de ouders (de plaatser) is voor het pleegkind
veel minder in beeld. Hij of zij komt in het algemeen ook veel minder
in het pleeggezin dan vóór de ontvlechting. En ook de
(gezins)voogd is iemand op afstand, een vreemde, voor het kind geworden.
Ook ouders worstelen met de ontvlochten organisatie van de pleegzorg.
Ze begrijpen vaak weinig van de gang van zaken, en geven soms zelfs
aan de begeleider van hun kind in het pleeggezin nog nooit te hebben
gezien. Omgekeerd geldt dat de pleegzorgbegeleider nauwelijks een
beeld heeft van de actuele leefsituatie van de ouders van het kind.
Plaatsers ten slotte vinden het moeilijker om een goed beeld van de
ontwikkeling van het pleegkind aan de ouders te geven, omdat men nu
eenmaal minder vaak in het pleeggezin komt.
Alternatieven?
Pleegouders zijn in eerste instantie opvoedende
ouders en geen hulpverleners. Deze positie vereist voor alle betrokkenen
een toegankelijke, inzichtelijke, heldere en praktische hulpverleningsorganisatie.
Maar de pleegzorg is sinds de ontvlechting in zijn huidige uitwerking
het tegendeel. De organisatie van de pleegzorg is ondoorzichtig voor
pleegkind en ouders (wie doet wat?), en er gaat veel te veel tijd
en 'ruis' zitten in de afstemming tussen plaatser en begeleider (voorheen
1 hulpverlener, nu 2 hulpverleners). Kortom, mijns inziens heeft de
ontvlechting tot dusver alleen maar de bureaucratie bevorderd.
Het zou zeker niet mijn idee zijn om nu de gehele organisatie van
de pleegzorg weer op de helling te zetten. Het grote voordeel van
de ontvlechting is immers wel dat er nu hulpverleningsorganisaties
zijn die zich toegelegd hebben op de pleegzorg, de Voorzieningen voor
Pleegzorg (VVP's). Bovendien zijn er over het algemeen minder wisselingen
in begeleidingen aan pleeggezinnen.
Maar het kan in mijn ogen beter, doorzichtiger en praktischer georganiseerd
worden.
De begeleiding van het pleegkind en een deel van de begeleiding van
de ouders zouden weer in één hand moeten komen te liggen.
Het aandeel in de ouderbegeleiding van de VVP moet die onderdelen
van de begeleiding bevatten die betrekking hebben op de relatie ouder-pleegkind.
Dit deel hoort mijns inziens bij de VVP's.
De coördinatie van de overige ondersteuning van de ouders (bijvoorbeeld:
huisvesting, schuldsanering) kan bij de plaatser blijven.
In deze constructie zou de plaatser, meer dan voorheen, zijn toetsende
functie naar de VVP kunnen innemen. Hij kan in principe aanwezig zijn
bij alle evaluaties, en als het nodig is bijvoorbeeld bij kortverblijfplaatsingen
en terugplaatsingen naar de ouders, in een tijdelijk oplopende frequentie.
In zijn toetsende rol moet de plaatser beoordelen of de VVP de gewenste
kwaliteit in begeleiding geeft, waardoor het pleegkind optimaal kan
opgroeien.
Naar mijn idee kan de pleegzorg met deze aanzet voor verbeteringen
beter functioneren.
Als de rijks- en provinciale overheid nu ook bereid zou zijn om de
aanbevolen bedragen uit de nota 'Voorzien in Pleegzorg' echt in te
zetten, zou de kwaliteit van begeleiding en ondersteuning in de pleegzorg
sterk kunnen verbeteren.
Want het is nog steeds te gek voor woorden dat de meest goedkope vorm
van niet ambulante hulpverlening, waar bovendien de minst vroegtijdige
uitval is, het met zo weinig financiële ondersteuning van de
overheid moet doen.
*Al vr de ontvlechting werkte
ik als pleeggezinbegeleider en inmiddels kan ik enige jaren werkervaring
met de ontvlechting op mijn curriculum vitae bijschrijven. Dit artikel
beschrijft niet alleen mijn persoonlijke werkervaringen, maar het
is ook de weerslag van een regelmatige gedachtenwisseling met pleegouders,
met pleegkinderen en met collegas over het onderwerp pleegzorg na
de ontvlechting.
De redactie wil graag een discussie
met haar lezers aangaan over dit onderwerp. Reacties zijn van harte
welkom.