artikel uit Mobiel 5, oktober 1999

Pleegouder, dat ben je toch gewoon ...

Door Luk Robbroeckx en Ilse Tamrouti-Makkink
Instituut voor Orthopedagogiek, afd. Gezin en Gedrag, Universiteit van Nijmegen

Wie is toch die pleegouder, waarvan er enkele duizenden in ons land – vaak onopvallend – de zorg en opvoeding voor kinderen van anderen op zich nemen?
Moet je een modelgezin zijn of aan extra eisen voldoen, bijvoorbeeld op gebied van werken, vrije tijd of gezinssamenstelling om voor pleegouderschap in aanmerking te komen?
Wie eenmaal pleegouder is, weet wat het betekent om van ouder pleegouder te worden. Velen zullen dan ook onmiddellijk willen bevestigen dat ze in niets verschillen van andere ouders, niet qua gezinssamenstelling, scholing, levensomstandigheden of levenshouding. Maar is dat ook een reëel beeld van pleegouders?
Wat betekent het in de praktijk om pleegouder te zijn? Hoe zijn pleegouders het best te typeren? Wat offer je als pleegouder er voor op? Hoe pak je het samen aan? Wat bemoeilijkt je taak en wat zou pleegzorg nog aantrekkelijker kunnen maken?

Op deze en andere vragen is eind 1998 een antwoord gezocht door middel van een onderzoek om aan de hand van feitenmateriaal een beeld te kunnen schetsen van het Nederlandse pleeggezin.
In samenwerking met de Voorzieningen voor Pleegzorg in Friesland, Zuid-Holland-Zuid, Limburg en Midden-Brabant werden 220 pleeggezinnen benaderd om een enquête in te vullen over karakteristieke kenmerken van hun gezin, de wijze van functioneren en wensen ter verandering of verbetering van de pleegzorgsituatie.
Het aantal teruggestuurde formulieren (88) laat toe om een representatief beeld van de werkelijkheid in pleeggezinnen te schetsen.

Hoe is het Nederlandse pleeggezin te typeren?

De Nederlandse pleeggezinnen zijn in feite in niets te onderscheiden van het doorsnee Nederlandse gezin. Twee-oudergezinnen, één-oudergezinnen, en gezinnen waarvan de partners tot hetzelfde geslacht behoren, zijn vrijwel even goed vertegenwoordigd in de pleegzorg als in onze samenleving. Zij zijn in hoofdzaak gehuwd, qua aantal iets minder dan het landelijke gemiddelde. Gescheiden ouders, weduwen en mensen met samenlevingscontracten komen in mindere mate voor, maar vormen samen toch een belangrijk deel van de groep pleegouders. Wat de leeftijd betreft, zien we dat het merendeel van de pleegvaders tussen de 40 en 50 jaar oud is of ouder dan 50 jaar; de pleegmoeders zijn eveneens gemiddeld tussen de 40 en 50 jaar oud en in een kwart van de gevallen tussen de 30 en 40 jaar oud (tegenover één vijfde van de pleegvaders).
Pleegvaders met een hogere opleiding zijn sterker vertegenwoordigd dan op grond van landelijke cijfers mag worden verwacht, dit in tegenstelling tot pleegmoeders met een hogere opleiding, die ondervertegenwoordigd zijn. Mensen met lagere beroepsopleidingen of MAVO zijn ondervertegenwoordigd in vergelijking met landelijke cijfers. Ruim de helft van de pleegmoeders en drievierde van de pleegvaders werken, vooral in loondienst. Circa 9% van de pleegmoeders met een baan en 35% van de werkende pleegvaders hebben leidinggevende posities. Zij zijn, in vergelijking met cijfers uit een landelijk representatief onderzoek onder gezinnen, beduidend meer vertegenwoordigd in de hogere salarisgroepen. Alle vaders die niet werken, ontvangen een uitkering tegenover slechts 18 % van de niet werkende pleegmoeders.
Pleegouders met één of twee eigen kinderen zijn ondervertegenwoordigd. Pleeggezinnen daarentegen zonder kinderen (20%) of met meer dan drie kinderen (36%) zijn oververtegenwoordigd in vergelijking met landelijke cijfers. 60% van hen heeft één pleegkind. 20% heeft twee pleegkinderen en 18% heeft drie of meer pleegkinderen. Iets meer jongens dan meisjes zijn in de pleeggezinnen opgenomen. Bijna driekwart van alle pleegkinderen zijn jonger dan 13 jaar, tegenover slechts 44% van de eigen kinderen.
Driekwart van de pleegkinderen hebben geen familie- of netwerkrelatie met hun pleegouders. De netwerkpleegkinderen zijn minder vertegenwoordigd dan mag worden verwacht.
Zeer opmerkelijk is dat 25% van de pleegkinderen speciaal onderwijs volgen, tegenover slechts 0,8% van de eigen kinderen.

Hoe functioneert het Nederlandse pleeggezin?

In bijna de helft van de pleeggezinnen werken beide pleegouders (44 %). In 34% werkt alleen pleegvader en in 6,7% werkt alleen pleegmoeder. In 12,5% van de gezinnen werken geen van beide ouders.
De gezinnen waar beide ouders fulltime werken, hebben gemiddeld iets meer pleegkinderen dan ouders die beiden parttime werken. Ook alleenstaande moeders hebben gemiddeld meer pleegkinderen dan de gezinnen met twee opvoeders. Het merendeel van de pleeggezinnen maakt dan ook gebruik van extra huishoudelijke hulp, terwijl ze tegelijkertijd aangeven dat de meeste taken op het gebied van zorg en opvoeding gelijkelijk verdeeld worden tussen beide partners, hetzij in het weekend, hetzij verspreid over alle dagen van de week. Van rolwisseling is echter nog niet veel sprake. Vooral de moeders besteden de meeste tijd aan de pleegkinderen, ook 's nachts indien nodig. Bijna tweederde van de pleegmoeders en tweevijfde van de vaders investeren heel wat tijd in het begeleiden van het pleegkind buiten het gezin, bijvoorbeeld om het kind naar school, clubs ed. te vervoeren. Ook de eigen kinderen worden in de helft van de gezinnen ingeschakeld ter ontlasting van de taken.
Het pleegouder-zijn gaat redelijk samen met werk, zorg en vrije tijd, alhoewel de helft van de moeders en eenderde van de vaders aangeeft ook belemmeringen te voelen. Men moet meer thuis zijn, opvang regelen, minder uren werken. 36% van de moeders tegenover slechts 9% van de vaders hebben veranderingen in hun werksituatie, variërend van minder werken tot een nieuwe baan zoeken, moeten aanbrengen om voor de pleegkinderen te kunnen zorgen. Ook voor de leuke dingen in de vrije tijd is minder ruimte. Ook hier zien we dat vooral de moeders, maar ook de vaders hun vrijetijdsbesteding drastisch hebben ingeperkt. Met name activiteiten met de eigen partner komen in het gedrang. De zorg voor de pleegkinderen vergt veel; soms ook ten koste van de zorg en opvoeding van de eigen kinderen, terwijl dit een aspect is waaraan men liever niet wil tornen.
Daarom willen pleegouders ook verandering in hun situatie.

Welke veranderingen wil het Nederlandse pleeggezin in hun situatie ?

Pleegouders zoeken veranderingen in verschillende richtingen, zonder een uitgesproken voorkeur aan te geven, zij het dat pleegmoeders meer een uitgesproken mening hebben dan de pleegvaders. Vrijwel altijd is de verhouding drievierde van de pleegmoeders tegenover tweederde van de pleegvaders die een positieve mening hebben ten aanzien van concrete wensen tot verandering. Wensen ten aanzien van flexibel werken concurreren met gedachten over een betere pleegzorgvergoeding of belastingfaciliteiten. Steun bij de verzorging of opvoeding door een oppas op piekmomenten, o.a. in het weekend, verdient evenveel de voorkeur als bijvoorbeeld 'betaald verlof' in de vorm van ouderschapsverlof, maar ook pedagogische ondersteuning wordt door een kleine groep genoemd als hulpmiddel. Geconfronteerd met een aantal praktijksituaties, waarin keuzes voor verandering werden verwerkt, zien we ondanks de hierboven genoemde voorkeuren, een duidelijke weerstand bij ongeveer 20% van de ondervraagden wat betreft de suggestie voor een pleegoudersalaris. Pleegmoeders en pleegvaders tonen hierin een grote eensluidendheid.

Wat te denken van het doorsnee Nederlandse pleeggezin?

Pleegouders nemen de zorg voor een pleegkind niet op zich voor het geld. Integendeel. Menig pleegouder neemt de gevolgen van pleegouderschap voor lief: arbeid aanpassen, minder werken en verdienen, betaalde oppas zoeken, vrije tijd opofferen en zorg verdelen tussen de gezinsleden, soms ten koste van de eigen kinderen wordt voor lief genomen. Toch is er geld nodig. Het blijkt dat verrassend veel pleegouders tweeverdieners zijn, in de boven-modale inkomensgroep te vinden zijn en daardoor niet alleen werk en zorg combineren, maar juist ook daarom misschien kans zien om een kind extra in hun gezin op te nemen. Een verklaring kan zijn dat een hoger gezamenlijk inkomen pleegzorg meer mogelijk maakt. Zeer noemenswaardig is de groep alleenstaande pleegouders. Gemiddeld hebben ze iets meer pleegkinderen dan andere pleegouders en evenveel als pleeggezinnen, waarin vader fulltime werkt en moeder thuis werkt, terwijl de financiële middelen niet altijd groot zijn en de combinatie zorg en arbeid extra op hun schouders drukt.
Alles wijst er op dat pleegouders geneigd zijn om pleegkinderen op te nemen als men zelf al iets ouder is of als men een gedeelte van de opvoeding van de eigen kinderen achter de rug heeft. Naast de financiële ruimte die men heeft of die dit biedt, benut men dus ook de 'pedagogische' ruimte. Er is weer tijd om aandacht aan een 'ander' kind te besteden.

De groep kinderen die speciaal onderwijs volgen is best groot. De zorg voor pleegkinderen gaat dus verder dan de zorg in het gezin. Het volgen, begeleiden en stimuleren van de kinderen in hun schoolse activiteiten zal vaak op de schouders van de pleegouders terechtkomen.
Pleegouders zijn te vinden in alle lagen van de bevolking en – wat de onderzochte kenmerken betreft – onderscheiden ze zich in feite nauwelijks van andere gezinnen. We durven daarom ook de conclusie te trekken dat pleegouders geen speciale groep in onze samenleving is. Iedereen zou pleegouder kunnen zijn. Het bijzondere echter van pleegouders schuilt in de inzet die men toont. Er gebeurt nogal wat in het gezin, wat extra aandacht en zorg vraagt. Men weet het – zonder klagen – te combineren met werk en men realiseert zich terdege dat vrije tijd en zorg onderhevig zijn aan de beslissing om een pleegkind in huis te nemen. Maar ook daarin zien we een tendens dat pleegouders over een grote draagkracht beschikken of willen opbrengen om te slagen. Liever zaken voor lief nemen, zoals minder sociale contacten, inperking van vrije tijd, appèl doen op de zelfstandigheid van de eigen kinderen, meer inzetbaar zijn bij begeleiding van het kind buitenshuis en eventueel extra hulp, dan afstand nemen van de opvoeding.

Kortom, iedereen kan zich herkennen in een pleegouder. Wat we niet gevraagd hebben, maar 'achter' deze resultaten vermoeden, is de aanwezigheid van een open, warme, sociale en gevoelsmatige atmosfeer en instelling. Deze begrippen kan men 'soft' noemen, maar zij vormen wellicht de verklaring voor wat men wenst te doen, ondanks de zorg voor eigen gezin, de verantwoordelijkheid voor werk en de beperking in de ontspanning.
Als pleegouders dan wensen hebben, voor meer ruimte in de vorm van flexibiliteit in het werk, of ouderschapsverlof en in de vorm van een juistere vergoeding of tegemoetkoming in de belastingsfeer, dan verdienen deze eigenlijk gehonoreerd te worden om hun bijdrage in de Jeugdhulpverlening te erkennen, net zoals het werk van alle andere, betaalde, hulpverleners.