Wie is toch die pleegouder, waarvan
er enkele duizenden in ons land – vaak onopvallend – de zorg
en opvoeding voor kinderen van anderen op zich nemen?
Moet je een modelgezin zijn of aan extra eisen voldoen, bijvoorbeeld
op gebied van werken, vrije tijd of gezinssamenstelling om voor pleegouderschap
in aanmerking te komen?
Wie eenmaal pleegouder is, weet wat het betekent om van ouder pleegouder
te worden. Velen zullen dan ook onmiddellijk willen bevestigen dat ze
in niets verschillen van andere ouders, niet qua gezinssamenstelling,
scholing, levensomstandigheden of levenshouding. Maar is dat ook een
reëel beeld van pleegouders?
Wat betekent het in de praktijk om pleegouder te zijn? Hoe zijn pleegouders
het best te typeren? Wat offer je als pleegouder er voor op? Hoe pak
je het samen aan? Wat bemoeilijkt je taak en wat zou pleegzorg nog aantrekkelijker
kunnen maken?
Op deze en andere vragen is eind 1998 een
antwoord gezocht door middel van een onderzoek om aan de hand van
feitenmateriaal een beeld te kunnen schetsen van het Nederlandse pleeggezin.
In samenwerking met de Voorzieningen voor Pleegzorg in Friesland,
Zuid-Holland-Zuid, Limburg en Midden-Brabant werden 220 pleeggezinnen
benaderd om een enquête in te vullen over karakteristieke kenmerken
van hun gezin, de wijze van functioneren en wensen ter verandering
of verbetering van de pleegzorgsituatie.
Het aantal teruggestuurde formulieren (88) laat toe om een representatief
beeld van de werkelijkheid in pleeggezinnen te schetsen.
Hoe is het Nederlandse pleeggezin te typeren?
De Nederlandse pleeggezinnen zijn in feite
in niets te onderscheiden van het doorsnee Nederlandse gezin. Twee-oudergezinnen,
één-oudergezinnen, en gezinnen waarvan de partners tot
hetzelfde geslacht behoren, zijn vrijwel even goed vertegenwoordigd
in de pleegzorg als in onze samenleving. Zij zijn in hoofdzaak gehuwd,
qua aantal iets minder dan het landelijke gemiddelde. Gescheiden ouders,
weduwen en mensen met samenlevingscontracten komen in mindere mate
voor, maar vormen samen toch een belangrijk deel van de groep pleegouders.
Wat de leeftijd betreft, zien we dat het merendeel van de pleegvaders
tussen de 40 en 50 jaar oud is of ouder dan 50 jaar; de pleegmoeders
zijn eveneens gemiddeld tussen de 40 en 50 jaar oud en in een kwart
van de gevallen tussen de 30 en 40 jaar oud (tegenover één
vijfde van de pleegvaders).
Pleegvaders met een hogere opleiding zijn sterker vertegenwoordigd
dan op grond van landelijke cijfers mag worden verwacht, dit in tegenstelling
tot pleegmoeders met een hogere opleiding, die ondervertegenwoordigd
zijn. Mensen met lagere beroepsopleidingen of MAVO zijn ondervertegenwoordigd
in vergelijking met landelijke cijfers. Ruim de helft van de pleegmoeders
en drievierde van de pleegvaders werken, vooral in loondienst. Circa
9% van de pleegmoeders met een baan en 35% van de werkende pleegvaders
hebben leidinggevende posities. Zij zijn, in vergelijking met cijfers
uit een landelijk representatief onderzoek onder gezinnen, beduidend
meer vertegenwoordigd in de hogere salarisgroepen. Alle vaders die
niet werken, ontvangen een uitkering tegenover slechts 18 % van de
niet werkende pleegmoeders.
Pleegouders met één of twee eigen kinderen zijn ondervertegenwoordigd.
Pleeggezinnen daarentegen zonder kinderen (20%) of met meer dan drie
kinderen (36%) zijn oververtegenwoordigd in vergelijking met landelijke
cijfers. 60% van hen heeft één pleegkind. 20% heeft
twee pleegkinderen en 18% heeft drie of meer pleegkinderen. Iets meer
jongens dan meisjes zijn in de pleeggezinnen opgenomen. Bijna driekwart
van alle pleegkinderen zijn jonger dan 13 jaar, tegenover slechts
44% van de eigen kinderen.
Driekwart van de pleegkinderen hebben geen familie- of netwerkrelatie
met hun pleegouders. De netwerkpleegkinderen zijn minder vertegenwoordigd
dan mag worden verwacht.
Zeer opmerkelijk is dat 25% van de pleegkinderen speciaal onderwijs
volgen, tegenover slechts 0,8% van de eigen kinderen.
Hoe functioneert het Nederlandse pleeggezin?
In bijna de helft van de pleeggezinnen werken
beide pleegouders (44 %). In 34% werkt alleen pleegvader en in 6,7%
werkt alleen pleegmoeder. In 12,5% van de gezinnen werken geen van
beide ouders.
De gezinnen waar beide ouders fulltime werken, hebben gemiddeld iets
meer pleegkinderen dan ouders die beiden parttime werken. Ook alleenstaande
moeders hebben gemiddeld meer pleegkinderen dan de gezinnen met twee
opvoeders. Het merendeel van de pleeggezinnen maakt dan ook gebruik
van extra huishoudelijke hulp, terwijl ze tegelijkertijd aangeven
dat de meeste taken op het gebied van zorg en opvoeding gelijkelijk
verdeeld worden tussen beide partners, hetzij in het weekend, hetzij
verspreid over alle dagen van de week. Van rolwisseling is echter
nog niet veel sprake. Vooral de moeders besteden de meeste tijd aan
de pleegkinderen, ook 's nachts indien nodig. Bijna tweederde van
de pleegmoeders en tweevijfde van de vaders investeren heel wat tijd
in het begeleiden van het pleegkind buiten het gezin, bijvoorbeeld
om het kind naar school, clubs ed. te vervoeren. Ook de eigen kinderen
worden in de helft van de gezinnen ingeschakeld ter ontlasting van
de taken.
Het pleegouder-zijn gaat redelijk samen met werk, zorg en vrije tijd,
alhoewel de helft van de moeders en eenderde van de vaders aangeeft
ook belemmeringen te voelen. Men moet meer thuis zijn, opvang regelen,
minder uren werken. 36% van de moeders tegenover slechts 9% van de
vaders hebben veranderingen in hun werksituatie, variërend van
minder werken tot een nieuwe baan zoeken, moeten aanbrengen om voor
de pleegkinderen te kunnen zorgen. Ook voor de leuke dingen in de
vrije tijd is minder ruimte. Ook hier zien we dat vooral de moeders,
maar ook de vaders hun vrijetijdsbesteding drastisch hebben ingeperkt.
Met name activiteiten met de eigen partner komen in het gedrang. De
zorg voor de pleegkinderen vergt veel; soms ook ten koste van de zorg
en opvoeding van de eigen kinderen, terwijl dit een aspect is waaraan
men liever niet wil tornen.
Daarom willen pleegouders ook verandering in hun situatie.
Welke veranderingen wil het Nederlandse
pleeggezin in hun situatie ?
Pleegouders zoeken veranderingen in verschillende
richtingen, zonder een uitgesproken voorkeur aan te geven, zij het
dat pleegmoeders meer een uitgesproken mening hebben dan de pleegvaders.
Vrijwel altijd is de verhouding drievierde van de pleegmoeders tegenover
tweederde van de pleegvaders die een positieve mening hebben ten aanzien
van concrete wensen tot verandering. Wensen ten aanzien van flexibel
werken concurreren met gedachten over een betere pleegzorgvergoeding
of belastingfaciliteiten. Steun bij de verzorging of opvoeding door
een oppas op piekmomenten, o.a. in het weekend, verdient evenveel
de voorkeur als bijvoorbeeld 'betaald verlof' in de vorm van ouderschapsverlof,
maar ook pedagogische ondersteuning wordt door een kleine groep genoemd
als hulpmiddel. Geconfronteerd met een aantal praktijksituaties, waarin
keuzes voor verandering werden verwerkt, zien we ondanks de hierboven
genoemde voorkeuren, een duidelijke weerstand bij ongeveer 20% van
de ondervraagden wat betreft de suggestie voor een pleegoudersalaris.
Pleegmoeders en pleegvaders tonen hierin een grote eensluidendheid.
Wat te denken van het doorsnee Nederlandse
pleeggezin?
Pleegouders nemen de zorg voor een pleegkind
niet op zich voor het geld. Integendeel. Menig pleegouder neemt de
gevolgen van pleegouderschap voor lief: arbeid aanpassen, minder werken
en verdienen, betaalde oppas zoeken, vrije tijd opofferen en zorg
verdelen tussen de gezinsleden, soms ten koste van de eigen kinderen
wordt voor lief genomen. Toch is er geld nodig. Het blijkt dat verrassend
veel pleegouders tweeverdieners zijn, in de boven-modale inkomensgroep
te vinden zijn en daardoor niet alleen werk en zorg combineren, maar
juist ook daarom misschien kans zien om een kind extra in hun gezin
op te nemen. Een verklaring kan zijn dat een hoger gezamenlijk inkomen
pleegzorg meer mogelijk maakt. Zeer noemenswaardig is de groep alleenstaande
pleegouders. Gemiddeld hebben ze iets meer pleegkinderen dan andere
pleegouders en evenveel als pleeggezinnen, waarin vader fulltime werkt
en moeder thuis werkt, terwijl de financiële middelen niet altijd
groot zijn en de combinatie zorg en arbeid extra op hun schouders
drukt.
Alles wijst er op dat pleegouders geneigd zijn om pleegkinderen op
te nemen als men zelf al iets ouder is of als men een gedeelte van
de opvoeding van de eigen kinderen achter de rug heeft. Naast de financiële
ruimte die men heeft of die dit biedt, benut men dus ook de 'pedagogische'
ruimte. Er is weer tijd om aandacht aan een 'ander' kind te besteden.
De groep kinderen die speciaal onderwijs volgen
is best groot. De zorg voor pleegkinderen gaat dus verder dan de zorg
in het gezin. Het volgen, begeleiden en stimuleren van de kinderen
in hun schoolse activiteiten zal vaak op de schouders van de pleegouders
terechtkomen.
Pleegouders zijn te vinden in alle lagen van de bevolking en –
wat de onderzochte kenmerken betreft – onderscheiden ze zich
in feite nauwelijks van andere gezinnen. We durven daarom ook de conclusie
te trekken dat pleegouders geen speciale groep in onze samenleving
is. Iedereen zou pleegouder kunnen zijn. Het bijzondere echter van
pleegouders schuilt in de inzet die men toont. Er gebeurt nogal wat
in het gezin, wat extra aandacht en zorg vraagt. Men weet het –
zonder klagen – te combineren met werk en men realiseert zich
terdege dat vrije tijd en zorg onderhevig zijn aan de beslissing om
een pleegkind in huis te nemen. Maar ook daarin zien we een tendens
dat pleegouders over een grote draagkracht beschikken of willen opbrengen
om te slagen. Liever zaken voor lief nemen, zoals minder sociale contacten,
inperking van vrije tijd, appèl doen op de zelfstandigheid
van de eigen kinderen, meer inzetbaar zijn bij begeleiding van het
kind buitenshuis en eventueel extra hulp, dan afstand nemen van de
opvoeding.
Kortom, iedereen kan zich herkennen in een
pleegouder. Wat we niet gevraagd hebben, maar 'achter' deze resultaten
vermoeden, is de aanwezigheid van een open, warme, sociale en gevoelsmatige
atmosfeer en instelling. Deze begrippen kan men 'soft' noemen, maar
zij vormen wellicht de verklaring voor wat men wenst te doen, ondanks
de zorg voor eigen gezin, de verantwoordelijkheid voor werk en de
beperking in de ontspanning.
Als pleegouders dan wensen hebben, voor meer ruimte in de vorm van
flexibiliteit in het werk, of ouderschapsverlof en in de vorm van
een juistere vergoeding of tegemoetkoming in de belastingsfeer, dan
verdienen deze eigenlijk gehonoreerd te worden om hun bijdrage in
de Jeugdhulpverlening te erkennen, net zoals het werk van alle andere,
betaalde, hulpverleners.