In een woonkamer zitten vier volwassenen onwennig
bij elkaar: de ouders van Lonnie op bezoek bij de pleegouders. Lonnie
zit met tekenpapier en viltstiften aan de eettafel en roept dat hij
pappa en mamma zal tekenen. Die mogen van Lonnie niet meer bewegen.
Maar vader vindt dat niks. Hij draait van een plukje tabak een sigaret
en zakt naast zijn vrouw achterover in de bank. "De volgende keer
willen we eens wat leuk speelgoed voor hem meenemen", zegt vader.
Pleegvader Karel staat op, wrijft zich in de handen en kijkt zijn
vrouw Bep aan en zegt: "Allemaal nog koffie"? "En mag ik cola?", roept
Lonnie. Hij bestudeert het gezicht van zijn moeder. Haar neus staat
een beetje scheef, moeilijk om na te tekenen. Na veel gummen tekent
hij dan maar een rechte neus. Haar ogen groot en blauw. Haar lippen
rood. Ze praat met pappie Karel, maar Lonnie hoort niets meer. Daar
zit zijn moeder, zijn moeder die op de markt riep dat hij uit haar
buik is gekomen en niet uit de buik van wie dan ook. Zijn moeder die
was vergeten dat ze hem in bad had gezet toen ze met een vriend aan
het stappen was, en zijn vader in de gevangenis zat. Zijn moeder die
tegen zijn vader schreeuwde dat Lonnie een vergissing was geweest.
Lonnie wil zo graag het haar
van zijn moeder tekenen, maar zijn hand met de viltstift ligt verkrampt
op tafel. Zijn blik blijft op zijn moeder gericht. Zij wuift naar
hem en Lonnie hapt naar adem, als een vis op het droge. Zweetdruppels
prikken in zijn ogen. Plotseling heeft hij het bloedheet, het lijkt
wel alsof hij in brand staat. Vlammen schieten als vette, wild gulzige
drakentongen langs zijn lichaam. De pijn doet hem sidderen. De armen
maken spas-tische bewegin-gen en het lijkt alsof hij terugzwaait naar
zijn moeder. Moeder lacht lief. Ze wenkt hem.... maar hij staat in
brand. Hoe kan hij haar aan-raken? Ze blijft aandringen en fluistert:
"Kom maar, kom maar hier even bij me zitten". Lonnie kruipt bij zijn
moeder, als een baby, een moment van zalige verrukking. Dan zweeft
hij plotse-ling door de lucht, daalt en net voor-dat hij de grond
raakt, slingert hij weer richting plafond. Zijn vader houdt van stoeien.
Maar ineens is het afgelopen. "Kom,
we gaan", zegt zijn vader en duwt Lonnie van zich af. "Geef je moeder
een zoen, en dan zijn we weg". Moeder verslikt zich in de koffie.
Ze blijft hoesten als ze haar lippen op de wang van haar zoon drukt.
Vader en moeder stappen de bus in, lijn 120 richting grote stad. Lonnie,
Karel en Bep zwaaien en kijken de bus na. Net na de bocht, en bijna
uit het zicht verdwenen, stopt de bus ineens en blijft daar staan.
Lonnie kijkt op naar mammie Bep en dan naar pappie Karel. "Daar klopt
iets niet", zegt Karel en ze nemen Lonnie aan de hand mee richting
bus.
Bij de bus staan enthousiaste dorpsbewoners
rondom een lege sokkel. Bep fronst haar voorhoofd en zegt: "Ik wist
niet dat vandaag het standbeeld geplaatst zou worden". Al een half
jaar staat er op het plein een lege sokkel zonder standbeeld. De vraag
was wie daar op zou komen te staan. Er zijn een heleboel kandidaten.
Een plaatselijke verzetsheld? De vorige burgemeester? Die ene akela
van de padvinderij? De commissie van deskundigen vergaderde maar en
vergaderde maar, en kon niet tot een beslissing komen
Ondertussen hebben de dorpsbewoners
het heft in eigen hand genomen. Want op de sokkel staat de heer Smit,
roerloos en trots. Op een bord kan iedereen lezen: Voormalig deelnemer
aan de Tour de France. Meneer Smit heeft in het verleden anderhalve
etappe meegefietst in dit wielerspektakel. In volledig origineel wielrentenue
poetst hij zijn oude glorie weer op. Luid applaus klinkt over het
plein. Dan is de beurt aan de eigenaresse van de snoepwinkel tegenover
het plein. Zij houdt een stuk karton hoog met daarop geschreven: 21
jaar gelukkig getrouwd! Ze staat samen met haar man op de sokkel en
ziet eruit als een verliefd en timide meisje. Weer klinkt applaus,
de mensen juichen. De snoepverkoopster strooit kwistig met zuurtjes
en staven drop. Het is feest!!! Lonnie zit hoog op de schouders van
Karel. Hij juicht en joelt, zijn mond vol snoep.
Dan klimmen volgende kandidaten al
weer op de sokkel. "Dat is vast de ijscoman", denkt Lonnie nog. Maar
hij laat van verbazing het snoepgoed uit zijn mond druipen op Karel-s
hoofd. Want daar staan zijn vader en moeder op de sokkel. Ze hebben
het karton van de verkoopster in de hand: 21 jaar gelukkig getrouwd!.
Terwijl Karel bukt en Bep de kleverige
snoepresten uit het haar van haar man probeert te frunniken, klautert
Lonnie van Karels rug. Hij wurmt zich een weg door de menigte. Als
hij niet verder kan, duwt en schopt hij net zolang tot er weer een
opening ontstaat. Als hij eindelijk bij de rand van de stenen sokkel
is aangekomen, ziet hij zijn ouders springen en dansen. Ze staan met
hun rug naar hem toe, maar Lonnie weet dat ze samen blij zijn en samen
lachen. Lonnie is zo blij dat iedereen meelacht, klapt en juicht.
Moeder werpt met een luchtig sprongetje haar rechterbeen in de lucht.
Naar voren en na weer een sprongetje naar achteren. Naar voren.....
Lonnie klimt de sokkel op. En naar achteren...... Een doffe dreun
als haar schoen het gezicht van Lonnie treft. Bloed gutst uit de neus
en daarna.... daarna vooral stilte.....
De dokter constateert dat de wond
in Lonnie's gezicht niet ernstig is. Karel neemt zijn pleegzoon in
zijn armen en tilt hem de hele weg naar huis. Bep troost met lichttrillende
stem haar pleegkind. De menigte rond de sokkel is inmiddels gaan winkelen.
De bussen kunnen weer rijden. Op de sokkel zitten nog een man en een
vrouw. Ze staren voor zich uit. Misschien nemen ze de volgende bus
terug naar huis. Maar misschien blijven ze daar op de sokkel zitten,
totdat gemeentereinigers hen verjagen...... of Lonnie hen ooit komt
halen.