artikel uit Mobiel 4, augustus 1999

Vreemd Gedrag?

"Ik wist niet hoe ik zoon en pleegzoon kon zijn"

Door Else-Marie van den Eerenbeemt en Nelly Bakhuizen
docent Hogeschool van Amsterdam

Tussen ouders en kind bestaat een onverbrekelijke band, die door de conceptie en geboorte al is ontstaan. Een kind zal in zijn leven onder de meest moeilijke omstandigheden achter zijn of haar ouders blijven staan, loyaal zijn naar hen. Deze onvoorwaardelijke verbondenheid tussen ouders en kind, noemen we 'zijnsloyaliteit'.
Als pleegouders langdurig voor een pleegkind zorgen, groeit er tussen kind en pleegouders ook een vorm van verbondenheid. Deze langzaam gegroeide verbondenheid wordt 'verworven loyaliteit' genoemd. Het kan voor pleegkinderen een blijvende worsteling zijn om de beide vormen van loyaliteit een plaats te geven in hun leven. De noodkreet 'Ik wist niet hoe ik zoon én pleegzoon tegelijk kon zijn' verwoordt dit gevoel heel treffend.

Pleegkind zijn betekent loyaal zijn naar eigen ouders n naar pleegouders, vanuit een verschillend soort verbondenheid. Pleegouders ervaren zelf ook verschillen in verbondenheid tussen hun eigen kinderen en pleegkinderen. Ook zij voelen dat de liefde voor hun eigen kind anders is, dan de liefde voor hun pleegkind. Zij vinden dit vaak pijnlijk, maar waar, en daarom goed om onder ogen te zien. Het is niet een kwestie van meer of minder liefde, maar van een vanzelfsprekende liefde en een gegroeide liefde.
Eigen kinderen zijn 'een deel van jezelf'. Pleegkinderen zijn dat niet, hoeveel de pleegouder ook leert van hen te gaan houden. De pleegouder kan zelfs tegen zijn pleegkind zeggen: 'Ik houd vreselijk veel van je en ik hoop dat je het genoeg vindt'.
Normaliter is in een ouder-kind relatie het wel of niet genoeg houden van elkaar niet aan de orde. Het gevoel voor elkaar is er gewoon, en het is goed. Voor pleegkinderen kan dat anders liggen. Pleegkinderen kunnen zich voortdurend afvragen of zij wel genoeg liefde krijgen, n geven. Ouders van pleegkinderen hebben dikwijls zelf nog zoveel zorg en aandacht nodig van hun kinderen om zlf te kunnen overleven. Kinderen kunnen in zo'n situatie verschrikkelijk hun best doen om in de noden van hun ouders te voorzien. Ze leren al vroeg te zorgen voor hun ouders, maar krijgen door hun ouders niet of te weinig aangegeven waar de grenzen van die zorgzaamheid zijn. Er is thuis nauwelijks gelegenheid om 'kind' te zijn. In geval van een uithuisplaatsing is er dan ook altijd sprake van onmacht bij de ouders om hun kind die liefde en verzorging te geven die het nodig heeft om op te kunnen groeien.

Voortzetting van gedragspatronen

De rol die pleegkinderen thuis hadden nemen zij ook vaak op zich in het pleeggezin. Hoe vaak zal het niet gebeuren dat juist dat gedrag van een pleegkind, door het kind als steunend bedoeld, door de pleegouders als afwijkend, aandacht vragend, wordt ervaren?
Petra(11): "Ik kon nooit lang buiten spelen. Telkens liep ik weer naar binnen om te kijken wat mijn moeder en vader deden. Ik was de hele tijd bang dat ze weer ruzie zouden gaan maken, en dat mijn vader mijn moeder zou gaan slaan. Maar zij vonden mij maar lastig, omdat ik steeds binnenkwam en joegen mij weer naar buiten. Toch ging ik steeds weer kijken." Datzelfde gedrag zet Petra in het pleeggezin voort, en leidt bij haar pleegmoeder tot de signalering dat Petra zich slecht kan concentreren: "zelfs met buiten spelen is dat zo, ze komt echt elke vijf minuten binnen rennen."

Trouw aan je familie

Een pleegkind weet vaak niet wat hij tegenover alle zorg en aandacht van het pleeggezin moet zetten, meestal gaat het zich aanpassen en erg zijn best doen. Maar beseffen pleegouders wel wat voor een enorme investering dat van het kind vergt? Alleen al je in te voegen in het pleeggezin, je aan te passen aan de gezinsgewoontes, mee te doen met de familiegrapjes en je in te leven in de belangstellingssfeer van het gezin?
Raymond (13): "In mijn eerste pleeggezin waren ze allemaal fan van Ajax. Maar bij mij thuis waren we voor Feijenoord. Ik wou mijn pleegouders niet voor de kop stoten, dus hield ik mijn mond. De lol van voetbal kijken was er voor mij wel af, en zij vonden mij saai, dat ik nooit eens leuk meedeed. Dat kon toch niet? Wat moest ik dan tegen mijn vader en mijn broers zeggen als ik thuis kwam? Dat ik nu voor Ajax was? Mooi niet!"
Door trouw te zijn aan zijn familie krijgt Raymond hier de naam van saaie piet, van spelbreker die weinig rekening houdt met het pleeggezin. Maar zijn verbondenheid met zijn eigen familie is zo sterk, dat hij liever een ondankbare spelbreker is in het pleeggezin, dan dat hij zijn vader en broers afvalt.

In de knel

Ouders en pleegouders meten dikwijls hun ouderschapsprestaties af aan de gedragingen van hun pleegkind. Pleegouders vinden het daarbij vaak moeilijk om voldoende ruimte te vinden voor de relatie die hun pleegkind heeft met de eigen ouders. Veel pleegouders vinden dat zij het goed doen wanneer hun pleegkind volledig 'een van hen' is. Een pleegkind kan echter nooit helemaal 'van het pleeggezin' worden, omdat hij of zij eigen ouders heeft, met wie het in 'zijnsloyaliteit' is verbonden.
Het komt dan ook voor dat je die pleegouder-pleegkind relatie een trieste ontwikkeling ziet doormaken. Aan de ene kant gaan de pleegouders zich steeds meer inzetten voor hun pleegkind vanuit de gedachte dat het kind al zoveel tekort gekomen is, of omdat zij vinden dat het moeilijke gedrag van het pleegkind om meer zorg vraagt. Aan de andere kant komt het pleegkind steeds meer in de knel met zijn 'investeringen in het pleeggezin' omdat die niet als zodanig worden ervaren, en het kind bovendien steeds meer bekneld raakt tussen de verschillende loyaliteiten. Opnieuw zal het kind ervaren dat zijn pogingen om zijn best te doen, niet genoeg zijn.
Kinderen reageren hier heel verschillend op: sommige kinderen worden stil en trekken zich terug, anderen vragen juist overmatig aandacht, worden lastig, plassen weer regelmatig in bed, krijgen concentratieproblemen, vragen steeds een positieve bevestiging of kunnen geen 'nee' dulden van pleegouders.

Wat helpt?

Er zijn een heleboel manieren die ertoe kunnen bijdragen om die onmachtige loyaliteitsgevoelens bij het kind te verminderen. Een pleeggezin kan om te beginnen het kind helpen door uit te zoeken welke belangstellingsgebieden zij met het kind delen, waarbij de loyaliteit met de eigen ouders niet in het gedrang komt.
Het kan het kind laten merken dat zijn pogingen om zich in het pleeggezin te voegen worden gewaardeerd, en niet iets vanzelfsprekends is. De pleegouder kunnen zelf pijnlijke onderwerpen als - Hoe spreek ik mijn pleegouders aan? Wat verwachten ze van mij met moederdag? Kan ik laten merken dat ik me zorgen maak over mijn broertjes en zusjes, mijn ouders? Mag ik bang, boos en verdrietig zijn over mijn ouders zonder dat mijn pleegouders hen afvallen? - zelf aan de orde stellen.
Voor ieder kind is het heel belangrijk te weten dat zijn ouders het kind het liefst bij zich hebben. Dat sterkt het kind in zijn bestaansrecht en in zijn gevoel de moeite waard te zijn. Aan de andere kant kunnen de ouders het kind juist helpen door duidelijk te maken dat zij, ondanks de moeite die dit hun kost, instemmen met het verblijf van het kind in het pleeggezin. Ook dat kan op velerlei manieren: doordat de ouders het gewoon zeggen, maar ook als de kinderen merken dat de ouders de noodzakelijke ruimte van pleegouders krijgen om hun ouderschap-op-afstand vorm te geven. Ouders kunnen bijvoorbeeld schoolevenementen mee bezoeken, de verjaardag van het pleegkind met zn allen vieren, middels een dagboekje van pleegouders het leven van hun kind in het pleeggezin volgen etc.
Voor pleegouders is het belangrijk om van de begeleiding te horen te krijgen wat 'goed genoeg' pleegouderschap is, los van het gedrag van het kind. Misschien voldoet het soms ook beter om het pleegkind als een welkome, langdurige gast te beschouwen, met bovendien een sterke loyaliteit naar de eigen familie.
Pleegouders kunnen hun wens om een emotionele binding met het kind aan te gaan soms ook beter vertalen in praktische, alledaagse zorg- en aandachtdingen, waarin een wederzijds geven en ontvangen mogelijk is. Uiteindelijk moet het leiden tot een afbakening van 'het geven' van zowel de ouders, als de pleegouders, als het kind; waarbij vooral het kind moet leren wat passend geven is en wanneer geven in de ouder-kind relatie 'genoeg' is.
Idealiter slaagt het kind erin zowel de ouders als de pleegouders een plek in het eigen leven te geven, zonder een keuze te hoeven maken tussen de twee vormen van loyaliteit. Want dat laatste is een onmogelijke opgave, omdat ontrouw aan je ouders betekent ontrouw aan jezelf.
De grootste bijdrage van pleegouders aan het leven van hun pleegkind is dan ook: het kind helpen kind te zijn, van ouders n pleegouders!

 

Literatuur

* Anders in verbondenheid, anders in intensiteit. Door: Nelleke Visscher. In: MOBIEL, dec. 1998

* Verwarrende gevoelens niet exclusief voor pleegouders. Door: Carol van Nijnatten. In: MOBIEL, dec. 1998

* De contextuele theorie van Nagy. Door: Nelly Bakhuizen en ElseMarie van den Eerenbeemt. In: Kinder en Jeugdpsychologie, trends. Uitg. Swets en Zeitlinger, Lisse, 1997.

* Loyaliteit en balans van geven en ontvangen: een kind kan niet zonder. Door: Nelly Bakhuizen. In: Pleegzorg in Balans, 1998.

* Balans in beweging. Door Ammy van Heusden en ElseMarie van den Eerenbeemt. Uitg. De Toorts, Haarlem, 1990.