Tussen ouders en kind bestaat een onverbrekelijke
band, die door de conceptie en geboorte al is ontstaan. Een kind zal
in zijn leven onder de meest moeilijke omstandigheden achter zijn of
haar ouders blijven staan, loyaal zijn naar hen. Deze onvoorwaardelijke
verbondenheid tussen ouders en kind, noemen we 'zijnsloyaliteit'.
Als pleegouders langdurig voor een pleegkind zorgen, groeit er tussen
kind en pleegouders ook een vorm van verbondenheid. Deze langzaam gegroeide
verbondenheid wordt 'verworven loyaliteit' genoemd. Het kan voor pleegkinderen
een blijvende worsteling zijn om de beide vormen van loyaliteit een
plaats te geven in hun leven. De noodkreet 'Ik wist niet hoe ik zoon
én pleegzoon tegelijk kon zijn' verwoordt dit gevoel heel treffend.
Pleegkind zijn betekent loyaal
zijn naar eigen ouders n naar pleegouders, vanuit een verschillend
soort verbondenheid. Pleegouders ervaren zelf ook verschillen in verbondenheid
tussen hun eigen kinderen en pleegkinderen. Ook zij voelen dat de
liefde voor hun eigen kind anders is, dan de liefde voor hun pleegkind.
Zij vinden dit vaak pijnlijk, maar waar, en daarom goed om onder ogen
te zien. Het is niet een kwestie van meer of minder liefde, maar van
een vanzelfsprekende liefde en een gegroeide liefde.
Eigen kinderen zijn 'een deel van jezelf'. Pleegkinderen zijn dat
niet, hoeveel de pleegouder ook leert van hen te gaan houden. De pleegouder
kan zelfs tegen zijn pleegkind zeggen: 'Ik houd vreselijk veel van
je en ik hoop dat je het genoeg vindt'.
Normaliter is in een ouder-kind relatie het wel of niet genoeg houden
van elkaar niet aan de orde. Het gevoel voor elkaar is er gewoon,
en het is goed. Voor pleegkinderen kan dat anders liggen. Pleegkinderen
kunnen zich voortdurend afvragen of zij wel genoeg liefde krijgen,
n geven. Ouders van pleegkinderen hebben dikwijls zelf nog zoveel
zorg en aandacht nodig van hun kinderen om zlf te kunnen overleven.
Kinderen kunnen in zo'n situatie verschrikkelijk hun best doen om
in de noden van hun ouders te voorzien. Ze leren al vroeg te zorgen
voor hun ouders, maar krijgen door hun ouders niet of te weinig aangegeven
waar de grenzen van die zorgzaamheid zijn. Er is thuis nauwelijks
gelegenheid om 'kind' te zijn. In geval van een uithuisplaatsing is
er dan ook altijd sprake van onmacht bij de ouders om hun kind die
liefde en verzorging te geven die het nodig heeft om op te kunnen
groeien.
Voortzetting van gedragspatronen
De rol die pleegkinderen thuis hadden nemen zij ook
vaak op zich in het pleeggezin. Hoe vaak zal het niet gebeuren dat
juist dat gedrag van een pleegkind, door het kind als steunend bedoeld,
door de pleegouders als afwijkend, aandacht vragend, wordt ervaren?
Petra(11): "Ik kon nooit lang buiten spelen. Telkens liep ik
weer naar binnen om te kijken wat mijn moeder en vader deden. Ik was
de hele tijd bang dat ze weer ruzie zouden gaan maken, en dat mijn
vader mijn moeder zou gaan slaan. Maar zij vonden mij maar lastig,
omdat ik steeds binnenkwam en joegen mij weer naar buiten. Toch ging
ik steeds weer kijken." Datzelfde gedrag zet Petra in het pleeggezin
voort, en leidt bij haar pleegmoeder tot de signalering dat Petra
zich slecht kan concentreren: "zelfs met buiten spelen is dat
zo, ze komt echt elke vijf minuten binnen rennen."
Trouw aan je familie
Een pleegkind weet vaak niet wat hij tegenover alle
zorg en aandacht van het pleeggezin moet zetten, meestal gaat het
zich aanpassen en erg zijn best doen. Maar beseffen pleegouders wel
wat voor een enorme investering dat van het kind vergt? Alleen al
je in te voegen in het pleeggezin, je aan te passen aan de gezinsgewoontes,
mee te doen met de familiegrapjes en je in te leven in de belangstellingssfeer
van het gezin?
Raymond (13): "In mijn eerste pleeggezin waren ze allemaal fan
van Ajax. Maar bij mij thuis waren we voor Feijenoord. Ik wou mijn
pleegouders niet voor de kop stoten, dus hield ik mijn mond. De lol
van voetbal kijken was er voor mij wel af, en zij vonden mij saai,
dat ik nooit eens leuk meedeed. Dat kon toch niet? Wat moest ik dan
tegen mijn vader en mijn broers zeggen als ik thuis kwam? Dat ik nu
voor Ajax was? Mooi niet!"
Door trouw te zijn aan zijn familie krijgt Raymond hier de naam van
saaie piet, van spelbreker die weinig rekening houdt met het pleeggezin.
Maar zijn verbondenheid met zijn eigen familie is zo sterk, dat hij
liever een ondankbare spelbreker is in het pleeggezin, dan dat hij
zijn vader en broers afvalt.
In de knel
Ouders en pleegouders meten dikwijls hun ouderschapsprestaties
af aan de gedragingen van hun pleegkind. Pleegouders vinden het daarbij
vaak moeilijk om voldoende ruimte te vinden voor de relatie die hun
pleegkind heeft met de eigen ouders. Veel pleegouders vinden dat zij
het goed doen wanneer hun pleegkind volledig 'een van hen' is. Een
pleegkind kan echter nooit helemaal 'van het pleeggezin' worden, omdat
hij of zij eigen ouders heeft, met wie het in 'zijnsloyaliteit' is
verbonden.
Het komt dan ook voor dat je die pleegouder-pleegkind relatie een
trieste ontwikkeling ziet doormaken. Aan de ene kant gaan de pleegouders
zich steeds meer inzetten voor hun pleegkind vanuit de gedachte dat
het kind al zoveel tekort gekomen is, of omdat zij vinden dat het
moeilijke gedrag van het pleegkind om meer zorg vraagt. Aan de andere
kant komt het pleegkind steeds meer in de knel met zijn 'investeringen
in het pleeggezin' omdat die niet als zodanig worden ervaren, en het
kind bovendien steeds meer bekneld raakt tussen de verschillende loyaliteiten.
Opnieuw zal het kind ervaren dat zijn pogingen om zijn best te doen,
niet genoeg zijn.
Kinderen reageren hier heel verschillend op: sommige kinderen worden
stil en trekken zich terug, anderen vragen juist overmatig aandacht,
worden lastig, plassen weer regelmatig in bed, krijgen concentratieproblemen,
vragen steeds een positieve bevestiging of kunnen geen 'nee' dulden
van pleegouders.
Wat helpt?
Er zijn een heleboel manieren die ertoe kunnen bijdragen
om die onmachtige loyaliteitsgevoelens bij het kind te verminderen.
Een pleeggezin kan om te beginnen het kind helpen door uit te zoeken
welke belangstellingsgebieden zij met het kind delen, waarbij de loyaliteit
met de eigen ouders niet in het gedrang komt.
Het kan het kind laten merken dat zijn pogingen om zich in het pleeggezin
te voegen worden gewaardeerd, en niet iets vanzelfsprekends is. De
pleegouder kunnen zelf pijnlijke onderwerpen als - Hoe spreek ik mijn
pleegouders aan? Wat verwachten ze van mij met moederdag? Kan ik laten
merken dat ik me zorgen maak over mijn broertjes en zusjes, mijn ouders?
Mag ik bang, boos en verdrietig zijn over mijn ouders zonder dat mijn
pleegouders hen afvallen? - zelf aan de orde stellen.
Voor ieder kind is het heel belangrijk te weten dat zijn ouders het
kind het liefst bij zich hebben. Dat sterkt het kind in zijn bestaansrecht
en in zijn gevoel de moeite waard te zijn. Aan de andere kant kunnen
de ouders het kind juist helpen door duidelijk te maken dat zij, ondanks
de moeite die dit hun kost, instemmen met het verblijf van het kind
in het pleeggezin. Ook dat kan op velerlei manieren: doordat de ouders
het gewoon zeggen, maar ook als de kinderen merken dat de ouders de
noodzakelijke ruimte van pleegouders krijgen om hun ouderschap-op-afstand
vorm te geven. Ouders kunnen bijvoorbeeld schoolevenementen mee bezoeken,
de verjaardag van het pleegkind met zn allen vieren, middels een
dagboekje van pleegouders het leven van hun kind in het pleeggezin
volgen etc.
Voor pleegouders is het belangrijk om van de begeleiding te horen
te krijgen wat 'goed genoeg' pleegouderschap is, los van het gedrag
van het kind. Misschien voldoet het soms ook beter om het pleegkind
als een welkome, langdurige gast te beschouwen, met bovendien een
sterke loyaliteit naar de eigen familie.
Pleegouders kunnen hun wens om een emotionele binding met het kind
aan te gaan soms ook beter vertalen in praktische, alledaagse zorg-
en aandachtdingen, waarin een wederzijds geven en ontvangen mogelijk
is. Uiteindelijk moet het leiden tot een afbakening van 'het geven'
van zowel de ouders, als de pleegouders, als het kind; waarbij vooral
het kind moet leren wat passend geven is en wanneer geven in de ouder-kind
relatie 'genoeg' is.
Idealiter slaagt het kind erin zowel de ouders als de pleegouders
een plek in het eigen leven te geven, zonder een keuze te hoeven maken
tussen de twee vormen van loyaliteit. Want dat laatste is een onmogelijke
opgave, omdat ontrouw aan je ouders betekent ontrouw aan jezelf.
De grootste bijdrage van pleegouders aan het leven van hun pleegkind
is dan ook: het kind helpen kind te zijn, van ouders n pleegouders!
|
* Anders in verbondenheid, anders in intensiteit.
Door: Nelleke Visscher. In: MOBIEL, dec. 1998
* Verwarrende gevoelens niet exclusief voor
pleegouders. Door: Carol van Nijnatten. In: MOBIEL, dec.
1998
* De contextuele theorie van Nagy. Door:
Nelly Bakhuizen en ElseMarie van den Eerenbeemt. In: Kinder
en Jeugdpsychologie, trends. Uitg. Swets en Zeitlinger, Lisse,
1997.
* Loyaliteit en balans van geven en ontvangen:
een kind kan niet zonder. Door: Nelly Bakhuizen. In: Pleegzorg
in Balans, 1998.
* Balans in beweging. Door Ammy van Heusden
en ElseMarie van den Eerenbeemt. Uitg. De Toorts, Haarlem,
1990.
|