Betaling van pleegouders kan volgens
de Nationale Gezinsraad (NGR) ertoe bijdragen dat meer mensen zich zullen
aanmelden als pleegouder. Ook kan betaling bijdragen aan de verbetering
van de status van het pleegouderschap. Maar hangt de toekomst van de
pleegzorg alleen maar af van het wel of niet salariren van pleegouders,
of hebben pleegouders ook andere beweegredenen om de zorg voor pleegkinderen
op zich te nemen? Pleegmoeder Carla van Noord mist in het NGRrapport
'Arbeid en Pleegzorg in de 21e eeuw' juist die essentile vraag.
Om maar gelijk met de deur
in huis te vallen: al lezend in het rapport van de NGR bedenk ik dat
hier oplossingen worden aangedragen, terwijl de vragen 'waarom worden
mensen al dan niet pleegouder' en 'waarom blijven mensen al dan niet
pleegouder' niet goed in kaart zijn gebracht. Want waarom melden mensen
zich aan als pleegouder? De NGR veronderstelt haast een zakelijke
afweging: de moeizame combinatie met betaalde arbeid en/of de vermindering
van het gezinsinkomen zou er toe leiden dat mogelijke kandidaten besluiten
zich niet aan te melden voor het pleegouderschap.
Ik denk dat bij de overweging om je als pleegouder aan te melden er
veel meer (emotionele) overwegingen een rol spelen. Wanneer ik praat
met aspirantpleegouders dan zijn zaken zoals het delen van ouderschap,
het omgaan met eventuele gedragsproblemen, het weer afscheid nemen
van het pleegkind en de veranderingen in het gezin veel belangrijker.
Ook bij mijn eigen overwegingen om pleegouder te worden waren deze
zaken het belangrijkst. We hadden wel gehoord dat pleegzorg tijd kost,
dat er minder tijd is voor hobbies en betaalde arbeid, maar eigenlijk
beseften we pas tijdens de plaatsing hoeveel tijd pleegzorg kost.
Tijd die daardoor niet meer beschikbaar was voor betaalde arbeid.
Ik ben het met de NGR eens dat de
maatschappelijke druk op vrouwen om betaalde arbeid te verrichten
steeds groter wordt. Heel wat keren heb ik moeten uitleggen waarom
ik geen betaalde baan heb. En lang niet altijd werd dat begrepen.
'Hoe kan zon leuk, vrolijk kind nu zoveel tijd vergen.' Enige luiheid
is mij wel toegedicht. Het zou voor mij veel uitmaken als de maatschappelijke
erkenning voor mijn werk als pleegmoeder groter is. Hoewel ik het
jammer vind dat alles in onze maatschappij steeds meer om geld draait,
weet ik ook dat een rele financile vergoeding zeker bijdraagt aan
deze erkenning. Zowel door de buitenwereld als in mijn eigen beleving.
Ik wil niet als professional in dienst komen van een Voorziening voor
Pleegzorg. Ik vind het pleegouderschap geen baan, maar een manier
van leven. Wel vind ik het terecht als de overheid compensatie biedt
voor de genvesteerde tijd. Door een rele vergoeding nu, en door
het doorbetalen van pensioenpremies.
Een dergelijke vergoeding stelt
mij ook in staat het pleegouderschap beter uit te voeren. Ik hoef
minder uren betaald te werken, ik kan van dat geld een schoonmaakhulp
inhuren. Iets waar ik in de afgelopen jaren in hectische periodes
vaak naar verlangd heb, maar wat ik me toen simpelweg financieel niet
kon veroorloven. Deze vergoeding moet dan gegeven worden bij alle
pleegzorgplaatsingen en niet zoals Ren de Bot in het vorige nummer
van MOBIEL stelt voor sommige vormen van pleegzorg. Elke plaatsing
kost tijd. De een misschien wat meer dan de ander, maar geen enkele
plaatsing doe je er als pleegouder even bij. Betaling alleen is niet
voldoende stelde Peter Zevenhuizen al in datzelfde nummer van MOBIEL.
Erkenning van pleegouders moet ook op allerlei andere terreinen worden
gerealiseerd. Hij geeft daarvan een aantal goede voorbeelden. Juist
het gebrek aan erkenning maakt dat pleegouders na verloop van tijd
afhaken.
Maakt betaling het pleegouderschap
nu aantrekkelijker? Ik denk dat het voor het werven van nieuwe pleegouders
heel weinig uit zal maken. Betaling werkt wel statusverhogend. Het
kan ook bijdragen aan het verlagen van de werkdruk van pleegouders.
Maar de erkenning van pleegouders blijft op zoveel andere terreinen
achter, dat het de vraag is of betaling alln voldoende is om pleegouders
vast te houden.