artikel uit Mobiel 3, juni 1999

Eerlijk zijn over het verleden

door Willemien Kronenberg
redacteur Mobiel

inclusief: Huisarts en tandarts, hoe zit dat?


“Ons oudste pleegkind, Sander was bij zijn komst een hele drukke jongen met een meer dan gemiddelde intelligentie. Negen jaar en al aan de derde basisschool toe, met tot nu toe alleen maar negatieve ervaringen door het vele pesten op al die vorige scholen.” In het begin hielden twee zaken hem dan ook erg bezig: zijn angst voor pesten en de loyaliteit naar zijn moeder. Hij koos ervoor om zelf - heel kort - zijn verhaal te vertellen op school, aan onze huisarts en bij de tandarts. In de klas vertelde hij waarom hij niet bij zijn moeder kon wonen: “zijn moeder was ziek en kon niet voor hem zorgen.” Voor de school en de leerlingen was dit voldoende informatie voor de start. Om de beurt kwamen alle klasgenoten bij ons spelen, en dat was voor hem vaak ook het moment om wat uitgebreider te vertellen dat ik zijn pleegmoeder was, en dat zijn echte moeder ergens anders woonde. Hij heeft ook zelf georganiseerd dat zijn moeder de verschillende leerkrachten in de loop der tijd een keer heeft ontmoet, evenals sommige vriendjes. Hij liep wel eens klem als mensen hem in de stad tegenkwamen met zijn eigen moeder. Dan draaide hij soms een mooi verhaal in elkaar tot groot verdriet
van zijn moeder.

De tweeling komt eraan!

In de voorbereidingsperiode voordat de tweeling kwam, heeft Sander zijn klas en het hoofd van de school bijna wekelijks op de hoogte gehouden, over wat hij nu al wist over John en Sharon en wanneer ze voor het eerst kwamen kijken. Op de dag dat wij alleen de school van buiten gingen bekijken met de tweeling heeft Sander zowel zijn eigen meester als de juf van groep 3 uit hun vergadering naar buiten gehaald om alvast kennis te komen maken. De eerste weken op de nieuwe school was Sander ook heel beschermend voor John en Sharon. Hij bleef in de buurt, zorgde dat er niet gepest werd en dat er geen rare vragen gesteld werden. De tweeling beschouwde hem op school dan ook snel als grote broer, maar als mensen dat tegen Sander zeiden, dan mocht dat niet. “Nee het zijn geen broer en zus, maar ze wonen wel bij ons.”

John’s eigen verhaal

De school kreeg dus informeel al heel wat te horen, aangevuld door een korte schets van het leven van de tweeling en een schooloverdracht. Na een week of twee heeft ook John (6 jaar) zelf zijn klas verteld dat zijn zus en hij bij een pleeggezin woonden, omdat hun moeder aan een spulletje verslaafd was. “Je weet wel, dat is dan de baas over haar en daarom kan zij niet voor ons zorgen.” De juf was hier een beetje ontdaan over, maar had het maar laten gebeuren. De klas had van alles gevraagd en samen hadden ze antwoorden gegeven. Aan het schoolhek vertelde hij dit als elk ander schoolverhaal. “Dat was toch wel goed hè?”

Nooit meer naar gym

Als pleegouders maak je keuzes in wat je wel of niet vertelt over de geschiedenis van je pleegkind, en ook de pleegkinderen zelf doen dat. Toch kan je daarmee soms voor heftige situaties komen te staan. Zo kwam na een maand of drie Sharon opeens huilend uit school. Thuis vertelde ze totaal overstuur dat ze nooit meer naar gym ging want de (grote)meisjes van groep 5 trokken aan elkaars onderbroeken (Zij zat in een combinatieklas) Op mijn vraag of ze het aan de juf had verteld snikte ze hevig dat die er toch niets van begreep. Dat was ik wel met haar eens, want die had vast niet meegemaakt “dat ze sex met je deden die je niet wilde”. Toen ik die middag de juf dan ook aanschoot en vertelde wat er was gebeurd schrok ze verschrikkelijk, want ze had het incident uit de gymles natuurlijk niet in verband gebracht met wat ze wel terloops van ons had gehoord over Sharons geschiedenis. Ze heeft groep 5 heel erg op hun kop gegeven en gelukkig leverde dat Sharon weer voldoende veiligheid op.

Zijn dat pleegkinderen??

Ondertussen heeft de tweeling groep 3 voor de tweede keer gedaan en zijn ze voor hun klasgenoten net zo gewoon als de rest van de klas. Af en toe komen we dan tot de conclusie dat de mensen om ons heen niet eens weten dat ze pleegkind zijn. Ouders die opeens aan mij vragen waar Sharon en John eigenlijk geboren zijn. Ze zien donker, maar ze zijn gewoon in Amsterdam geboren “in het ziekenhuis toch?” vullen ze dan zelf aan. Ook klasgenoten vragen af en toe maar eens hoe dat nu zit. Jullie hebben een wit broertje en een witte moeder. Hoe ziet je vader er dan uit? Daar is het antwoord helder. Die is dood.

Sander heb ik anderhalf jaar iedere dag naar school gebracht, voornamelijk omdat hij dat nog niet zelf durfde. De wachtende moeders hebben in die periode heel wat van de contactontwikkeling meebeleefd. De agressie, de boosheid, het impulsieve en ongereguleerde gedrag van Sander en zijn grote ongetemde enthousiasme aan het hek, maar ook in de klas, gaven regelmatig aanleiding tot vragen, opmerkingen en bemoeienissen. Ik heb ervoor gekozen om regelmatig wat te vertellen, temeer daar hij ook heel angstig was en het lang duurde (bijna een jaar) voor hij zelf bij vriendjes kon spelen. Het voordeel was dat je dus ook kon vragen of klasgenoten dat soort dingen ook deden thuis, of mensen hun kind daar niet wat oud voor vonden en hoe ze dingen aanpakten. Tenslotte zaten wij van de ene op de andere dag met een jongen in huis waarvan we negen jaar gezamenlijke geschiedenis misten.

Intussen is Sander 12 en gaat na de zomervakantie naar de middelbare school. Bij het invullen van de formulieren hebben we gezamenlijk de stand van zaken opgemaakt over wat de nieuwe school wel en niet moet weten. Ze krijgen wel te horen dat hij niet bij zijn moeder woont en met zijn mentor zullen we geregeld contact hebben over gedrag en schoolvorderingen. Maar verder hoeven ze niets te weten. Daar zijn we het over eens.

 

HUISARTS EN TANDARTS; HOE ZIT DAT?

Wij hebben alle kinderen in de eerste 6 weken mee naar de huisarts genomen om kennis te maken. Hij beschikte over de dossiers van de vorige huisartsen.
Op het moment dat er bij een van onze kinderen een ingrijpende maatregel genomen moest worden (kleine operatie) is het in 6 weken tijd niet gelukt om van de voogdes een getekende toestemming te verkrijgen. Noch de huisarts noch het ziekenhuis vonden dat een probleem.
Wel is toen, mede op aandringen van de TGV, extra serieus onderzoek gedaan in het ziekenhuis, omdat er geen informatie was over erfelijke aandoeningen of ziektegeschiedenissen in de familie.
Bij de schoolarts was het nog een hele klus om vorige consultatiebureau- en schoolartsinformatie boven water te halen. Er werd daar ook gedetailleerd naar ziektegeschiedenissen en traumatische ervaringen gevraagd. Bij de tandarts speelden alleen al of niet gesaneerd zijn en de eventuele financiële gevolgen daarvan een rol.

Formeel zijn pleegouders gebonden aan hetgeen de wet regelt over de geneeskundige behandelingsovereenkomst en die luidt als volgt:

1. ‘Een minderjarige die de leeftijd van 16 jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk verband houden.’(art.447)

2. ‘Tot 12 jaar wordt de minderjarige vertegenwoordigd door zijn ouders of zijn voogd, van 12 tot en met 15 is in beginsel de toestemming van ouders en de minderjarige vereist.’

3. ‘De toestemming van de wettelijke vertegenwoordigers is niet nodig als meteen ingrijpen kennelijk nodig is om ernstig nadeel te voorkomen.’

4. ‘De toestemming wordt verondersteld als de verrichtingen niet ingrijpend van aard zijn.’