artikel uit Mobiel 3, juni 1999

Pleegkinderen en de directe omgeving

1. Gewoon anders

2. Kind waar begin je aan!

- inleiding

“Ik neem niet iedereen in vertrouwen,” zegt Samantha, 14 jaar. Samantha woont in een pleeggezin. “Sommige kinderen weten niet eens wat pleegzorg is en gaan rare dingen over je denken. Maar ik ben gewoon normaal, net als anderen hoor.”(1) Pleegkinderen worstelen met een dilemma. Ze zijn gewoon zichzelf, een kind net als anderen kinderen. Maar hun levensloop wijkt af van de mensen in hun directe omgeving, en daardoor komen ze toch in een uitzonderingspositie. Ze wonen niet bij hun ouders, ze zijn letterlijk verplaatst naar een nieuwe omgeving, waar soms niemand hen kent. Toch willen de meeste uit huis geplaatste jongeren liever wonen in een ‘gewoon’ gezin met ‘gewone’ pleegouders, dan in een internaat met telkens wisselende groepsleiding.
Net als andere kinderen die wel bij hun ouders kunnen opgroeien, willen pleegkinderen persoonlijke banden, stabiliteit, geen zorgen hebben, niet uit de toon vallen bij vrienden, vriendinnen en klasgenoten (2).

Maar hoe werkt het eigenlijk in de praktijk als een pleegkind in een ‘gewoon’ gezin in een ‘gewone’ buitenwijk, en op een ‘gewone’ school terechtkomt, in een klas waar het zich misschien de enige voelt die ‘anders’ is? Pleegkinderen hebben veel meer meegemaakt, gedragen zich daardoor anders en hebben soms een totaal andere positie in de klas of het pleeggezin. Zoals bij de 15-jarige Asena die zegt: “Mijn pleegzus was jaloers dat ik meer mocht dan zij. Maar ik heb heel andere dingen meegemaakt. Ik bepaal zelf of ik naar school ga, en hoe laat ik thuiskom.”
Hoe reageert de omgeving over het algemeen eigenlijk op de aanwezigheid van een pleegkind? De school, de buurt, de familie, de dokter, de tandarts?

Veel pleegkinderen merken dat ‘die directe omgeving’ zich vaak een beeld over hen heeft gevormd als moeilijk, asociaal of zielig. Meestal zijn deze beelden niet gebaseerd op werkelijke ervaringen, maar op vooroordelen, veelal afkomstig uit de media. Voor de kinderen zelf is het erg vervelend, en soms een reden om zich terughoudend op te stellen. Hoe ga je als pleegouder daar mee om, zonder de privacy van een pleegkind te schenden? Worden pleegouders ook voorbereid op de reacties uit de directe omgeving? Hoe informeer je de school en de klas? Hoe ga je om met oprechte belangstelling, roddel en achterklap, ongevraagde bemoeienissen, uitsluiting en onbegrip, en hoe hou je als pleeggezin toch op een ‘gewone’ manier een goed contact met je omgeving?
MOBIEL wil met dit themagedeelte inzicht geven in de beleving van pleegkinderen in een zo ‘gewoon mogelijke’ omgeving, maar ook voorbeelden geven hoe pleegouders met de school, de buurt en de familie om (kunnen) gaan.

Gewoon anders

door Sonja Nojon, redacteur Mobiel

Ik was al boven de dertig toen ik hoorde dat mijn tante niet de zus van mijn moeder is, maar de pleegzus. Stomverbaasd over dit verzwegen familiefeit, ervaarde ik voor het eerst de hardnekkige wens van een pleegkind om ‘zo gewoon mogelijk’ te zijn. Want het was op uitdrukkelijk verzoek van mijn tante, dat mijn ouders ‘het’ niet verteld hadden. “Het maakt toch niets uit,” zei ze toen ik haar naar het waarom vroeg. “Ik blijf toch gewoon je tante?”
Maar als het werkelijk niets uitmaakte, dan had ze het toch niet hoeven te verzwijgen? Mijn tante is inmiddels over de 90 jaar, en heeft me volledig bijgepraat over het alcoholisme van haar vader, het weggeven van haar als kind aan mijn opa en oma, de woede hierover - na bijna een eeuw nog steeds smeulend - en de dankbaarheid dat wij nu haar familie zijn.
In mijn ogen blijft ze familie, maar dan gewoon anders. Gewoon, omdat ze nog steeds mijn tante is. Gewoon, omdat ze me net zo dierbaar is als voordat ik wist dat ze een pleegkind was. Maar ook anders. Want het horen van haar levensgeschiedenis plaatste haar in een volkomen ander kader. Ze werd er unieker, krachtiger en wijzer door in mijn ogen. En ook de familie van mijn moeder zag ik in een ander licht: socialer, liefdevoller, maar ook completer van samenstelling.

Wat me opvalt is de neiging van mijn moeder en mijn tante om dat anders zijn weg te moffelen. “Ze is niet mijn pleegzus,” zegt mijn moeder dan, “ze is gewoon Marie, mijn zus.” Alsof het woord pleegkind synoniem is met ‘minder leuk en lief’. Maar soms is het ook gewoon anders.
In de pleegzorg valt het me ook op dat pleegouders alles op alles zetten om vooral ‘gewoon’ te doen. Maar als we eerlijk zijn blijft de positie van pleegkinderen altijd anders dan die van je eigen kinderen. Die verschillen in positie zijn vaak erg subtiel, en worden soms eerder door het pleegkind ervaren dan door de familie. Zo waren de pleegouders van Janneke 25 jaar getrouwd. Er moest een familieportret komen, met de kinderen erbij. Janneke bleef aan de grond genageld staan. Mocht ze nu wel of niet op de foto? De pleegmoeder zag haar aarzeling en riep: “Kom erbij Janneke”, maar Janneke schudde haar hoofd. Nee, ze woonde er te kort. Ze hoorde (nog) niet bij de familie-geschiedenis. Ze was gewoon anders: zichzelf, een pleegkind. Niets meer en niets minder.
Als pleegouder moet je hierop voorbereid zijn. Ontkennen en wegmoffelen van de verschillen draagt alleen maar bij aan het instandhouden van een taboe op anders zijn. De verschillen moeten gezien en opgevangen worden. Een pleegkind voelt zich hierin erkend dat het mag zijn wie het is. En: mógen ze alsjeblieft ook een beetje anders zijn?
Een uitdaging hierbij is de kring van familie, buren, klasgenoten, vriendjes en vriendinnetjes om het pleegkind heen. Want niet altijd zal de omgeving het op prijs stellen dat een pleegkind net even anders is. Dit kan in die kring spanningen opleveren. Maar net doen alsof er geen verschil is, terwijl iedereen merkt dat dit er wel is, is geen heilzame oplossing. Het geeft het pleegkind de indruk dat het ‘gek’ is om anders te zijn. Een betere aanpak is het om de omgeving op een eigen manier te betrekken in de omgang met het pleegkind. Alles is beter dan het verhullen van het anders zijn, Want dat vergroot alleen maar het gevoel van isolement.

Kind waar begin je aan

door Nelleke Visscher, hoofdredacteur

In de directe omgeving van een aanstaand pleeggezin leven vaak - wel of niet uitgesproken - veel vragen over het pleegouderschap. In voorbereidingsprogramma’s wordt hier ook aandacht aan geschonken. Zo heeft het STAP voorbereidings- en selectieprogramma als vast onderdeel een bijeenkomst waarbij aspirant-pleegouders hun familie, vrienden, kennissen en buren mogen uitnodigen. Iedereen kan vragen stellen aan een panel van voornamelijk ervaringsdeskundigen.

De aankondiging van een aanstaande gezinsuitbreiding met een pleegkind wordt in familie- en vriendenkring nogal eens met enige terughoudendheid ontvangen. Reacties als ‘kind waar begin je aan’ en ‘moet ik je feliciteren met deze plannen’ zijn niet ongewoon, al zijn ze gelukkig niet toonaangevend. Het is een ongerustheid die vaak wordt ingegeven door onbekendheid met pleegzorg. Goede voorlichting kan heel wat van die onrust wegnemen.
In de selectie- en voorbereidingsbijeenkomsten besteden de Voorzieningen voor Pleegzorg er dan ook de nodige aandacht aan. In deze bijeenkomsten praten aspirant-pleegouders en een team van ervaren pleegouders en pleeggezinbegeleiders met elkaar over belangrijke pleegzorgonderwerpen als: samenwerken in de pleegzorg, hechting, identiteit, gedrag, en de betekenis van het pleegouderschap voor het gezin.
Maar een gezin is ingebed in de familie, de vrienden- en kennissenkring, de buurt, en het pleegkind gaat daar deel van uit maken. Op enig moment krijgen ook zij met het pleegkind te maken, tijdens familie-bijeenkomsten, op verjaardagen, bij het spelen op straat. Daarom is het belangrijk om ook aan hun informatiebehoefte tegemoet te komen.
De voorlichtingsbijeenkomsten voorzien daarin door een speciale avond te reserveren voor de directe kring rond het aanstaande pleeggezin. En de aspirant-pleegouders blijken hun familie, vrienden, kennissen en buren daar in groten getale mee naar toe te nemen: opa’s oma’s, vaders, moeders, vrienden, buren en in een enkel geval zelfs de au-pair.
Zo’n avond begint met een korte introductie over ‘het waarom van deze avond’, en een voorstelronde van het panel en wie daar verder behoefte aan heeft. De panelleden, een ervaren pleegmoeder, een eigen kind van pleegouders, een oma, een pleegkind dat van het ene pleeggezin naar het ander verhuisde, een pleegzorgbegeleider, en de moeder van een pleegkind vertellen kort over hun motivatie om aan deze bijeenkomst mee te doen. Ieder heeft een eigen motief, maar gemeenschappelijk is de bezorgdheid voor het pleegkind: ‘als dat maar goed op z’n plek komt’.
Misschien maakt die bezorgdheid van de ouder van het pleegkind nog wel de meeste indruk op de aanwezigen, als zij vertelt hoe verscheurend en onverdraaglijk het voor ouders is wanneer zij -door wat voor omstandigheden dan ook - niet kunnen zorgen voor hun kind. “Toen ik mee ging kijken naar het pleeggezin was de belangrijkste gedachte die door mijn hoofd speelde: als ze maar van hem gaan houden!” Dat niet iedereen juichend aan de kant staat als er een pleegkind bij komt klinkt door in de vragen die aan het panel gesteld worden. Een oma vraagt bezorgd of door de aanwezigheid van het pleegkind de andere kinderen in het gezin niet tekort zullen komen. “Vaak zijn het toch van die moeilijke kinderen, die veel aandacht vragen?” Ook bij de financiële kant van de plaatsing hebben sommigen hun vraagtekens: “Hoe zit het met de verzekeringen. Wat voor risico’s lopen pleegouders?”
“Vooral in het begin, vond ik het moeilijk”, laat de moeder van een pleegmoeder eerlijk weten. “Al die onrust, maar nu er langzaamaan een zekere rust in de situatie komt heb ik er meer vrede mee.” Ook na vele plaatsingen kan die weerstand soms blijven bestaan. “Mijn moeder heeft het nooit geaccepteerd”, aldus een ervaren pleegmoeder, “nog steeds klaagt zij tegen mij over: ‘al die vreemden er altijd bij’. Zij is bang dat ik mijn eigen kinderen tekort heb gedaan.”
De twijfel over de keuze van het familielid, de buren of de kennissen voor pleegzorg wordt niet altijd rechtstreeks geuit, maar komt soms pijnlijk aan het licht bij het geven van kado’s. De kadootjes voor het pleegkind zijn kleiner, misschien met minder zorg uitgekozen. Soms kan dat verschil zo opvallend zijn dat de eigen kinderen uit een solidariteitsgevoel tot actie overgaan, en de gekregen kado’s eerlijk verdelen. Ook al helpt uitleg, toch blijft het voor de betrokkenen moeilijk om hiervoor een goede manier van omgaan te vinden.
Maar er zijn ook andere reacties! Pleegkinderen die in de buurt waar zij gaan wonen verwelkomd worden met hartelijke kaartjes, een klein welkomspresentje krijgen van de nieuwe oma voor hun kamer, ooms en tantes die vanzelfsprekend ook op de verjaardag van het pleegkind komen, logeerpartijen bij de neefjes en nichtjes in de pleegfamilie. Opa die zegt: “Het is een echte van Wijk, dat kun je wel zien.”
Pleegouder wordt je niet zo maar. Pleegfamilie in veel gevallen wel. Pleegouderschap vraagt een zorgvuldige voorbereiding in het belang van het kind, en in het belang van het pleeggezin. Maar een pleeggezin staat niet op zich zelf, er is familie, er zijn vrienden, kennissen, buren en het is een goede zaak dat ook zij bij de voorbereidingen worden betrokken. Dat kan alleen maar bijdragen aan een welkome plek voor het pleegkind, en aan een optimale plaatsing.

literatuur - citaten:

1. 'Close Up', door Szabinka Dudevszky, Uitg. Lemniscaat, 1998

2. 'Ze zijn er gewoon voor mij', F. van Beek, WESP, 1999