-
inleiding
“Ik neem niet iedereen in
vertrouwen,” zegt Samantha, 14 jaar. Samantha woont
in een pleeggezin. “Sommige kinderen weten niet eens
wat pleegzorg is en gaan rare dingen over je denken. Maar
ik ben gewoon normaal, net als anderen hoor.”(1)
Pleegkinderen worstelen met een dilemma. Ze zijn gewoon
zichzelf, een kind net als anderen kinderen. Maar hun
levensloop wijkt af van de mensen in hun directe
omgeving, en daardoor komen ze toch in een
uitzonderingspositie. Ze wonen niet bij hun ouders, ze
zijn letterlijk verplaatst naar een nieuwe omgeving, waar
soms niemand hen kent. Toch willen de meeste uit huis
geplaatste jongeren liever wonen in een
‘gewoon’ gezin met ‘gewone’
pleegouders, dan in een internaat met telkens wisselende
groepsleiding.
Net als andere kinderen die wel bij hun ouders kunnen
opgroeien, willen pleegkinderen persoonlijke banden,
stabiliteit, geen zorgen hebben, niet uit de toon vallen
bij vrienden, vriendinnen en klasgenoten (2).
Maar hoe werkt het eigenlijk in
de praktijk als een pleegkind in een ‘gewoon’
gezin in een ‘gewone’ buitenwijk, en op een
‘gewone’ school terechtkomt, in een klas waar
het zich misschien de enige voelt die ‘anders’
is? Pleegkinderen hebben veel meer meegemaakt, gedragen
zich daardoor anders en hebben soms een totaal andere
positie in de klas of het pleeggezin. Zoals bij de
15-jarige Asena die zegt: “Mijn pleegzus was jaloers
dat ik meer mocht dan zij. Maar ik heb heel andere dingen
meegemaakt. Ik bepaal zelf of ik naar school ga, en hoe
laat ik thuiskom.”
Hoe reageert de omgeving over het algemeen eigenlijk op
de aanwezigheid van een pleegkind? De school, de buurt,
de familie, de dokter, de tandarts?
Veel pleegkinderen merken dat
‘die directe omgeving’ zich vaak een beeld over
hen heeft gevormd als moeilijk, asociaal of zielig.
Meestal zijn deze beelden niet gebaseerd op werkelijke
ervaringen, maar op vooroordelen, veelal afkomstig uit de
media. Voor de kinderen zelf is het erg vervelend, en
soms een reden om zich terughoudend op te stellen. Hoe ga
je als pleegouder daar mee om, zonder de privacy van een
pleegkind te schenden? Worden pleegouders ook voorbereid
op de reacties uit de directe omgeving? Hoe informeer je
de school en de klas? Hoe ga je om met oprechte
belangstelling, roddel en achterklap, ongevraagde
bemoeienissen, uitsluiting en onbegrip, en hoe hou je als
pleeggezin toch op een ‘gewone’ manier een goed
contact met je omgeving?
MOBIEL wil met dit themagedeelte inzicht geven in de
beleving van pleegkinderen in een zo ‘gewoon
mogelijke’ omgeving, maar ook voorbeelden geven hoe
pleegouders met de school, de buurt en de familie om
(kunnen) gaan.
Gewoon
anders
door Sonja Nojon, redacteur
Mobiel
Ik was al boven de dertig toen ik
hoorde dat mijn tante niet de zus van mijn moeder is,
maar de pleegzus. Stomverbaasd over dit verzwegen
familiefeit, ervaarde ik voor het eerst de hardnekkige
wens van een pleegkind om ‘zo gewoon mogelijk’
te zijn. Want het was op uitdrukkelijk verzoek van mijn
tante, dat mijn ouders ‘het’ niet verteld
hadden. “Het maakt toch niets uit,” zei ze toen
ik haar naar het waarom vroeg. “Ik blijf toch gewoon
je tante?”
Maar als het werkelijk niets uitmaakte, dan had ze het
toch niet hoeven te verzwijgen? Mijn tante is inmiddels
over de 90 jaar, en heeft me volledig bijgepraat over het
alcoholisme van haar vader, het weggeven van haar als
kind aan mijn opa en oma, de woede hierover - na bijna
een eeuw nog steeds smeulend - en de dankbaarheid dat wij
nu haar familie zijn.
In mijn ogen blijft ze familie, maar dan gewoon anders.
Gewoon, omdat ze nog steeds mijn tante is. Gewoon, omdat
ze me net zo dierbaar is als voordat ik wist dat ze een
pleegkind was. Maar ook anders. Want het horen van haar
levensgeschiedenis plaatste haar in een volkomen ander
kader. Ze werd er unieker, krachtiger en wijzer door in
mijn ogen. En ook de familie van mijn moeder zag ik in
een ander licht: socialer, liefdevoller, maar ook
completer van samenstelling.
Wat me opvalt is de neiging van mijn
moeder en mijn tante om dat anders zijn weg te moffelen.
“Ze is niet mijn pleegzus,” zegt mijn moeder
dan, “ze is gewoon Marie, mijn zus.” Alsof het
woord pleegkind synoniem is met ‘minder leuk en
lief’. Maar soms is het ook gewoon anders.
In de pleegzorg valt het me ook op dat pleegouders alles
op alles zetten om vooral ‘gewoon’ te doen.
Maar als we eerlijk zijn blijft de positie van
pleegkinderen altijd anders dan die van je eigen
kinderen. Die verschillen in positie zijn vaak erg
subtiel, en worden soms eerder door het pleegkind ervaren
dan door de familie. Zo waren de pleegouders van Janneke
25 jaar getrouwd. Er moest een familieportret komen, met
de kinderen erbij. Janneke bleef aan de grond genageld
staan. Mocht ze nu wel of niet op de foto? De pleegmoeder
zag haar aarzeling en riep: “Kom erbij
Janneke”, maar Janneke schudde haar hoofd. Nee, ze
woonde er te kort. Ze hoorde (nog) niet bij de
familie-geschiedenis. Ze was gewoon anders: zichzelf, een
pleegkind. Niets meer en niets minder.
Als pleegouder moet je hierop voorbereid zijn. Ontkennen
en wegmoffelen van de verschillen draagt alleen maar bij
aan het instandhouden van een taboe op anders zijn. De
verschillen moeten gezien en opgevangen worden. Een
pleegkind voelt zich hierin erkend dat het mag zijn wie
het is. En: mógen ze alsjeblieft ook een beetje
anders zijn?
Een uitdaging hierbij is de kring van familie, buren,
klasgenoten, vriendjes en vriendinnetjes om het pleegkind
heen. Want niet altijd zal de omgeving het op prijs
stellen dat een pleegkind net even anders is. Dit kan in
die kring spanningen opleveren. Maar net doen alsof er
geen verschil is, terwijl iedereen merkt dat dit er wel
is, is geen heilzame oplossing. Het geeft het pleegkind
de indruk dat het ‘gek’ is om anders te zijn.
Een betere aanpak is het om de omgeving op een eigen
manier te betrekken in de omgang met het pleegkind. Alles
is beter dan het verhullen van het anders zijn, Want dat
vergroot alleen maar het gevoel van isolement.
Kind
waar begin je aan
door Nelleke Visscher,
hoofdredacteur
In de directe omgeving van een
aanstaand pleeggezin leven vaak - wel of niet
uitgesproken - veel vragen over het pleegouderschap. In
voorbereidingsprogramma’s wordt hier ook aandacht
aan geschonken. Zo heeft het STAP voorbereidings- en
selectieprogramma als vast onderdeel een bijeenkomst
waarbij aspirant-pleegouders hun familie, vrienden,
kennissen en buren mogen uitnodigen. Iedereen kan vragen
stellen aan een panel van voornamelijk
ervaringsdeskundigen.
De aankondiging van een aanstaande
gezinsuitbreiding met een pleegkind wordt in familie- en
vriendenkring nogal eens met enige terughoudendheid
ontvangen. Reacties als ‘kind waar begin je
aan’ en ‘moet ik je feliciteren met deze
plannen’ zijn niet ongewoon, al zijn ze gelukkig
niet toonaangevend. Het is een ongerustheid die vaak
wordt ingegeven door onbekendheid met pleegzorg. Goede
voorlichting kan heel wat van die onrust wegnemen.
In de selectie- en voorbereidingsbijeenkomsten besteden
de Voorzieningen voor Pleegzorg er dan ook de nodige
aandacht aan. In deze bijeenkomsten praten
aspirant-pleegouders en een team van ervaren pleegouders
en pleeggezinbegeleiders met elkaar over belangrijke
pleegzorgonderwerpen als: samenwerken in de pleegzorg,
hechting, identiteit, gedrag, en de betekenis van het
pleegouderschap voor het gezin.
Maar een gezin is ingebed in de familie, de vrienden- en
kennissenkring, de buurt, en het pleegkind gaat daar deel
van uit maken. Op enig moment krijgen ook zij met het
pleegkind te maken, tijdens familie-bijeenkomsten, op
verjaardagen, bij het spelen op straat. Daarom is het
belangrijk om ook aan hun informatiebehoefte tegemoet te
komen.
De voorlichtingsbijeenkomsten voorzien daarin door een
speciale avond te reserveren voor de directe kring rond
het aanstaande pleeggezin. En de aspirant-pleegouders
blijken hun familie, vrienden, kennissen en buren daar in
groten getale mee naar toe te nemen: opa’s
oma’s, vaders, moeders, vrienden, buren en in een
enkel geval zelfs de au-pair.
Zo’n avond begint met een korte introductie over
‘het waarom van deze avond’, en een
voorstelronde van het panel en wie daar verder behoefte
aan heeft. De panelleden, een ervaren pleegmoeder, een
eigen kind van pleegouders, een oma, een pleegkind dat
van het ene pleeggezin naar het ander verhuisde, een
pleegzorgbegeleider, en de moeder van een pleegkind
vertellen kort over hun motivatie om aan deze bijeenkomst
mee te doen. Ieder heeft een eigen motief, maar
gemeenschappelijk is de bezorgdheid voor het pleegkind:
‘als dat maar goed op z’n plek komt’.
Misschien maakt die bezorgdheid van de ouder van het
pleegkind nog wel de meeste indruk op de aanwezigen, als
zij vertelt hoe verscheurend en onverdraaglijk het voor
ouders is wanneer zij -door wat voor omstandigheden dan
ook - niet kunnen zorgen voor hun kind. “Toen ik mee
ging kijken naar het pleeggezin was de belangrijkste
gedachte die door mijn hoofd speelde: als ze maar van hem
gaan houden!” Dat niet iedereen juichend aan de kant
staat als er een pleegkind bij komt klinkt door in de
vragen die aan het panel gesteld worden. Een oma vraagt
bezorgd of door de aanwezigheid van het pleegkind de
andere kinderen in het gezin niet tekort zullen komen.
“Vaak zijn het toch van die moeilijke kinderen, die
veel aandacht vragen?” Ook bij de financiële
kant van de plaatsing hebben sommigen hun vraagtekens:
“Hoe zit het met de verzekeringen. Wat voor
risico’s lopen pleegouders?”
“Vooral in het begin, vond ik het moeilijk”,
laat de moeder van een pleegmoeder eerlijk weten.
“Al die onrust, maar nu er langzaamaan een zekere
rust in de situatie komt heb ik er meer vrede mee.”
Ook na vele plaatsingen kan die weerstand soms blijven
bestaan. “Mijn moeder heeft het nooit
geaccepteerd”, aldus een ervaren pleegmoeder,
“nog steeds klaagt zij tegen mij over: ‘al die
vreemden er altijd bij’. Zij is bang dat ik mijn
eigen kinderen tekort heb gedaan.”
De twijfel over de keuze van het familielid, de buren of
de kennissen voor pleegzorg wordt niet altijd
rechtstreeks geuit, maar komt soms pijnlijk aan het licht
bij het geven van kado’s. De kadootjes voor het
pleegkind zijn kleiner, misschien met minder zorg
uitgekozen. Soms kan dat verschil zo opvallend zijn dat
de eigen kinderen uit een solidariteitsgevoel tot actie
overgaan, en de gekregen kado’s eerlijk verdelen.
Ook al helpt uitleg, toch blijft het voor de betrokkenen
moeilijk om hiervoor een goede manier van omgaan te
vinden.
Maar er zijn ook andere reacties! Pleegkinderen die in de
buurt waar zij gaan wonen verwelkomd worden met
hartelijke kaartjes, een klein welkomspresentje krijgen
van de nieuwe oma voor hun kamer, ooms en tantes die
vanzelfsprekend ook op de verjaardag van het pleegkind
komen, logeerpartijen bij de neefjes en nichtjes in de
pleegfamilie. Opa die zegt: “Het is een echte van
Wijk, dat kun je wel zien.”
Pleegouder wordt je niet zo maar. Pleegfamilie in veel
gevallen wel. Pleegouderschap vraagt een zorgvuldige
voorbereiding in het belang van het kind, en in het
belang van het pleeggezin. Maar een pleeggezin staat niet
op zich zelf, er is familie, er zijn vrienden, kennissen,
buren en het is een goede zaak dat ook zij bij de
voorbereidingen worden betrokken. Dat kan alleen maar
bijdragen aan een welkome plek voor het pleegkind, en aan
een optimale plaatsing.
literatuur - citaten:
1.
'Close Up',
door Szabinka Dudevszky,
Uitg. Lemniscaat, 1998
2.
'Ze zijn er
gewoon voor
mij',
F. van Beek, WESP, 1999