artikel uit Mobiel 2, april 1999

Pleegzorg soms een doolhof? (2)

reactie op een eerder thema

Door Annie Huisman
weekend-pleegouder en ex-gezinsvoogdes

Op dit themagedeelte wil ik graag reageren. In de eerste plaats omdat het verhaal van de familie Brunasse heel herkenbaar is en in de tweede plaats omdat er onvolkomenheden in de kaders staan die mijns inziens nog meer verwarring kunnen scheppen..

In de geschiedenis die de familie Brunasse inmiddels met de pleegzorg schrijft worden de nadelen van de ontvlechting worden duidelijk benoemd: de ene hulpverlener-met-een-visie-en-theorie is nog maar net de deur uit of de andere staat op de stoep. En daarbij moet het, net als bij een gezinsonderzoek, een beetje klikken. Waarom niet het tweede bezoek door een ander laten doen?

Het verhaal vertelt ook van de wens van een bijplaatsing. Ik vind dat bij een bijplaatsing het pleeggezin de doorslag moet geven, tenzij er sprake is van echte mislukkingen die aan het pleeggezin zijn toe te schrijven. En wijst &endash het niet verstrekken van een pleegzorgvergoeding omdat men het bijvoorbeeld niet eens is met een rechtstreekse plaatsing door de gezinsvoogdij &endash soms op een te bevoogdende houding van de pleegzorg?

Dan de onvolkomenheden in de kaders:

  • 'Uitvoering van jeugdhulpverlening': hier mis ik de (gezins-)voogdij-instellingen.
  • 'De voorzieningen voor pleegzorg': niet de pleegzorg maar de jeugdzorg is plaatser, in de persoon van een gezinsvoogd. Er dient juist geen contact met school etc, te worden opgenomen door pleegzorg, omdat dan de ontvlechting geen feit is. Terwijl juist de ontvlechting meer voor- dan nadelen heeft!
  • 'Soorten plaatsingen': een OTS is een aanvulling van het ouderlijk gezag, dat dus bij de ouder blijft.
  • 'De plaatsende instelling': als aanvulling moet worden genoemd dat de gezinsvoogd ook contact met kind en ouders moet onderhouden, en indien noodzakelijk, ook met bijvoorbeeld de school.

    Tot slot is het goed te bedenken dat in de pleegzorg ieder vanuit zijn eigen visie bezig is het kind of de jongere te helpen. Dat kan misschien niet anders dan tot verschil in aanpak leiden.

    Positie van kind verslechterd door wetswijziging

    door: (naam en adres bij de redactie bekend)

    Onze wetgeving werkt mee aan incest, verwaarlozing, geestelijke en lichamelijke mishandeling, van kinderen en ouders! Als pleegvader met elf jaar ervaring en 27 plaatsingen ben ik ook geschrokken en heb ik m'n ervaringen op een rijtje gezet.

    Toen we elf jaar geleden met de pleegzorg begonnen, werden we na een aantal gesprekken gescreend en je was pleegouder. Pleegouders die te maken hadden met veel plaatsende instanties en hun maatschappelijk werkers. Door reorganisaties is de pleegzorg zichtbaar verbeterd. Minder instanties en een goed voorbereidingsplan, dit om mislukte plaatsingen te voorkomen.

    Toen er in 1995 een wetswijziging plaatsvond, is mijns inziens de positie van het kind verslechterd. Zo is het ons meerdere malen overkomen dat kleine kinderen bij ons worden geplaatst en na ongeveer drie maanden teruggeplaatst, terwijl er afschuwelijke dingen met ze gebeurd zijn. De plaatser zegt: 'Ik weet dat er aan de thuissituatie niets is veranderd en dat het op korte termijn weer misgaat. Maar wij moeten de ouders een kans geven'. Zelfs langdurig geplaatste kinderen worden aan een steeds terugkerende 'laatste kans' blootgesteld. Ik vind dit geestelijke mishandeling. Als de wet vindt dat ouders nog een kans moeten krijgen, moet dit ook in het belang van het kind zijn.

    De wet moet in dit opzicht duidelijk zijn en er moet op grond van de ervaringen tot nu toe een doeltreffend plan worden gemaakt. Als na professionele hulp kinderen toch uit huis worden geplaatst, is dit voor zowel kinderen als ouders traumatisch en moet tot het uiterste beperkt blijven. Een terugplaatsing naar de ouders kan alleen plaatsvinden als dit in het belang van het kind en de ouders is.

    Er zijn nu eenmaal situaties waarin ouders tegen zichzelf moeten worden beschermd in hun onmacht om kinderen op te voeden.