artikel uit Mobiel 2, april 1999

Ik wou dat het 'gewoon' was

In de serie Vreemd Gedrag

Door René Hoksbergen
hoogleraar Adoptie, Rijksuniversiteit Utrecht

Opgroeien is vaak al ingewikkeld genoeg. Als je dat moet doen zonder de ouders waar je biologisch van afstamt, wordt het nog ingewikkelder. In dit artikel gaat René Hoksbergen vooral in op de problemen die de status van pleegkind of adoptiekind met zich meebrengt en de verschillen maar ook overeenkomsten daartussen. Wanneer we pleegkinderen en adoptiekinderen met elkaar vergelijken, zijn er zowel veel overeenkomsten, als tegelijk ook specifieke problemen die met de adoptie of de status van pleegkind samenhangen.

In Nederland worden bijna geen kinderen meer ter adoptie afgestaan (ongeveer 50 per jaar) en als dat wel gebeurt, zijn het meestal allochtone kinderen. Verreweg de meeste adoptiekinderen komen uit Derdewereld landen. Dat betekent dat deze adoptiekinderen om in het nieuwe gezin te komen eerst een grote reis moeten hebben gemaakt, die hen letterlijk en figuurlijk afscheidt van hun biologische, emotionele en culturele achtergrond. Een reis die zeker voor de kinderen tot ongeveer drie jaar, ook meestal heel plotseling komt. De overgang kan dramatisch groot zijn. Ineens heel ander eten, een heel andere lucht en klimaat, en vooral totaal andere mensen. Mensen die ineens (soms) angstig veel aandacht aan je geven en iets van je terugverwachten. Maar je weet niet wat (liefde).

Bij pleegkinderen is dit niet het geval. Ze zitten meestal dichtbij de bron, maar ook voor hen is de bron vaak onbereikbaar. Dit brengt bij het opgroeien een aantal problemen met zich mee.

Opgaan in een nieuwe familie

Adoptie betekent dat je geheel tot een gezin toetreedt. Je krijgt de naam van het gezin. En je wordt geacht meteen papa en mama te zeggen. Hoe ouder het adoptiekind, des te moeilijker dit kan zijn. Hoewel je in de geboorte niet verbonden bent met dat gezin, gebeurt dat wel in de dood. Je deelt als adoptiekind in de erfenis die de adoptieouders nalaten. Voor pleegkinderen is dat nu juist vaak waar ze naar verlangen, niet 'anders' te zijn, dezelfde naam te dragen als hun pleegouders, geen andere naam op het diploma van school te hebben staan. De adoptiekinderen lijken hierbij wel in het voordeel te zijn. We zeggen echter 'lijken'. Een kleine groep adoptiekinderen heeft namelijk juist grote problemen met de naamswijziging, zeker als het om de voornaam gaat. Als adoptieouders een oorspronkelijke naam geheel gewijzigd en misschien wel genegeerd hebben, zien we nog wel eens dat het adoptiekind, als puber, die oorspronkelijke voornaam weer aanneemt. Dit geldt soms ook voor de achternaam. Niet dat er een officiële wijziging komt, maar in het persoonlijke verkeer wordt een oorspronkelijke, bijvoorbeeld Koreaanse naam, gewoon gebruikt. Adoptieouders wordt daarom geadviseerd de voornaam altijd te gebruiken. Als het voor Nederlandse oren een heel vreemde naam is: als tweede naam.

Willen pleegkinderen echter geadopteerd worden? De adoptie van een kind uit de Derde Wereld is noodzakelijk om naar Nederland te komen. De adoptie van het pleegkind is niet noodzakelijk. Voor het pleegkind en de pleegouders is het verschil in achternaam de doorlopende herinnering aan het niet eigen zijn aan elkaar. Soms lijkt adoptie door de pleegouders de oplossing voor het wegnemen van dit niet eigen zijn. Het kan van een pleegkind ook het 'cadeau' zijn wat hij zijn pleegouders als eerbetoon wil geven, zeker als hij onzekerheid hierover ervaart bij de pleegouders. Kinderen zijn loyaal aan hun ouders, ook pleegkinderen aan hun pleegouders.

Afzetten tegen de 'zorgouders'

Bij het adoptiekind kan zoals hiervoor opgemerkt het tegenovergestelde spelen, die kan soms verlangen naar de oorspronkelijke naam als erkenning voor de eigen achtergrond, vaak ook de eigen cultuur. Zowel het pleegkind als het adoptiekind zal het feit dat het niet bij de eigen ouders opgroeit een plaats moeten geven. Dat zorgt regelmatig voor onrust. Deze onrust wordt bij jonge kinderen vaak zichtbaar doordat ze zich vrij plotseling afzetten tegen hun 'zorgouders'. Laten we met deze term alle ouders benoemen die op de een of andere wijze tijdens een periode voor een kind zorgen en zich verantwoordelijk voelen voor zijn opvoeding. Een plotseling negatieve houding naar de zorgouders toe kan wijzen op het zoeken naar een nieuwe balans in het adoptie- of pleegkind tussen zijn gevoel van geborgenheid bij zijn zorgouders en zijn gevoel van horen bij zijn biologische ouders.

'Jij bent een stomme papa, niemand zou jou kiezen'; 'Ik wil hier niet wonen'. 'Mijn echte moeder zou dat helemaal niet doen.' Veel van deze uitingen zien we ook terug bij kinderen die bij hun eigen ouders opgroeien. Bijvoorbeeld is het heel gebruikelijk dat kinderen aan het einde van de basisschool fantaseren over andere ouders. Bij adoptie- en pleegkinderen wordt echter meteen de tijdelijkheid van hun verblijf daarmee aangeraakt. Het verzet tegen de zorgouders kan bij periodes ontstaan en een aantal keren terugkomen. Belangrijke periodes hierin zijn van zeven tot negen; van elf tot twaalf jaar en rond de dertien jaar. De vorm van het gedrag van het kind ligt vaak in het verlengde van zijn normale gedrag. Voor jongens betekent dat vaak meer naar buiten gericht, agressief gedrag; voor meisjes meer naar binnen gericht, angstig gedrag.

Voor het pleegkind, net als voor het adoptiekind, is het wonen bij de zorgouders een 'tweede leven'. Wanneer de pleegouders of adoptieouders openstaan voor het 'eerste leven' van het kind, zal er meer rust komen in het gezin. Kinderen die geen ruimte voelen voor de mensen en onderwerpen uit hun 'eerste leven', kunnen in een klemsituatie terechtkomen. Dit kan zich uiten in aanpassend gedrag dat van binnenuit 'ontploft' omdat het niet meer vol te houden is.

Verwarrende fantasieen en gevoelens

Kinderen voelen een loyaliteit naar zowel de zorgouders als de eigen ouders. Voor adoptiekinderen is het vaak moeilijk om in contact te komen met hun eigen ouders. Over hen fantaseren kan echter altijd en dat zien we ook vaak. De inhoud van die fantasieën wordt natuurlijk beïnvloed door de ontwikkelingsfase waarin het kind dan zit. Bij het jonge kind kunnen gevoelens van zorg en medelijden misschien wel samengaan met angst om toch maar niet met die ouders geconfronteerd te worden. Want wat zouden ze wel niet met de adoptieouders doen, en nemen ze mij dan weer mee? In de puberteit kunnen boosheid en nieuwsgierigheid elkaar afwisselen. Boosheid om het afgestaan zijn, nieuwsgierigheid om meer te weten te komen over jezelf: op wie lijk ik, van wie heb ik bepaalde eigenschappen, en dergelijke.

Als eventueel een ontmoeting tot stand komt dan is het vaak zo dat deze ouders in veel moeilijker omstandigheden leven dan de adoptieouders en adoptiekinderen kunnen dan de behoefte ontwikkelen om voor hun ouders te gaan zorgen. Dat is echter niet eenvoudig. Zowel fysieke als culturele afstanden zijn groot, mogelijkheden van hulp door tussenpersonen beperkt. Hetzelfde proces zie je bij pleegkinderen, met dit verschil dat hier vaker sprake is van hulpverlening. Pleegouders en pleegkinderen kunnen daar een beroep op doen om de oorspronkelijke ouders te helpen. Deze hulpverlening in het pleegmilieu is zeker de laatste jaren fors uitgebreid. In de adoptiewereld staan we nog maar aan het begin.

Een adoptiekind kan met de angst rondlopen weer terug te moeten. Een pleegkind kampt vaak met dezelfde angst, maar de tijdelijkheid van het verblijf als pleegkind is vaak veel duidelijker. Het feit dat het kind gekomen is, betekent dat het ook weer kan gaan, aanpassing is daardoor vaak een van de problemen van adoptie- en pleegkinderen. Dit geldt voor adoptiekinderen nog sterker wanneer zij in het land van herkomst te horen hebben gekregen, wat vrij gebruikelijk is, dat zij dankbaar moeten zijn dat hun zorgouders hen hebben willen opnemen in hun gezin. Juist die verplichte dankbaarheid is een van die aspecten die voor een adoptiekind heel storend, vernederend misschien wel kan werken. Daarom wordt adoptieouders altijd aangeraden het kind niet anders op te voeden dan andere kinderen. Wel het kind tijdig, zo rond het begin van de schoolgaande leeftijd, over adoptie in te lichten. Hier moet echter niet méér aan verbonden worden dan de erkenning dat het kind twee paar ouders heeft. En dat het daarmee moet leren leven. Adoptieouders en pleegouders doen er goed aan met het kind alleen maar met respect over de oorspronkelijke ouders te praten. Kinderen identificeren zich nu eenmaal sterk met hun ouders. Praat je negatief over de ouders, dan kan het kind dat als negatieve informatie over zichzelf ervaren.

Duidelijkheid schept rust

Het komt nog zelden voor dat een pleegkind er niet van op de hoogte is dat hij een pleegkind is; bij adoptie kan dit nog steeds voorkomen omdat het kind vaak heel jong bij zijn nieuwe ouders terechtkomt. Het uiterlijk van het adoptiekind, zorgt er echter vaak al voor dat het duidelijk is dat er andere biologische ouders zijn. Bij het adoptiekind is het vaak een theoretische kennis, het contact met de eigen ouders is bijna nooit mogelijk. Deze zijn vaak niet bekend of hun verblijf is niet meer te achterhalen. Dat betekent voor pleegkinderen dat zij vaker heen en weer geslingerd worden in hun verlangen bij pleegouders of bij eigen ouders te willen wonen.

Wat ik toejuich in mijn contacten met geadopteerde jongeren, is een gesprek als 'Ik ben geadopteerd'. 'Wanneer is je dat verteld'? 'Dat weet ik niet. Ik wist altijd al dat het zo was.' Zo zit het in elkaar: Ik wist het altijd al. En de permanente erkenning daarvoor, dat maakt de situatie veilig voor kinderen. Dat geeft de rust in het gezin.

Verschillende gezinsproblemen

Het gezin waar het adoptie- of het pleegkind in terechtkomt, verschilt vaak. Adoptiegezinnen zijn meestal (85 tot 90 procent) kinderloos. Het adoptiekind is dan enig kind of woont samen met meestal een ander adoptiekind. De ouders hebben weinig of geen opvoedingservaring en het kind staat centraal in de aandacht. Vaak is het zo dat tot adoptie besloten werd na een lange weg vol met medische acties waarin uiteindelijk duidelijk werd dat er geen eigen kinderen konden komen. De verwachting die op het adoptiekind rust, is daarmee groot. Vaak wordt met de komst van het kind verwacht dat een leeg gat wordt opgevuld. Het kind kan daardoor faalangstig worden, omdat het aan de hoge verwachtingen van adoptieouders wil voldoen, zonder dat het precies weet wat het dan moet presteren. Het kan ook zijn dat het kind vol met angsten, onbegrip over de nieuwe ouders en agressie over het verleden zit. Een agressie die lange tijd verborgen kan blijven, maar in de puberteit op erg harde en gezinsverstorende wijze naar buiten kan treden.

Bij pleegkinderen gaat het vaak om gezinnen waar reeds een of meer eigen kinderen wonen. Het pleegkind voelt het verschil tussen het eigen kind en zichzelf. Er kan daardoor felle jaloezie ontstaan, meestal nadat er sprake is van enige gewenning in het gezin. Dit kan zich uiten in rivaliteit tussen het pleegkind en het eigen kind. Erkenning van de andere status kan rust geven. Een gelijke behandeling van alle kinderen is niet mogelijk, en ook niet noodzakelijk. Het pleegkind zal ook meestal zijn eigen ouders op de eerste plaats hebben staan. Het is dus een wederzijds gevoel, zowel bij pleegkind als bij pleegouders. Dat accepteren, en waarderen elkaar gekozen te hebben, zal de rivaliteit doen verminderen. Er open in het gezin over praten kan soms goed helpen. De rivaliteit blijft dan niet als probleem bij de kinderen, maar wordt een gezinsprobleem.

Naast alle onzekerheden en problemen die kinderen bij het opgroeien hebben vanuit hun aanleg of de omstandigheden waaronder ze opgroeien hebben adoptie- en pleegkinderen een extra ontwikkelingstaak te vervullen: een plaats geven aan hun eigen ouders, het aanvaarden van hun adoptie- of pleegstatus. Adoptiekinderen moeten leren accepteren dat hun eigen cultuur ver weg en vaak erg onbereikbaar is; pleegkinderen moeten leren dat hun eigen achtergrond weliswaar bereikbaar is, maar psychologisch onbereikbaar omdat hun ouders niet voor hen kunnen zorgen.