Opgroeien is vaak al
ingewikkeld genoeg. Als je dat moet doen zonder de ouders
waar je biologisch van afstamt, wordt het nog
ingewikkelder. In dit artikel gaat René Hoksbergen
vooral in op de problemen die de status van pleegkind of
adoptiekind met zich meebrengt en de verschillen maar ook
overeenkomsten daartussen. Wanneer we pleegkinderen en
adoptiekinderen met elkaar vergelijken, zijn er zowel
veel overeenkomsten, als tegelijk ook specifieke
problemen die met de adoptie of de status van pleegkind
samenhangen.
In Nederland worden bijna geen
kinderen meer ter adoptie afgestaan (ongeveer 50 per
jaar) en als dat wel gebeurt, zijn het meestal allochtone
kinderen. Verreweg de meeste adoptiekinderen komen uit
Derdewereld landen. Dat betekent dat deze adoptiekinderen
om in het nieuwe gezin te komen eerst een grote reis
moeten hebben gemaakt, die hen letterlijk en figuurlijk
afscheidt van hun biologische, emotionele en culturele
achtergrond. Een reis die zeker voor de kinderen tot
ongeveer drie jaar, ook meestal heel plotseling komt. De
overgang kan dramatisch groot zijn. Ineens heel ander
eten, een heel andere lucht en klimaat, en vooral totaal
andere mensen. Mensen die ineens (soms) angstig veel
aandacht aan je geven en iets van je terugverwachten.
Maar je weet niet wat (liefde).
Bij pleegkinderen is dit niet het
geval. Ze zitten meestal dichtbij de bron, maar ook voor
hen is de bron vaak onbereikbaar. Dit brengt bij het
opgroeien een aantal problemen met zich mee.
Opgaan in een nieuwe
familie
Adoptie betekent dat je geheel tot een
gezin toetreedt. Je krijgt de naam van het gezin. En je
wordt geacht meteen papa en mama te zeggen. Hoe ouder het
adoptiekind, des te moeilijker dit kan zijn. Hoewel je in
de geboorte niet verbonden bent met dat gezin, gebeurt
dat wel in de dood. Je deelt als adoptiekind in de
erfenis die de adoptieouders nalaten. Voor pleegkinderen
is dat nu juist vaak waar ze naar verlangen, niet
'anders' te zijn, dezelfde naam te dragen als hun
pleegouders, geen andere naam op het diploma van school
te hebben staan. De adoptiekinderen lijken hierbij wel in
het voordeel te zijn. We zeggen echter 'lijken'. Een
kleine groep adoptiekinderen heeft namelijk juist grote
problemen met de naamswijziging, zeker als het om de
voornaam gaat. Als adoptieouders een oorspronkelijke naam
geheel gewijzigd en misschien wel genegeerd hebben, zien
we nog wel eens dat het adoptiekind, als puber, die
oorspronkelijke voornaam weer aanneemt. Dit geldt soms
ook voor de achternaam. Niet dat er een officiële
wijziging komt, maar in het persoonlijke verkeer wordt
een oorspronkelijke, bijvoorbeeld Koreaanse naam, gewoon
gebruikt. Adoptieouders wordt daarom geadviseerd de
voornaam altijd te gebruiken. Als het voor Nederlandse
oren een heel vreemde naam is: als tweede
naam.
Willen pleegkinderen echter
geadopteerd worden? De adoptie van een kind uit de Derde
Wereld is noodzakelijk om naar Nederland te komen. De
adoptie van het pleegkind is niet noodzakelijk. Voor het
pleegkind en de pleegouders is het verschil in achternaam
de doorlopende herinnering aan het niet eigen zijn aan
elkaar. Soms lijkt adoptie door de pleegouders de
oplossing voor het wegnemen van dit niet eigen zijn. Het
kan van een pleegkind ook het 'cadeau' zijn wat hij zijn
pleegouders als eerbetoon wil geven, zeker als hij
onzekerheid hierover ervaart bij de pleegouders. Kinderen
zijn loyaal aan hun ouders, ook pleegkinderen aan hun
pleegouders.
Afzetten tegen de
'zorgouders'
Bij het adoptiekind kan zoals hiervoor
opgemerkt het tegenovergestelde spelen, die kan soms
verlangen naar de oorspronkelijke naam als erkenning voor
de eigen achtergrond, vaak ook de eigen cultuur. Zowel
het pleegkind als het adoptiekind zal het feit dat het
niet bij de eigen ouders opgroeit een plaats moeten
geven. Dat zorgt regelmatig voor onrust. Deze onrust
wordt bij jonge kinderen vaak zichtbaar doordat ze zich
vrij plotseling afzetten tegen hun 'zorgouders'. Laten we
met deze term alle ouders benoemen die op de een of
andere wijze tijdens een periode voor een kind zorgen en
zich verantwoordelijk voelen voor zijn opvoeding. Een
plotseling negatieve houding naar de zorgouders toe kan
wijzen op het zoeken naar een nieuwe balans in het
adoptie- of pleegkind tussen zijn gevoel van geborgenheid
bij zijn zorgouders en zijn gevoel van horen bij zijn
biologische ouders.
'Jij bent een stomme papa, niemand zou
jou kiezen'; 'Ik wil hier niet wonen'. 'Mijn echte moeder
zou dat helemaal niet doen.' Veel van deze uitingen zien
we ook terug bij kinderen die bij hun eigen ouders
opgroeien. Bijvoorbeeld is het heel gebruikelijk dat
kinderen aan het einde van de basisschool fantaseren over
andere ouders. Bij adoptie- en pleegkinderen wordt echter
meteen de tijdelijkheid van hun verblijf daarmee
aangeraakt. Het verzet tegen de zorgouders kan bij
periodes ontstaan en een aantal keren terugkomen.
Belangrijke periodes hierin zijn van zeven tot negen; van
elf tot twaalf jaar en rond de dertien jaar. De vorm van
het gedrag van het kind ligt vaak in het verlengde van
zijn normale gedrag. Voor jongens betekent dat vaak meer
naar buiten gericht, agressief gedrag; voor meisjes meer
naar binnen gericht, angstig gedrag.
Voor het pleegkind, net als voor het
adoptiekind, is het wonen bij de zorgouders een 'tweede
leven'. Wanneer de pleegouders of adoptieouders openstaan
voor het 'eerste leven' van het kind, zal er meer rust
komen in het gezin. Kinderen die geen ruimte voelen voor
de mensen en onderwerpen uit hun 'eerste leven', kunnen
in een klemsituatie terechtkomen. Dit kan zich uiten in
aanpassend gedrag dat van binnenuit 'ontploft' omdat het
niet meer vol te houden is.
Verwarrende fantasieen en
gevoelens
Kinderen voelen een loyaliteit naar
zowel de zorgouders als de eigen ouders. Voor
adoptiekinderen is het vaak moeilijk om in contact te
komen met hun eigen ouders. Over hen fantaseren kan
echter altijd en dat zien we ook vaak. De inhoud van die
fantasieën wordt natuurlijk beïnvloed door de
ontwikkelingsfase waarin het kind dan zit. Bij het jonge
kind kunnen gevoelens van zorg en medelijden misschien
wel samengaan met angst om toch maar niet met die ouders
geconfronteerd te worden. Want wat zouden ze wel niet met
de adoptieouders doen, en nemen ze mij dan weer mee? In
de puberteit kunnen boosheid en nieuwsgierigheid elkaar
afwisselen. Boosheid om het afgestaan zijn,
nieuwsgierigheid om meer te weten te komen over jezelf:
op wie lijk ik, van wie heb ik bepaalde eigenschappen, en
dergelijke.
Als eventueel een ontmoeting tot stand
komt dan is het vaak zo dat deze ouders in veel
moeilijker omstandigheden leven dan de adoptieouders en
adoptiekinderen kunnen dan de behoefte ontwikkelen om
voor hun ouders te gaan zorgen. Dat is echter niet
eenvoudig. Zowel fysieke als culturele afstanden zijn
groot, mogelijkheden van hulp door tussenpersonen
beperkt. Hetzelfde proces zie je bij pleegkinderen, met
dit verschil dat hier vaker sprake is van hulpverlening.
Pleegouders en pleegkinderen kunnen daar een beroep op
doen om de oorspronkelijke ouders te helpen. Deze
hulpverlening in het pleegmilieu is zeker de laatste
jaren fors uitgebreid. In de adoptiewereld staan we nog
maar aan het begin.
Een adoptiekind kan met de angst
rondlopen weer terug te moeten. Een pleegkind kampt vaak
met dezelfde angst, maar de tijdelijkheid van het
verblijf als pleegkind is vaak veel duidelijker. Het feit
dat het kind gekomen is, betekent dat het ook weer kan
gaan, aanpassing is daardoor vaak een van de problemen
van adoptie- en pleegkinderen. Dit geldt voor
adoptiekinderen nog sterker wanneer zij in het land van
herkomst te horen hebben gekregen, wat vrij gebruikelijk
is, dat zij dankbaar moeten zijn dat hun zorgouders hen
hebben willen opnemen in hun gezin. Juist die verplichte
dankbaarheid is een van die aspecten die voor een
adoptiekind heel storend, vernederend misschien wel kan
werken. Daarom wordt adoptieouders altijd aangeraden het
kind niet anders op te voeden dan andere kinderen. Wel
het kind tijdig, zo rond het begin van de schoolgaande
leeftijd, over adoptie in te lichten. Hier moet echter
niet méér aan verbonden worden dan de
erkenning dat het kind twee paar ouders heeft. En dat het
daarmee moet leren leven. Adoptieouders en pleegouders
doen er goed aan met het kind alleen maar met respect
over de oorspronkelijke ouders te praten. Kinderen
identificeren zich nu eenmaal sterk met hun ouders. Praat
je negatief over de ouders, dan kan het kind dat als
negatieve informatie over zichzelf ervaren.
Duidelijkheid schept
rust
Het komt nog zelden voor dat een
pleegkind er niet van op de hoogte is dat hij een
pleegkind is; bij adoptie kan dit nog steeds voorkomen
omdat het kind vaak heel jong bij zijn nieuwe ouders
terechtkomt. Het uiterlijk van het adoptiekind, zorgt er
echter vaak al voor dat het duidelijk is dat er andere
biologische ouders zijn. Bij het adoptiekind is het vaak
een theoretische kennis, het contact met de eigen ouders
is bijna nooit mogelijk. Deze zijn vaak niet bekend of
hun verblijf is niet meer te achterhalen. Dat betekent
voor pleegkinderen dat zij vaker heen en weer geslingerd
worden in hun verlangen bij pleegouders of bij eigen
ouders te willen wonen.
Wat ik toejuich in mijn contacten met
geadopteerde jongeren, is een gesprek als 'Ik ben
geadopteerd'. 'Wanneer is je dat verteld'? 'Dat weet ik
niet. Ik wist altijd al dat het zo was.' Zo zit het in
elkaar: Ik wist het altijd al. En de permanente erkenning
daarvoor, dat maakt de situatie veilig voor kinderen. Dat
geeft de rust in het gezin.
Verschillende
gezinsproblemen
Het gezin waar het adoptie- of het
pleegkind in terechtkomt, verschilt vaak. Adoptiegezinnen
zijn meestal (85 tot 90 procent) kinderloos. Het
adoptiekind is dan enig kind of woont samen met meestal
een ander adoptiekind. De ouders hebben weinig of geen
opvoedingservaring en het kind staat centraal in de
aandacht. Vaak is het zo dat tot adoptie besloten werd na
een lange weg vol met medische acties waarin uiteindelijk
duidelijk werd dat er geen eigen kinderen konden komen.
De verwachting die op het adoptiekind rust, is daarmee
groot. Vaak wordt met de komst van het kind verwacht dat
een leeg gat wordt opgevuld. Het kind kan daardoor
faalangstig worden, omdat het aan de hoge verwachtingen
van adoptieouders wil voldoen, zonder dat het precies
weet wat het dan moet presteren. Het kan ook zijn dat het
kind vol met angsten, onbegrip over de nieuwe ouders en
agressie over het verleden zit. Een agressie die lange
tijd verborgen kan blijven, maar in de puberteit op erg
harde en gezinsverstorende wijze naar buiten kan
treden.
Bij pleegkinderen gaat het vaak om
gezinnen waar reeds een of meer eigen kinderen wonen. Het
pleegkind voelt het verschil tussen het eigen kind en
zichzelf. Er kan daardoor felle jaloezie ontstaan,
meestal nadat er sprake is van enige gewenning in het
gezin. Dit kan zich uiten in rivaliteit tussen het
pleegkind en het eigen kind. Erkenning van de andere
status kan rust geven. Een gelijke behandeling van alle
kinderen is niet mogelijk, en ook niet noodzakelijk. Het
pleegkind zal ook meestal zijn eigen ouders op de eerste
plaats hebben staan. Het is dus een wederzijds gevoel,
zowel bij pleegkind als bij pleegouders. Dat accepteren,
en waarderen elkaar gekozen te hebben, zal de rivaliteit
doen verminderen. Er open in het gezin over praten kan
soms goed helpen. De rivaliteit blijft dan niet als
probleem bij de kinderen, maar wordt een
gezinsprobleem.
Naast alle onzekerheden en problemen
die kinderen bij het opgroeien hebben vanuit hun aanleg
of de omstandigheden waaronder ze opgroeien hebben
adoptie- en pleegkinderen een extra ontwikkelingstaak te
vervullen: een plaats geven aan hun eigen ouders, het
aanvaarden van hun adoptie- of pleegstatus.
Adoptiekinderen moeten leren accepteren dat hun eigen
cultuur ver weg en vaak erg onbereikbaar is;
pleegkinderen moeten leren dat hun eigen achtergrond
weliswaar bereikbaar is, maar psychologisch onbereikbaar
omdat hun ouders niet voor hen kunnen zorgen.