artikel uit Mobiel 2, april 1999

Grenzen minder scherp

Pleegzorg bij de Oosterburen

Door Ineke Exel
redacteur Mobiel

Als je een kijkje neemt over de grenzen van pleegzorg-land vallen natuurlijk vooral de verschillen op. In Duitsland is de grens tussen adoptie en pleegzorg duidelijk minder scherp dan in Nederland. En er lijkt minder belang te worden gehecht aan voorbereiding en begeleiding van de (aanstaande) pleegouders. Maar er zijn ook duidelijke overeenkomsten: ook hier probeert men ouders ondersteuning te bieden om zelf hun kinderen op te kunnen voeden. Als dat niet mogelijk is, streeft men ernaar de ouders zoveel mogelijk te betrekken bij hun kind terwijl dat in een vervangende situatie zit. Een impressie van de situatie bij onze oosterburen.

Wat erg opvalt in Duitsland, is dat pleegzorg en adoptie dichter bij elkaar liggen dan in Nederland; vaak worden beide zaken achter dezelfde voordeur, soms door dezelfde maatschappelijk werkers behartigd. Dit vloeit wellicht voort uit het feit dat sinds enige tijd wordt nagestreefd dat ook alle adoptie-kinderen weten wat hun achtergrond is, en dat hun adoptie-ouders worden gestimuleerd hen zo snel mogelijk van hun 'andere' achtergrond op de hoogte te stellen en ruimte te laten voor contacten met de eigen ouders.

Dit betekent ook, dat een maatschappelijk werker 'met twee petten op' kennis heeft van de zwaarte van beide vormen van vervangend ouderschap en de aanstaande 'tweede ouders' zo goed mogelijk kan helpen een keus te maken.

De eigen ouders van een kind hebben een belangrijke stem in dit geheel: bij vrijwillige hulpverlening (in de meeste gevallen) blijven ze betrokken bij alle beslissingen betreffende het kind, en kunnen ze hun standpunt ten aanzien van het al-dan-niet laten adopteren van hun kind wijzigen. Ouders kunnen in de loop der jaren zoveel vertrouwen krijgen in de pleegouders van hun kind dat ze dat kind graag door de pleegouders laten adopteren. Het kan ook zijn dat ouders in de periode dat een ter adoptie afgestaan kind nog als pleegkind in het toekomstige adoptiegezin verblijft dusdanige veranderingen in hun situatie hebben aangebracht dat ze denken (weer) voor hun kind te kunnen zorgen. In dat geval wordt de status van het kind van 'adoptie' gewijzigd in 'langdurige pleegzorg'.

Vanaf 14 jaar kan een pleegkind zelf aangeven te willen worden geadopteerd; het kan er zelfs voor vechten beide namen te mogen dragen. Ongeveer 25% van de pleegkinderen wordt uiteindelijk geadopteerd.

Voorbereiding en ondersteuning

Elke deelstaat van Duitsland heeft z'n eigen uitleg van de centrale regel- en wetgeving, de wet schrijft een gedegen voorbereiding en ondersteuning voor, maar omschrijft niet hoe die eruit moet zien. Dat resulteert in een heel gevarieerd voorbereidings- en ondersteuningsaanbod. En soms is er helemaal geen sprake van een programma: een maatschappelijk werker in een bepaalde regio kan vrij autonoom, maar zeer beperkt door het aantal beschikbare uren, beslissen wat wijs is in de gegeven situatie. Dat kan betekenen dat in de ene regio het aspirant- pleegouderpaar een voorbereidingsprogramma à la STAP wordt aangeboden, terwijl een paar in een vergelijkbare situatie in de buurgemeente twee gesprekken heeft met aan maatschappelijk werker en dan al z'n huis mag openstellen voor een pleegkind.

Tijdens een plaatsing wordt tenminste één keer per jaar overleg gepleegd met de pleegouders (en het pleegkind, als dat wat ouder is). Er is de mogelijkheid van enkele crisisgesprekken als de nood aan de man komt, maar de bedoeling is dat de pleegouders voldoende ondersteuning uit hun eigen netwerk putten en voldoende ervaren zijn om de meeste situaties aan te kunnen. Wel bestaat de gelegenheid, soms de plicht, om aan groepsondersteuningsprogramma's deel te nemen.

Ondanks het feit dat ook in Duitsland pleegzorg wordt gezien als tijdelijke zorg voor een ander kind, zijn er slechts weinig terugplaatsingen. Het contact van de maatschappelijk werker met de ouders is vrij onregelmatig, meestal is er maar een paar maal per jaar overleg.

Wie wordt pleeg-/adoptie-ouder?

Veelal zijn het grote(re) gezinnen die 'er wel eentje bij kunnen hebben'. En vaak blijft het niet bij één pleegkind: veel pleeggezinnen nemen twee of meer pleegkinderen op. Ook in Duitsland is er een discussie of (ongewild) kinderloze stellen als vervangende ouder kunnen optreden, en in welke vorm. In sommige regio's kunnen kinderloze paren zich slechts met grote moeite laten inschrijven als pleeggezin omdat men veronderstelt dat ze 'adoptief' zijn ingesteld en te weinig ruimte zullen laten voor de eigen ouders.

Het is ook voor alleenstaanden en vrienden-/vriendinnenstellen mogelijk pleegouder te worden. De eigen ouders kunnen echter een voorkeur uitspreken voor de situatie waarin hun kind wordt geplaatst.

Tot voor kort werd ervan uitgegaan dat een van beide partners (in elk geval tijdelijk) niet of slechts weinig werkte om zo goed mogelijk voor het nieuwe pleegkind te kunnen zorgen. Tegenwoordig legt men zich neer bij de realiteit dat vele pleegouders beiden werken en wordt ondersteuning gezocht via bijvoorbeeld naschoolse opvang zodat beide partners hun verplichtingen kunnen nakomen.

Enkele instanties werken met gezinshuizen, waarbij ofwel een vast (echt)paar verantwoordelijk is voor de gang van zaken, ofwel twee koppels van pedagogisch geschoolden die in een vast ritme van bijvoorbeeld een week op-een week af de zorg voor 4 à 6 kinderen op zich nemen.

Welke kinderen komen waar?

Voordat een kind pleegkind wordt, is er eerst geprobeerd (soms gedwongen) hulpverlening in het gezin te bieden. Er zijn allerlei mogelijkheden om de ouders (tijdelijk) te ontlasten, zodat ze hun eigen leven beter in de greep krijgen. Dat betekent dat er vaak al veel met een kind is gebeurd voordat het in een pleeggezin wordt opgenomen. De laatste tijd wordt, net als in Nederland, vaker gesignaleerd dat de problematiek van de pleegkinderen en hun gezinnen is toegenomen.

Kinderen tot ongeveer tien jaar worden in de regel als goed plaatsbaar beschouwd; voor gehandicapte of (bij plaatsing) oudere kinderen moet men veel moeite doen en wordt een toeslag van veelal 25% op de pleegvergoeding gegeven. Van de 12- tot 18-jarigen werd in 1995 eenderde in een pleeggezin ondergebracht, de rest verbleef in een kindertehuis. Vaak is er op korte termijn wel plaats in een kindertehuis, terwijl slechts weinig pleeggezinnen zich beschikbaar stellen als crisispleeggezin. Veel pleegkinderen blijven wonen in het crisispleeggezin. Niet altijd omdat het de beste oplossing is, maar omdat 'het kind in een goed gezin zit' en andere kinderen in andere situaties meer om aandacht schreeuwen.

Pubers zijn moeilijk plaatsbaar in een pleeggezin, terwijl dat voor gehandicapte kinderen vaak wel lukt.

Vergoedingen

Enkele jaren geleden is landelijk vastgesteld welke vergoedingen worden verstrekt, in welke situaties, en voor welke leeftijdsgroep. Sinds dat jaar past elke deelstaat een eigen indexering toe; per deelstaat kan de vergoeding dus variëren, maar gemiddeld is dat:

- voor een kind van 0 tot 7 jaar krijgt men DM 749

- voor een kind van 7 tot 14 jaar krijgt men DM 857

- voor een kind van 14 tot 18 jaar krijgt men DM 1042.

Dit zijn de bedragen voor levensonderhoud, zak- en kleedgeld per kind; voor elk kind wordt een toelage van DM 357 betaald als vergoeding voor de pleegouders.

Daarnaast is het mogelijk om voor bijzondere, noodzakelijke dingen extra geld te krijgen. De regels zijn een beetje vergelijkbaar met de Nederlandse: voor een fiets is een klein bedrag beschikbaar, voor een oudere bedplasser een vaste vergoeding, bijles en therapie worden (als ze als pedagogisch noodzakelijk zijn benoemd) volledig vergoed, etc.

Bij de pleegouders bestaat veel onduidelijkheid over de extra financiële mogelijkheden ter ondersteuning van hun taak. De belangengroeperingen voor pleeg- en adoptie-ouders zijn vaak als enige echt op de hoogte en zij ondersteunen hun leden bij aanvragen voor extra financiële ondersteuning.

Voor gehandicapte en oudere (vanaf 12 jaar) pleegkinderen wordt een toeslag gegeven, ook voor kinderen met meervoudige problemen, zoals mishandeling en/of misbruik.

Sinds enige tijd is het voor pleegouders mogelijk om via de belangengroeperingen aan een vrijwillig pensioenfonds deel te nemen, ter compensatie van gederfde inkomsten tijdens de plaatsing van pleegkinderen. In sommige regio's neemt de jeugdzorg een deel van de premies voor z'n rekening.

Met dank aan: Mieke Runhaar en Ines Kurek-Bender