Als je een kijkje neemt
over de grenzen van pleegzorg-land vallen natuurlijk
vooral de verschillen op. In Duitsland is de grens tussen
adoptie en pleegzorg duidelijk minder scherp dan in
Nederland. En er lijkt minder belang te worden gehecht
aan voorbereiding en begeleiding van de (aanstaande)
pleegouders. Maar er zijn ook duidelijke overeenkomsten:
ook hier probeert men ouders ondersteuning te bieden om
zelf hun kinderen op te kunnen voeden. Als dat niet
mogelijk is, streeft men ernaar de ouders zoveel mogelijk
te betrekken bij hun kind terwijl dat in een vervangende
situatie zit. Een impressie van de situatie bij onze
oosterburen.
Wat erg opvalt in Duitsland, is dat
pleegzorg en adoptie dichter bij elkaar liggen dan in
Nederland; vaak worden beide zaken achter dezelfde
voordeur, soms door dezelfde maatschappelijk werkers
behartigd. Dit vloeit wellicht voort uit het feit dat
sinds enige tijd wordt nagestreefd dat ook alle
adoptie-kinderen weten wat hun achtergrond is, en dat hun
adoptie-ouders worden gestimuleerd hen zo snel mogelijk
van hun 'andere' achtergrond op de hoogte te stellen en
ruimte te laten voor contacten met de eigen
ouders.
Dit betekent ook, dat een
maatschappelijk werker 'met twee petten op' kennis heeft
van de zwaarte van beide vormen van vervangend ouderschap
en de aanstaande 'tweede ouders' zo goed mogelijk kan
helpen een keus te maken.
De eigen ouders van een kind hebben
een belangrijke stem in dit geheel: bij vrijwillige
hulpverlening (in de meeste gevallen) blijven ze
betrokken bij alle beslissingen betreffende het kind, en
kunnen ze hun standpunt ten aanzien van het al-dan-niet
laten adopteren van hun kind wijzigen. Ouders kunnen in
de loop der jaren zoveel vertrouwen krijgen in de
pleegouders van hun kind dat ze dat kind graag door de
pleegouders laten adopteren. Het kan ook zijn dat ouders
in de periode dat een ter adoptie afgestaan kind nog als
pleegkind in het toekomstige adoptiegezin verblijft
dusdanige veranderingen in hun situatie hebben
aangebracht dat ze denken (weer) voor hun kind te kunnen
zorgen. In dat geval wordt de status van het kind van
'adoptie' gewijzigd in 'langdurige pleegzorg'.
Vanaf 14 jaar kan een pleegkind zelf
aangeven te willen worden geadopteerd; het kan er zelfs
voor vechten beide namen te mogen dragen. Ongeveer 25%
van de pleegkinderen wordt uiteindelijk
geadopteerd.
Voorbereiding en
ondersteuning
Elke deelstaat van Duitsland heeft z'n
eigen uitleg van de centrale regel- en wetgeving, de wet
schrijft een gedegen voorbereiding en ondersteuning voor,
maar omschrijft niet hoe die eruit moet zien. Dat
resulteert in een heel gevarieerd voorbereidings- en
ondersteuningsaanbod. En soms is er helemaal geen sprake
van een programma: een maatschappelijk werker in een
bepaalde regio kan vrij autonoom, maar zeer beperkt door
het aantal beschikbare uren, beslissen wat wijs is in de
gegeven situatie. Dat kan betekenen dat in de ene regio
het aspirant- pleegouderpaar een voorbereidingsprogramma
à la STAP wordt aangeboden, terwijl een paar in
een vergelijkbare situatie in de buurgemeente twee
gesprekken heeft met aan maatschappelijk werker en dan al
z'n huis mag openstellen voor een pleegkind.
Tijdens een plaatsing wordt tenminste
één keer per jaar overleg gepleegd met de
pleegouders (en het pleegkind, als dat wat ouder is). Er
is de mogelijkheid van enkele crisisgesprekken als de
nood aan de man komt, maar de bedoeling is dat de
pleegouders voldoende ondersteuning uit hun eigen netwerk
putten en voldoende ervaren zijn om de meeste situaties
aan te kunnen. Wel bestaat de gelegenheid, soms de
plicht, om aan groepsondersteuningsprogramma's deel te
nemen.
Ondanks het feit dat ook in Duitsland
pleegzorg wordt gezien als tijdelijke zorg voor een ander
kind, zijn er slechts weinig terugplaatsingen. Het
contact van de maatschappelijk werker met de ouders is
vrij onregelmatig, meestal is er maar een paar maal per
jaar overleg.
Wie wordt
pleeg-/adoptie-ouder?
Veelal zijn het grote(re) gezinnen die
'er wel eentje bij kunnen hebben'. En vaak blijft het
niet bij één pleegkind: veel pleeggezinnen
nemen twee of meer pleegkinderen op. Ook in Duitsland is
er een discussie of (ongewild) kinderloze stellen als
vervangende ouder kunnen optreden, en in welke vorm. In
sommige regio's kunnen kinderloze paren zich slechts met
grote moeite laten inschrijven als pleeggezin omdat men
veronderstelt dat ze 'adoptief' zijn ingesteld en te
weinig ruimte zullen laten voor de eigen
ouders.
Het is ook voor alleenstaanden en
vrienden-/vriendinnenstellen mogelijk pleegouder te
worden. De eigen ouders kunnen echter een voorkeur
uitspreken voor de situatie waarin hun kind wordt
geplaatst.
Tot voor kort werd ervan uitgegaan dat
een van beide partners (in elk geval tijdelijk) niet of
slechts weinig werkte om zo goed mogelijk voor het nieuwe
pleegkind te kunnen zorgen. Tegenwoordig legt men zich
neer bij de realiteit dat vele pleegouders beiden werken
en wordt ondersteuning gezocht via bijvoorbeeld
naschoolse opvang zodat beide partners hun verplichtingen
kunnen nakomen.
Enkele instanties werken met
gezinshuizen, waarbij ofwel een vast (echt)paar
verantwoordelijk is voor de gang van zaken, ofwel twee
koppels van pedagogisch geschoolden die in een vast ritme
van bijvoorbeeld een week op-een week af de zorg voor 4
à 6 kinderen op zich nemen.
Welke kinderen komen
waar?
Voordat een kind pleegkind wordt, is
er eerst geprobeerd (soms gedwongen) hulpverlening in het
gezin te bieden. Er zijn allerlei mogelijkheden om de
ouders (tijdelijk) te ontlasten, zodat ze hun eigen leven
beter in de greep krijgen. Dat betekent dat er vaak al
veel met een kind is gebeurd voordat het in een
pleeggezin wordt opgenomen. De laatste tijd wordt, net
als in Nederland, vaker gesignaleerd dat de problematiek
van de pleegkinderen en hun gezinnen is
toegenomen.
Kinderen tot ongeveer tien jaar worden
in de regel als goed plaatsbaar beschouwd; voor
gehandicapte of (bij plaatsing) oudere kinderen moet men
veel moeite doen en wordt een toeslag van veelal 25% op
de pleegvergoeding gegeven. Van de 12- tot 18-jarigen
werd in 1995 eenderde in een pleeggezin ondergebracht, de
rest verbleef in een kindertehuis. Vaak is er op korte
termijn wel plaats in een kindertehuis, terwijl slechts
weinig pleeggezinnen zich beschikbaar stellen als
crisispleeggezin. Veel pleegkinderen blijven wonen in het
crisispleeggezin. Niet altijd omdat het de beste
oplossing is, maar omdat 'het kind in een goed gezin zit'
en andere kinderen in andere situaties meer om aandacht
schreeuwen.
Pubers zijn moeilijk plaatsbaar in een
pleeggezin, terwijl dat voor gehandicapte kinderen vaak
wel lukt.
Vergoedingen
Enkele jaren geleden is landelijk
vastgesteld welke vergoedingen worden verstrekt, in welke
situaties, en voor welke leeftijdsgroep. Sinds dat jaar
past elke deelstaat een eigen indexering toe; per
deelstaat kan de vergoeding dus variëren, maar
gemiddeld is dat:
- voor een kind van 0 tot 7 jaar
krijgt men DM 749
- voor een kind van 7 tot 14 jaar
krijgt men DM 857
- voor een kind van 14 tot 18 jaar
krijgt men DM 1042.
Dit zijn de bedragen voor
levensonderhoud, zak- en kleedgeld per kind; voor elk
kind wordt een toelage van DM 357 betaald als vergoeding
voor de pleegouders.
Daarnaast is het mogelijk om voor
bijzondere, noodzakelijke dingen extra geld te krijgen.
De regels zijn een beetje vergelijkbaar met de
Nederlandse: voor een fiets is een klein bedrag
beschikbaar, voor een oudere bedplasser een vaste
vergoeding, bijles en therapie worden (als ze als
pedagogisch noodzakelijk zijn benoemd) volledig vergoed,
etc.
Bij de pleegouders bestaat veel
onduidelijkheid over de extra financiële
mogelijkheden ter ondersteuning van hun taak. De
belangengroeperingen voor pleeg- en adoptie-ouders zijn
vaak als enige echt op de hoogte en zij ondersteunen hun
leden bij aanvragen voor extra financiële
ondersteuning.
Voor gehandicapte en oudere (vanaf 12
jaar) pleegkinderen wordt een toeslag gegeven, ook voor
kinderen met meervoudige problemen, zoals mishandeling
en/of misbruik.
Sinds enige tijd is het voor
pleegouders mogelijk om via de belangengroeperingen aan
een vrijwillig pensioenfonds deel te nemen, ter
compensatie van gederfde inkomsten tijdens de plaatsing
van pleegkinderen. In sommige regio's neemt de jeugdzorg
een deel van de premies voor z'n rekening.
Met dank aan: Mieke Runhaar en
Ines Kurek-Bender