In een onderzoek naar
gevoelens en ervaringen van eigen kinderen binnen een
pleeggezinsituatie in de oorlogsjaren werd psychologe
Bloeme Evers getroffen door de diepte van hun gevoelens
voor het pleegkind van toen. Omdat haar respondenten
tussen de 55-70 jaar oud waren, vreesde zij de
'verdoezelende roze sluier': men vergeet de nare dingen
en onthoudt het mooie. Daarom interviewde zij onlangs
jonge mensen, die nog of kort geleden in dezelfde positie
verkeren/verkeerden.
Toen ik mijn onderzoek startte merkte
ik tot mijn verbazing dat er &endash behalve een artikel
in MOBIEL van 3 juni 1997 &endash géén
literatuur is over het onderwerp 'eigen kinderen en
pleegzorg'.Daarom zocht ik contact met enkele
pleeggezinnen en de JIP.* Via hen kwam ik kinderen op het
spoor die ik mocht interviewen voor mijn onderzoek. In
totaal heb ik vijftien jonge 'eigen kinderen' gesproken,
waarvan er drie nog in het ouderlijk huis en de
pleeggezin-situatie wonen.
Ik heb deze kinderen, die veel
pleegkinderen in hun gezin hebben meegemaakt, gevraagd er
één van die pleegkinderen &endash die lang
bij hen woonde &endash uit te kiezen om over te
vertellen. De leeftijden van de eigen kinderen liepen op
het moment van het interview van 13 tot 33 jaar. De
leeftijd waarop de pleegkinderen in het gezin hun intrede
deden varieerde van een half jaar tot het 17e jaar.
Eén kind heeft er 14 jaar gewoond, de meesten 5 of
6 jaar. Sommige pleeggezinnen hebben vast
één of een paar kinderen in huis en stellen
zich niet open voor kortdurend verblijf, anderen hebben
vooral crisis-opvang, maar dat kán uitlopen tot
jaren. Deze gezinnen hebben soms wel 25 tot 50 kinderen
zien passeren.
Interessant was het om twee eigen
kinderen uit hetzelfde gezin te spreken; ze konden heel
verschillend reageren op hetzelfde pleegkind of dezelfde
situatie. Het is duidelijk dat karakter-, sexe- en
leeftijdsverschillen invloed hebben op de waarneming en
verwerking van de zogenaamd objectieve feiten. Twaalf van
de respondenten zijn broers/zusters van elkaar, in
tweetallen.
Gevoelens
De meest belangwekkende vraag voor mij
was: 'Kun je je gevoelens beschrijven tegenover het
pleegkind?' Ik heb daarbij vermeden te vragen: 'houd je
van....' want dat is suggererend; het werkwoord is
beladen en slecht te definiëren. Hoewel, gevoelens
zijn dat ook. Is de liefde voor eigen broer/zus te
beschrijven? Beminnen alle zusters en broers elkaar? Het
enige wat enige houvast geeft is: hen te vragen een
vergelijking te maken van hun gevoelens voor hun eigen
zusters en broers met die voor het pleegkind. Ik voel dat
dit hobbeltje niet onweerlegbaar is genomen, maar ik
kreeg wel van een ieder een antwoord.
De meesten hebben een
zusterlijk/broederlijk gevoel ontwikkeld voor het
pleegkind dat ze hadden uitgekozen om te bespreken.
Sommigen noemden een termijn van ongeveer een jaar waarin
dat gevoel ontstond. Een enkele zei: 'een beetje is het
niet mijn broertje maar voor het grootste deel wel'.
Het maakte uit of een kind al lang in
huis woonde of had gewoond, dan hoorde het 'gewoon' bij
het gezin, werd opgenoemd als er bijvoorbeeld tafel
gedekt moest worden; als men op bezoek bij familie ging,
ging ze mee. Het maakte ook uit of een kind al weer lang
het pleeggezin verlaten had. Daarbij maakte het verschil
in de gevoelens of een kind wel of niet nog geregeld op
bezoek kwam, anderszins van zich liet horen, aan
familiefeestjes en Sinterklaas bleef meedoen. In dat
laatste geval 'bleef ze erbij horen' mét warme
gevoelens in verreweg de meeste gevallen. Een enkele
noemt verbondenheid maar ook wel afstand, dan wel
vriendschap in vergelijking met de eigen broers en
zusters.
Het lijkt of van de gevoelens
'jaloezie' als een erg negatieve eigenschap wordt
ervaren, die je maar niet moet hebben. Vandaar het
onwaarschijnlijk lage aantal van drie dat toegaf meer of
minder jaloers te zijn geweest op een pleegkind, dat
meestal en uit de aard der zaak veel aandacht vroeg en
kreeg.
Afscheid nemen
'Wat vond je ervan als het pleegkind
uit jullie huis vertrok?' Het antwoord op deze vraag hing
af van hóé het kind vertrok: met ruzie,
plotseling of goed voorbereid, met 18 jaar om zelfstandig
dan wel begeleid te gaan wonen, naar de eigen familie of
naar een internaat. Toch beschrijven de meeste eigen
kinderen het vertrek als iets waar je overheen moest
komen, het duurde een tijdje voordat je weer alles op een
rij had, als bij rouw, vooral als de ouders veel
geïnvesteerd hadden in het kind en het pleegkind
(haast) niets meer van zich liet horen. Slechts een
enkele liet het vertrek van een pleegkind koud of voelde
zich opgelucht omdat het kind 'in de weg had gezeten'.
De rouw, het verdriet bestond niet of
nauwelijks bij kortdurende plaatsingen omdat 'je je dan
nog niet hebt gehecht".
Bewondering
Vrijwel allen hebben veel bewondering
voor het besluit van hun ouders om zich te ontfermen over
probleemkinderen. Die problemen kunnen zowel in het
pleegkind als in haar/zijn ouders huizen of in beiden,
maar bijna steeds haalt het gezin zich &endash uit
idealisme &endash moeilijkheden op de hals. Sommige
ouders hebben hun kinderen expliciet geprezen omdat zij
'de helft' van het werk op zich namen door dagelijks met
de pleegkinderen op te trekken.
Nogal wat kinderen zeggen: 'Ik had
minder aandacht nodig', wat de indruk maakt van een
ingeprente mededeling. Niet alle kinderen zijn over de
situatie tevreden. Enkelen hebben het pleeggezin-zijn
negatief beleefd, niet voortdurend maar wel vaak,
sommigen vinden dat ze ouderlijke aandacht tekort zijn
gekomen. In dit onderzoek zijn twee eigen kinderen min of
meer beschadigd en ze nemen dat hun ouders kwalijk.
Hoewel de meeste eigen kinderen menen
dat ze hun gevoelens en zorgen met hun ouders konden
delen, zijn er enkelen die die weg niet of gedeeltelijk
niet konden kiezen. In het algemeen hadden de eigen
kinderen het op prijs gesteld als het maatschappelijk
werk ook aandacht aan de eigen kinderen, hun positie en
hun gevoelens had besteed; men is daar vrijwel eenstemmig
ontstemd tot heel boos over, zelfs als men er persoonlijk
geen gebruik van had willen maken.'Het maatschappelijk
werk besteedt aandacht aan de pleegouders, het pleegkind,
de ouders, maar wij bestaan niet voor ze'.
Inspraak
Inspraak hebben bijna alle kinderen
gehad in de beslissing van hun ouders om een (nieuw)
pleegkind op te nemen. Eén zegt van niet,
één zegt: 'een beetje', hoewel van dezen
een broer en zus aangeven wél inspraak gehad te
hebben. Volgens meerderen was het pleegkind er niet
gekomen als de eigen kinderen tegen waren geweest.
Opvallend en wellicht beïnvloed
door de gezinssituatie lijkt mij de beroepskeuze van de
eigen kinderen. Drie van hen zijn nog te jong; van de
resterende twaalf hebben er zes een als 'sociaal' te
definiëren beroep gekozen zoals groepsleider,
pedagoog, sociaal-pedagogische hulpverlener, onderwijzer,
begeleiding pleegzorg en psycholoog.
Enkele
conclusies
Gezinnen met pleegkinderen zijn echte
'praatgezinnen'. Komt er een pleegkind bij dan hebben de
eigen kinderen meestal inspraak. Toch lijkt de
communicatie over gevoelens karig te zijn.
Vertrekt het pleegkind dan is er vaak
sprake van lichte of zware rouw bij de eigen kinderen,
ook ervaren zij soms een subjectief gevoel van falen als
het mis liep met de latere relatie met het
pleegkind.
De tolerantie en beschermingsneiging
van de ouders hebben kennelijk aanzienlijke invloed op de
eigen kinderen. Bijna allemaal bewonderen ze hun ouders
om hun inzet voor andere kinderen. Toch is het opvallend
dat de meeste kinderen nu aangeven later geen
pleegkinderen te zullen nemen.
Opvallend is ook de gering betoonde
hechting en de 'ondankbaarheid' van het gros van de
pleegkinderen in de ogen van de eigen kinderen. Een
verklaring zou kunnen zijn dat pleegkinderen dankbaarheid
een teken van deloyaliteit aan de eigen ouders vinden,
misschien ook zijn ze te beschadigd voor dankbaarheid of
was het voor hen het verblijf in het pleeggezin zodanig
ambivalent dat ze 'blij' waren ervan af te zijn, zonder
dat de eigen kinderen dat dóór hadden. Dat
zou de pleegkinderen gevraagd moeten worden.
Toch zeggen de warme en zelfs als
liefde te benoemen gevoelens van eigen kinderen veel over
de capaciteit van ouders en eigen kinderen
genegenheid/warmte/liefde uit te stralen naar
anderen.
Ik ben blij dat ik me in deze wereld
mocht bewegen gezien de hoge graag van
menselijkheid.
Bloeme Evers is
ontwikkelingspsychologe en gepromoveerd op een
medisch-psychologisch onderwerp. Haar onderzoek
verschijnt binnenkort in boekvorm o.d.t. 'Eigen kinderen
van pleegouders' bij Uitgeverij Kok in Kampen.
Eerder publiceerde zij
bij dezelfde uitgever vier boeken over ondergedoken
kinderen tijdens de Tweede W.O., te weten: over henzelf
'Ondergedoken geweest, een afgesloten verleden?' over hun
pleegouders 'Geleende kinderen' en over hun eigen ouders
'Geschonden Bestaan'.
Noot
Esther Rightering heeft
hiervoor kritisch mijn reeds beproefde vragenlijst
doorgenomen.