artikel uit Mobiel 2, april 1999

Voor het grootste deel mijn broer

Door Bloeme Evers-Emden
ontwikkelingspsychologe

In een onderzoek naar gevoelens en ervaringen van eigen kinderen binnen een pleeggezinsituatie in de oorlogsjaren werd psychologe Bloeme Evers getroffen door de diepte van hun gevoelens voor het pleegkind van toen. Omdat haar respondenten tussen de 55-70 jaar oud waren, vreesde zij de 'verdoezelende roze sluier': men vergeet de nare dingen en onthoudt het mooie. Daarom interviewde zij onlangs jonge mensen, die nog of kort geleden in dezelfde positie verkeren/verkeerden.

Toen ik mijn onderzoek startte merkte ik tot mijn verbazing dat er &endash behalve een artikel in MOBIEL van 3 juni 1997 &endash géén literatuur is over het onderwerp 'eigen kinderen en pleegzorg'.Daarom zocht ik contact met enkele pleeggezinnen en de JIP.* Via hen kwam ik kinderen op het spoor die ik mocht interviewen voor mijn onderzoek. In totaal heb ik vijftien jonge 'eigen kinderen' gesproken, waarvan er drie nog in het ouderlijk huis en de pleeggezin-situatie wonen.

Ik heb deze kinderen, die veel pleegkinderen in hun gezin hebben meegemaakt, gevraagd er één van die pleegkinderen &endash die lang bij hen woonde &endash uit te kiezen om over te vertellen. De leeftijden van de eigen kinderen liepen op het moment van het interview van 13 tot 33 jaar. De leeftijd waarop de pleegkinderen in het gezin hun intrede deden varieerde van een half jaar tot het 17e jaar. Eén kind heeft er 14 jaar gewoond, de meesten 5 of 6 jaar. Sommige pleeggezinnen hebben vast één of een paar kinderen in huis en stellen zich niet open voor kortdurend verblijf, anderen hebben vooral crisis-opvang, maar dat kán uitlopen tot jaren. Deze gezinnen hebben soms wel 25 tot 50 kinderen zien passeren.

Interessant was het om twee eigen kinderen uit hetzelfde gezin te spreken; ze konden heel verschillend reageren op hetzelfde pleegkind of dezelfde situatie. Het is duidelijk dat karakter-, sexe- en leeftijdsverschillen invloed hebben op de waarneming en verwerking van de zogenaamd objectieve feiten. Twaalf van de respondenten zijn broers/zusters van elkaar, in tweetallen.

Gevoelens

De meest belangwekkende vraag voor mij was: 'Kun je je gevoelens beschrijven tegenover het pleegkind?' Ik heb daarbij vermeden te vragen: 'houd je van....' want dat is suggererend; het werkwoord is beladen en slecht te definiëren. Hoewel, gevoelens zijn dat ook. Is de liefde voor eigen broer/zus te beschrijven? Beminnen alle zusters en broers elkaar? Het enige wat enige houvast geeft is: hen te vragen een vergelijking te maken van hun gevoelens voor hun eigen zusters en broers met die voor het pleegkind. Ik voel dat dit hobbeltje niet onweerlegbaar is genomen, maar ik kreeg wel van een ieder een antwoord.

De meesten hebben een zusterlijk/broederlijk gevoel ontwikkeld voor het pleegkind dat ze hadden uitgekozen om te bespreken. Sommigen noemden een termijn van ongeveer een jaar waarin dat gevoel ontstond. Een enkele zei: 'een beetje is het niet mijn broertje maar voor het grootste deel wel'.

Het maakte uit of een kind al lang in huis woonde of had gewoond, dan hoorde het 'gewoon' bij het gezin, werd opgenoemd als er bijvoorbeeld tafel gedekt moest worden; als men op bezoek bij familie ging, ging ze mee. Het maakte ook uit of een kind al weer lang het pleeggezin verlaten had. Daarbij maakte het verschil in de gevoelens of een kind wel of niet nog geregeld op bezoek kwam, anderszins van zich liet horen, aan familiefeestjes en Sinterklaas bleef meedoen. In dat laatste geval 'bleef ze erbij horen' mét warme gevoelens in verreweg de meeste gevallen. Een enkele noemt verbondenheid maar ook wel afstand, dan wel vriendschap in vergelijking met de eigen broers en zusters.

Het lijkt of van de gevoelens 'jaloezie' als een erg negatieve eigenschap wordt ervaren, die je maar niet moet hebben. Vandaar het onwaarschijnlijk lage aantal van drie dat toegaf meer of minder jaloers te zijn geweest op een pleegkind, dat meestal en uit de aard der zaak veel aandacht vroeg en kreeg.

Afscheid nemen

'Wat vond je ervan als het pleegkind uit jullie huis vertrok?' Het antwoord op deze vraag hing af van hóé het kind vertrok: met ruzie, plotseling of goed voorbereid, met 18 jaar om zelfstandig dan wel begeleid te gaan wonen, naar de eigen familie of naar een internaat. Toch beschrijven de meeste eigen kinderen het vertrek als iets waar je overheen moest komen, het duurde een tijdje voordat je weer alles op een rij had, als bij rouw, vooral als de ouders veel geïnvesteerd hadden in het kind en het pleegkind (haast) niets meer van zich liet horen. Slechts een enkele liet het vertrek van een pleegkind koud of voelde zich opgelucht omdat het kind 'in de weg had gezeten'.

De rouw, het verdriet bestond niet of nauwelijks bij kortdurende plaatsingen omdat 'je je dan nog niet hebt gehecht".

Bewondering

Vrijwel allen hebben veel bewondering voor het besluit van hun ouders om zich te ontfermen over probleemkinderen. Die problemen kunnen zowel in het pleegkind als in haar/zijn ouders huizen of in beiden, maar bijna steeds haalt het gezin zich &endash uit idealisme &endash moeilijkheden op de hals. Sommige ouders hebben hun kinderen expliciet geprezen omdat zij 'de helft' van het werk op zich namen door dagelijks met de pleegkinderen op te trekken.

Nogal wat kinderen zeggen: 'Ik had minder aandacht nodig', wat de indruk maakt van een ingeprente mededeling. Niet alle kinderen zijn over de situatie tevreden. Enkelen hebben het pleeggezin-zijn negatief beleefd, niet voortdurend maar wel vaak, sommigen vinden dat ze ouderlijke aandacht tekort zijn gekomen. In dit onderzoek zijn twee eigen kinderen min of meer beschadigd en ze nemen dat hun ouders kwalijk.

Hoewel de meeste eigen kinderen menen dat ze hun gevoelens en zorgen met hun ouders konden delen, zijn er enkelen die die weg niet of gedeeltelijk niet konden kiezen. In het algemeen hadden de eigen kinderen het op prijs gesteld als het maatschappelijk werk ook aandacht aan de eigen kinderen, hun positie en hun gevoelens had besteed; men is daar vrijwel eenstemmig ontstemd tot heel boos over, zelfs als men er persoonlijk geen gebruik van had willen maken.'Het maatschappelijk werk besteedt aandacht aan de pleegouders, het pleegkind, de ouders, maar wij bestaan niet voor ze'.

Inspraak

Inspraak hebben bijna alle kinderen gehad in de beslissing van hun ouders om een (nieuw) pleegkind op te nemen. Eén zegt van niet, één zegt: 'een beetje', hoewel van dezen een broer en zus aangeven wél inspraak gehad te hebben. Volgens meerderen was het pleegkind er niet gekomen als de eigen kinderen tegen waren geweest.

Opvallend en wellicht beïnvloed door de gezinssituatie lijkt mij de beroepskeuze van de eigen kinderen. Drie van hen zijn nog te jong; van de resterende twaalf hebben er zes een als 'sociaal' te definiëren beroep gekozen zoals groepsleider, pedagoog, sociaal-pedagogische hulpverlener, onderwijzer, begeleiding pleegzorg en psycholoog.

Enkele conclusies

Gezinnen met pleegkinderen zijn echte 'praatgezinnen'. Komt er een pleegkind bij dan hebben de eigen kinderen meestal inspraak. Toch lijkt de communicatie over gevoelens karig te zijn.

Vertrekt het pleegkind dan is er vaak sprake van lichte of zware rouw bij de eigen kinderen, ook ervaren zij soms een subjectief gevoel van falen als het mis liep met de latere relatie met het pleegkind.

De tolerantie en beschermingsneiging van de ouders hebben kennelijk aanzienlijke invloed op de eigen kinderen. Bijna allemaal bewonderen ze hun ouders om hun inzet voor andere kinderen. Toch is het opvallend dat de meeste kinderen nu aangeven later geen pleegkinderen te zullen nemen.

Opvallend is ook de gering betoonde hechting en de 'ondankbaarheid' van het gros van de pleegkinderen in de ogen van de eigen kinderen. Een verklaring zou kunnen zijn dat pleegkinderen dankbaarheid een teken van deloyaliteit aan de eigen ouders vinden, misschien ook zijn ze te beschadigd voor dankbaarheid of was het voor hen het verblijf in het pleeggezin zodanig ambivalent dat ze 'blij' waren ervan af te zijn, zonder dat de eigen kinderen dat dóór hadden. Dat zou de pleegkinderen gevraagd moeten worden.

Toch zeggen de warme en zelfs als liefde te benoemen gevoelens van eigen kinderen veel over de capaciteit van ouders en eigen kinderen genegenheid/warmte/liefde uit te stralen naar anderen.

Ik ben blij dat ik me in deze wereld mocht bewegen gezien de hoge graag van menselijkheid.

Bloeme Evers is ontwikkelingspsychologe en gepromoveerd op een medisch-psychologisch onderwerp. Haar onderzoek verschijnt binnenkort in boekvorm o.d.t. 'Eigen kinderen van pleegouders' bij Uitgeverij Kok in Kampen.

Eerder publiceerde zij bij dezelfde uitgever vier boeken over ondergedoken kinderen tijdens de Tweede W.O., te weten: over henzelf 'Ondergedoken geweest, een afgesloten verleden?' over hun pleegouders 'Geleende kinderen' en over hun eigen ouders 'Geschonden Bestaan'.

Noot

Esther Rightering heeft hiervoor kritisch mijn reeds beproefde vragenlijst doorgenomen.