Ooit omschreef men
pleegouderschap als onbetaald opvangen van kinderen in
gezinsverband. Gezinshuisouders vielen buiten die
definitie omdat zij meestal een oudervergoeding of zelfs
een salaris ontvangen voor hun werk. Ook voor de NVP
(Ned. Vereniging voor Pleeggezinnen) behoorden zij niet
tot de doelgroep. Maar toen in 1997 de NVP in
Zuid-Holland, op verzoek van twee gezinshuisouders, zich
eens boog over de arbeidsvoorwaarden en voorzieningen
bleek al snel dat hier sprake is van een unieke werkvorm
in de hulp aan jongeren, die nauwelijks is georganiseerd,
slecht is toegerust en navenant wordt betaald!
Het verschil tussen
pleeggezin en gezinshuis
Een gezinshuis is een soort
tussenstation/leefvorm tussen pleegzorg en leefgroep van
een kinderhuis in. Jongeren voor wie een leven in een
gezin veel te benauwend en te nabij is, kunnen lang in
een leefgroep wonen. Je zou hen echter zo graag willen
laten ervaren wat het betekent om in een gezin te leven.
Het gezinshuis is daarvoor een perfecte mogelijkheid. Een
echtpaar dat &endash naast het eigen gezin &endash 4
tot 6 kinderen in huis neemt, woont in een extra groot
woonhuis, dat behoort bij een residentiële
instelling (kinderhuis, internaat of gezinsvervangend
tehuis) en leeft als een soort 'groot pleeggezin'.
Kinderen in een gezinshuis zijn vaak
extra beschadigde kinderen. Het zijn kinderen die zich
niet of moeilijk kunnen hechten. Een (pleeg)gezin, waar
men een beroep doet op geven en nemen kunnen zij niet
aan. In het gezinshuis is net even meer afstand, ze zijn
niet hét pleegkind maar een pupil, waarbij niet
gezegd is dat gezinshuisouders niet enorm veel om de
kinderen geven. Het is meer een 'gevoelsverschil'. De
gezinshuisouders hebben specifieke kennis en ervaring en
de groep is groter dus zit men de kinderen wat minder op
hun huid.
Ook kinderen die een bepaalde
begeleiding nodig hebben en daardoor niet voor pleegzorg
in aanmerking komen, kunnen in een gezinshuis wel
functioneren. Gezinshuisouders krijgen vaak extra
ondersteuning vanuit de instelling waar ze bij horen van
een orthopedagoog, psycholoog, er zijn test- en
therapiemogelijkheden enz., en met die ondersteuning
kunnen zij zo'n kind wel aan.
Voor ouders is het vaak makkelijker te
accepteren dat hun kind in een gezinshuis woont dan bij
andere (pleeg)ouders die de verzorging en opvoeding van
hun kind wél aankunnen. Het kind hoeft in een
gezinshuis minder binding aan te gaan met de
gezinshuisouders dan met de pleegouders, terwijl het toch
in een gezinsachtige situatie opgroeit.
Loyaliteitsconflicten met ouders komen in deze werkvorm
minder voor.
Ontbreken van landelijke
richtlijnen
De organisatie van de gezinshuizen
verschilt per instelling. Datzelfde geldt voor de
voorzieningen die men krijgt. Centrale, landelijke
afspraken hierover zijn er niet. Bij sommige instellingen
bewonen meerdere gezinshuisouderparen een aantal grote
woningen op het terrein van de instelling (zoals bij de
Hoenderloogroep en de Glind) en bij andere gaat het om
een enkel gezinshuis in een gewone straat.
Bij de ene instelling worden de
gezinshuisouders allebei betaald, of een van beiden; bij
de andere instelling zijn ze gewoon vrijwilliger en werkt
één van beide partners buitenshuis om het
inkomen te verdienen. Voorzieningen als huis, auto,
kosten voor levensonderhoud etc., regelt iedere
instelling op zijn eigen wijze. Duidelijk is in ieder
geval dat er geen enkele landelijke lijn of zelfs
richtlijn in te ontdekken valt.
Formulering basisvoorwaarden
In Den Haag komt sinds twee jaar een
groeiende groep gezinshuisouders elke zes weken bij
elkaar. Zij hielden een enquête onder bij hen
bekende gezinshuisouders naar alle voorzieningen,
arbeidsvoorwaarden en wensen. De uitkomsten hiervan zijn
vastgelegd in een notitie 'basisvoorwaarden' en gestuurd
naar instellingen en overheid. Ook de vakbond werd om
raad gevraagd. Hoe staat het met de salariëring en
waarom is niets centraal geregeld?
De vakbond was verbaasd. Er staat wel
iets over gezinshuisouders/groepsleiders in de CAO
Jeugdhulpverlening, en dan kun je je daar als instelling
toch naar richten? Maar in de praktijk blijkt die CAO
voor de werkgever niet uitvoerbaar. Het werk van
groepsleiders verschilt wezenlijk van dat van
gezinshuisouders. Zo heeft elke instelling een protocol
waarin staat hoe de pedagogisch medewerkers moeten omgaan
met de kinderen, en waarin werk en privé strikt
worden gescheiden. Groepsleiders mogen bijvoorbeeld niet
in vrijetijdskleding op het werk komen, geen alcohol
drinken en werken een bepaald aantal uren per week. Maar
hoe stel je je dat in een gezinshuis voor? In je eigen
huis maar een beperkt aantal uren 'aan het werk' zijn?
Als je familie op bezoek komt mogen
niet alle kinderen erbij zijn? Hoe laat je kinderen dan
ervaren hoe het er in een echt gezin aan toe gaat? Juist
het feit dat kinderen in een gezinshuis meemaken hoe het
is om steeds door dezelfde mensen verzorgd te worden, de
veiligheid die daar vanuit gaat, dat was toch het mooie
van het gezinshuis? En dan hebben we het nog maar niet
over de vrijwillige gezinshuisouders die een vergoeding
ontvangen voor het levensonderhoud van de kinderen, lager
dan de pleegvergoeding. Reden genoeg dus om eens stevig
met elkaar in gesprek te gaan.
Landelijk netwerk van
gezinshuisouders
Die gesprekken zijn er gekomen. De
vakbond ABVA/KABO FNV is in gesprek gegaan met de
werkgeversorganisatie over de arbeidsvoorwaarden van
gezinshuisouders. Op 9 februari j.l. is onder grote
belangstelling een landelijke dag georganiseerd door NVP
en ABVA/KABO FNV, en daar werd het resultaat van de
onderhandelingen voorgelegd aan de
gezinshuisouders.
Er is goede hoop dat het
Zuid-Hollandse netwerk kan worden uitgebreid tot een
landelijk netwerk. Met een sterke organisatie van deze
goede werkvorm kan de zorg voor kinderen uit een
instelling een treetje hoger worden getild. Zo kan een
uitwisseling ontstaan over werken en leven als gezin in
een gezinshuis, waarbij de gezinshuisouders zich
bovendien geen zorgen meer hoeven te maken of ze het
financieel wel rond kunnen krijgen. Ze kunnen dan al hun
aandacht richten op de kinderen.
Want een sterk punt van gezinshuizen
is dat zij een gezin zijn, en dat kinderen er op vaste
mensen leren rekenen. In een leefgroep is voortdurend
wisseling van kinderen, van groepsleiding en een onzeker
beeld van de toekomst. Juist voor kinderen die langdurig
op zorg van de instelling zijn aangewezen is die
continuïteit van zorg belangrijk. Het is niet
toevallig dat er steeds meer gezinshuizen ontstaan bij
instellingen voor verstandelijk gehandicapten.
Het is een werkvorm die aanslaat, dat
valt ook op te maken uit de bestaande wachtlijsten. Reden
genoeg dus om de werkvorm te versterken en uit te
breiden. Met maar één doel voor ogen: het
kind een treetje omhoog!