artikel uit Mobiel 1, februari 1999

Gezinshuisouders
- Kinderen uit een leefgroep een treetje hoger zetten

door Bep van Sloten
beleidsmedewerker NVP

Ooit omschreef men pleegouderschap als onbetaald opvangen van kinderen in gezinsverband. Gezinshuisouders vielen buiten die definitie omdat zij meestal een oudervergoeding of zelfs een salaris ontvangen voor hun werk. Ook voor de NVP (Ned. Vereniging voor Pleeggezinnen) behoorden zij niet tot de doelgroep. Maar toen in 1997 de NVP in Zuid-Holland, op verzoek van twee gezinshuisouders, zich eens boog over de arbeidsvoorwaarden en voorzieningen bleek al snel dat hier sprake is van een unieke werkvorm in de hulp aan jongeren, die nauwelijks is georganiseerd, slecht is toegerust en navenant wordt betaald!

Het verschil tussen pleeggezin en gezinshuis

Een gezinshuis is een soort tussenstation/leefvorm tussen pleegzorg en leefgroep van een kinderhuis in. Jongeren voor wie een leven in een gezin veel te benauwend en te nabij is, kunnen lang in een leefgroep wonen. Je zou hen echter zo graag willen laten ervaren wat het betekent om in een gezin te leven. Het gezinshuis is daarvoor een perfecte mogelijkheid. Een echtpaar dat &endash naast het eigen gezin &endash 4 tot 6 kinderen in huis neemt, woont in een extra groot woonhuis, dat behoort bij een residentiële instelling (kinderhuis, internaat of gezinsvervangend tehuis) en leeft als een soort 'groot pleeggezin'.

Kinderen in een gezinshuis zijn vaak extra beschadigde kinderen. Het zijn kinderen die zich niet of moeilijk kunnen hechten. Een (pleeg)gezin, waar men een beroep doet op geven en nemen kunnen zij niet aan. In het gezinshuis is net even meer afstand, ze zijn niet hét pleegkind maar een pupil, waarbij niet gezegd is dat gezinshuisouders niet enorm veel om de kinderen geven. Het is meer een 'gevoelsverschil'. De gezinshuisouders hebben specifieke kennis en ervaring en de groep is groter dus zit men de kinderen wat minder op hun huid.

Ook kinderen die een bepaalde begeleiding nodig hebben en daardoor niet voor pleegzorg in aanmerking komen, kunnen in een gezinshuis wel functioneren. Gezinshuisouders krijgen vaak extra ondersteuning vanuit de instelling waar ze bij horen van een orthopedagoog, psycholoog, er zijn test- en therapiemogelijkheden enz., en met die ondersteuning kunnen zij zo'n kind wel aan.

Voor ouders is het vaak makkelijker te accepteren dat hun kind in een gezinshuis woont dan bij andere (pleeg)ouders die de verzorging en opvoeding van hun kind wél aankunnen. Het kind hoeft in een gezinshuis minder binding aan te gaan met de gezinshuisouders dan met de pleegouders, terwijl het toch in een gezinsachtige situatie opgroeit. Loyaliteitsconflicten met ouders komen in deze werkvorm minder voor.

Ontbreken van landelijke richtlijnen

De organisatie van de gezinshuizen verschilt per instelling. Datzelfde geldt voor de voorzieningen die men krijgt. Centrale, landelijke afspraken hierover zijn er niet. Bij sommige instellingen bewonen meerdere gezinshuisouderparen een aantal grote woningen op het terrein van de instelling (zoals bij de Hoenderloogroep en de Glind) en bij andere gaat het om een enkel gezinshuis in een gewone straat.

Bij de ene instelling worden de gezinshuisouders allebei betaald, of een van beiden; bij de andere instelling zijn ze gewoon vrijwilliger en werkt één van beide partners buitenshuis om het inkomen te verdienen. Voorzieningen als huis, auto, kosten voor levensonderhoud etc., regelt iedere instelling op zijn eigen wijze. Duidelijk is in ieder geval dat er geen enkele landelijke lijn of zelfs richtlijn in te ontdekken valt.

Formulering basisvoorwaarden

In Den Haag komt sinds twee jaar een groeiende groep gezinshuisouders elke zes weken bij elkaar. Zij hielden een enquête onder bij hen bekende gezinshuisouders naar alle voorzieningen, arbeidsvoorwaarden en wensen. De uitkomsten hiervan zijn vastgelegd in een notitie 'basisvoorwaarden' en gestuurd naar instellingen en overheid. Ook de vakbond werd om raad gevraagd. Hoe staat het met de salariëring en waarom is niets centraal geregeld?

De vakbond was verbaasd. Er staat wel iets over gezinshuisouders/groepsleiders in de CAO Jeugdhulpverlening, en dan kun je je daar als instelling toch naar richten? Maar in de praktijk blijkt die CAO voor de werkgever niet uitvoerbaar. Het werk van groepsleiders verschilt wezenlijk van dat van gezinshuisouders. Zo heeft elke instelling een protocol waarin staat hoe de pedagogisch medewerkers moeten omgaan met de kinderen, en waarin werk en privé strikt worden gescheiden. Groepsleiders mogen bijvoorbeeld niet in vrijetijdskleding op het werk komen, geen alcohol drinken en werken een bepaald aantal uren per week. Maar hoe stel je je dat in een gezinshuis voor? In je eigen huis maar een beperkt aantal uren 'aan het werk' zijn?

Als je familie op bezoek komt mogen niet alle kinderen erbij zijn? Hoe laat je kinderen dan ervaren hoe het er in een echt gezin aan toe gaat? Juist het feit dat kinderen in een gezinshuis meemaken hoe het is om steeds door dezelfde mensen verzorgd te worden, de veiligheid die daar vanuit gaat, dat was toch het mooie van het gezinshuis? En dan hebben we het nog maar niet over de vrijwillige gezinshuisouders die een vergoeding ontvangen voor het levensonderhoud van de kinderen, lager dan de pleegvergoeding. Reden genoeg dus om eens stevig met elkaar in gesprek te gaan.

Landelijk netwerk van gezinshuisouders

Die gesprekken zijn er gekomen. De vakbond ABVA/KABO FNV is in gesprek gegaan met de werkgeversorganisatie over de arbeidsvoorwaarden van gezinshuisouders. Op 9 februari j.l. is onder grote belangstelling een landelijke dag georganiseerd door NVP en ABVA/KABO FNV, en daar werd het resultaat van de onderhandelingen voorgelegd aan de gezinshuisouders.

Er is goede hoop dat het Zuid-Hollandse netwerk kan worden uitgebreid tot een landelijk netwerk. Met een sterke organisatie van deze goede werkvorm kan de zorg voor kinderen uit een instelling een treetje hoger worden getild. Zo kan een uitwisseling ontstaan over werken en leven als gezin in een gezinshuis, waarbij de gezinshuisouders zich bovendien geen zorgen meer hoeven te maken of ze het financieel wel rond kunnen krijgen. Ze kunnen dan al hun aandacht richten op de kinderen.

Want een sterk punt van gezinshuizen is dat zij een gezin zijn, en dat kinderen er op vaste mensen leren rekenen. In een leefgroep is voortdurend wisseling van kinderen, van groepsleiding en een onzeker beeld van de toekomst. Juist voor kinderen die langdurig op zorg van de instelling zijn aangewezen is die continuïteit van zorg belangrijk. Het is niet toevallig dat er steeds meer gezinshuizen ontstaan bij instellingen voor verstandelijk gehandicapten.

Het is een werkvorm die aanslaat, dat valt ook op te maken uit de bestaande wachtlijsten. Reden genoeg dus om de werkvorm te versterken en uit te breiden. Met maar één doel voor ogen: het kind een treetje omhoog!

Noot

Bep van Sloten is bereikbaar bij de NVP Zuid-Holland, tel. 070-360 88 93