Enige tijd geleden schreef
Omaima Korz-Noor in Mobiel over het Noord-Brabantse
project 'Pleegzorg moslimkinderen'. Dit project wil de
positie van moslim-pleegkinderen verbeteren en besteedt
veel aandacht aan werving en specifieke voorbereiding van
moslim-pleeggezinnen. Plaatsing van deze jongeren in
pleeggezinnen met eenzelfde culturele achtergrond heeft
meer kans van slagen, zo is het uitgangspunt. Omaima
Korz-Noor vroeg een moslim-pleeggezin van het eerste uur
naar hun ervaringen en waarom zij het zo belangrijk
vinden dat moslim-gezinnen zich aanmelden als pleegouder.
Mw. Hanan Drissi woont al 23 jaar in
Nederland. Samen met haar man Nourreddin zorgden zij een
half jaar voor de 14-jarige Samira. Omdat Samira in dit
gezin niet opliep tegen een taalbarrière of grote
cultuurverschillen, voelde ze zich er al snel thuis. Ook
haar ouders konden de uit huis plaatsing eerder
accepteren. Ze konden hun wensen en verwachtingen
gemakkelijker aan de pleegouders duidelijk maken. Zonder
de zorg van Hanan en haar man Noureddin zou het nooit
goed gekomen zijn met Samira. Hanan vertelt hoe Samira in
hun gezin terecht is gekomen.
Hoe kwamen je in contact met
Samira en wat was het probleem?
'Samira's vader was een kennis van
mijn man. Samira zelf kende ik niet want zij woonde in
Marokko bij haar moeder. Toen ze elf was wilde haar
moeder hertrouwen en haar vader besloot Samira naar
Nederland te halen. Ze zou hier bij haar vader,
stiefmoeder en hun drie kinderen gaan wonen. Samira vond
het leuk om naar Europa te gaan, maar wat zij van het
leven daar verwachtte, kwam echter niet uit. Uit angst
voor mislukking en uit onwetendheid over de Nederlandse
samenleving maakte de stiefmoeder het leven van Samira
tot een hel.'
Hoe verliep het eerste
contact?
'Samira, inmiddels 14 jaar, was uit
het gezin gehaald door politie en onderwijzer. Al drie
jaar lang had zij veel problemen met haar stiefmoeder en
met de andere kinderen. Samira's vader gaf de stiefmoeder
de schuld van alle problemen. Op school ging het niet
goed met Samira en dat viel de onderwijzer op. Na veel
doorvragen vertelde ze hem huilend over de problemen
thuis. Samira woonde net drie weken in het tehuis toen ik
werd gebeld. Ik merkte dat ze een moeder nodig had. Als
ik haar over haar hoofd aaide, dan kroop ze helemaal
tegen je aan.'
Hoe reageerden de vader en de
andere familieleden op de uit huis
plaatsing?
De vader schaamde zich erg over de
gebeurtenissen. Vooral omdat het gezin onderwerp van
roddel in de Marokkaanse gemeenschap zou kunnen worden.
Daar denkt men al snel: 'dat meisje zal wel zijn
weggelopen met een jongen'. Zoiets wordt namelijk als een
grote schande en een gezichtsverlies ervaren. Wij konden
de hulpverlenende instanties duidelijk maken, dat het
volgens 'onze' normen en waarden onmogelijk en
onaanvaardbaar is een meisje in een tehuis te laten
wonen.
Samira woonde zes maanden bij ons. Ik
praatte in die tijd veel met de politie en met de ouders
om van de vader duidelijk te krijgen wat er nu precies
aan de hand was. Het bleek dat de drie half-broertjes
'alles' mochten van stiefmoeder, en Samira niets. Ook
werd van haar verwacht dat zij het huishouden &endash
naast haar school &endash zou doen. Dat ging niet goed
samen.'
Hoe reageerde de
omgeving?
'Eigenlijk heel positief. We
ondervonden uit het hele dorp &endash van Nederlanders
en buitenlanders &endash veel waardering, steun en
liefde. Van verschillende Nederlandse instellingen en van
Marokkaanse gezinnen kregen we later nog verzoeken om te
bemiddelen tussen instellingen, ouders en
kinderen.'
Zijn er tijdens de plaatsing
problemen geweest over wederzijdse
verwachtingen?
'O zeker, zo bleek de stiefmoeder
achteraf van mij in sommige opzichten andere
verwachtingen te hebben gehad. Zij heeft dat nooit
openlijk gezegd omdat ze onze inzet al heel groot vond.
Ze dacht dat het onfatsoenlijk zou zijn om ook nog eisen
te stellen aan de opvoeding. De stiefmoeder werd
bijvoorbeeld boos toen ik met Samira naar een kapper ging
en zorgde dat zij er goed uitzag. Ze was bang dat het
meisje te veel aan jongens zou gaan denken, of dat die
jongens achter het meisje aan zouden gaan
lopen.'
Kreeg je een
onkostenvergoeding?
'Nee, daar heb ik ook nooit om
gevraagd. Ik vond dat ik het gewoon doen moest. Daar
praat je niet over, je helpt elkaar gewoon.'
Hoe verliep het afscheid van
Samira?
Dat afscheid verliep geleidelijk.
Eerst ging ik met haar op bezoek bij haar ouders, liet
haar een poosje alleen om boodschappen te gaan doen, en
haalde haar dan weer op. En zo breidden we dat uit. Ik
was toen al wel bang dat het op den duur niet goed zou
gaan. Later is inderdaad besloten dat het beter was om
Samira terug te laten gaan naar Marokko. De stiefmoeder
kon toch niet voor haar zorgen. Ze is daar nu getrouwd en
als ik op vakantie in Marokko ben, zie ik haar
soms.'
Waarom is de werving van
moslim-pleeggezinnen voor moslimkinderen zo
belangrijk?
'Na onze ervaring met Samira hebben de
politie en welzijnsinstellingen nog vaak bij ons
aangeklopt om hulp in probleemsituaties waar allochtone
families bij betrokken zijn. Ik denk dat de communicatie
tussen pleeggezin, pleegkind en ouders veel beter zal
verlopen als meer moslim-gezinnen bij de pleegzorg worden
betrokken. De hulpverlening zal dan meer bekendheid
krijgen met de specifieke vraag en daar beter bij aan
kunnen sluiten. Het zal de kwaliteit van het werk alleen
maar verbeteren.
Niet-Nederlandse kinderen leven in
Europa nu eenmaal tussen twee werelden. En dat vraagt
maatwerk van de pleegzorg. Werven van Arabische en Turkse
pleeggezinnen is niet alleen van belang voor het kind,
maar het komt ons allemaal ten goede. Aan de ene kant
bevordert de deelname het integratieproces van
allochtonen. Aan de andere kant geeft een
moslim-pleeggezin Nederlandse hulpverleners nieuwe dat
inzichten en stelt hen beter in staat dat maatwerk te
leveren. Beide zaken zijn belangrijk. Ik ben er van
overtuigd dat wanneer een pleegouder de cultuur van het
pleegkind begrijpt, de communicatie ook veel
gemakkelijker verloopt. Zo'n plaatsing heeft dan ook veel
meer kans van slagen.'
Commentaar
Uit het project 'Pleegzorg
en moslimkinderen'(zie MOBIEL,4-1998). Valt
inmiddels enige lering te trekken.
Het is duidelijk geworden
dat het Nederlandse verschil tussen formele
en informele pleegzorg volstrekt onbekend is
bij allochtonen. Dat kan tot allerlei
misverstanden over rechten, plichten en
financiële vergoedingen leiden. Daar
valt met goede voorlichting veel aan te
doen.
Als de instellingen voor
jeugdhulpverlening succes willen boeken bij
de werving van allochtone
moslim-pleeggezinnen, dan moet men in aanpak
en methodiek aansluiting zoeken, en rekening
houden met de verschillen in normen en
waarden. Dat vereist inlevingsvermogen en
durf.
Tot slot leerde de
ervaringen met het project dat, wanneer
instellingen beter toegankelijk zijn voor
mensen met andere culturele achtergrond, er
meer begrip zal ontstaan tussen mensen van
verschillende culturen. Om met Hanan Drissi
te spreken: 'dat komt ons allemaal ten
goede'.
|