artikel uit Mobiel 1, februari 1999

'Het komt ons allemaal ten goede'

Door Omaima Korz-Noor
van de Stichting Prisma

Enige tijd geleden schreef Omaima Korz-Noor in Mobiel over het Noord-Brabantse project 'Pleegzorg moslimkinderen'. Dit project wil de positie van moslim-pleegkinderen verbeteren en besteedt veel aandacht aan werving en specifieke voorbereiding van moslim-pleeggezinnen. Plaatsing van deze jongeren in pleeggezinnen met eenzelfde culturele achtergrond heeft meer kans van slagen, zo is het uitgangspunt. Omaima Korz-Noor vroeg een moslim-pleeggezin van het eerste uur naar hun ervaringen en waarom zij het zo belangrijk vinden dat moslim-gezinnen zich aanmelden als pleegouder.

Mw. Hanan Drissi woont al 23 jaar in Nederland. Samen met haar man Nourreddin zorgden zij een half jaar voor de 14-jarige Samira. Omdat Samira in dit gezin niet opliep tegen een taalbarrière of grote cultuurverschillen, voelde ze zich er al snel thuis. Ook haar ouders konden de uit huis plaatsing eerder accepteren. Ze konden hun wensen en verwachtingen gemakkelijker aan de pleegouders duidelijk maken. Zonder de zorg van Hanan en haar man Noureddin zou het nooit goed gekomen zijn met Samira. Hanan vertelt hoe Samira in hun gezin terecht is gekomen.

Hoe kwamen je in contact met Samira en wat was het probleem?

'Samira's vader was een kennis van mijn man. Samira zelf kende ik niet want zij woonde in Marokko bij haar moeder. Toen ze elf was wilde haar moeder hertrouwen en haar vader besloot Samira naar Nederland te halen. Ze zou hier bij haar vader, stiefmoeder en hun drie kinderen gaan wonen. Samira vond het leuk om naar Europa te gaan, maar wat zij van het leven daar verwachtte, kwam echter niet uit. Uit angst voor mislukking en uit onwetendheid over de Nederlandse samenleving maakte de stiefmoeder het leven van Samira tot een hel.'

Hoe verliep het eerste contact?

'Samira, inmiddels 14 jaar, was uit het gezin gehaald door politie en onderwijzer. Al drie jaar lang had zij veel problemen met haar stiefmoeder en met de andere kinderen. Samira's vader gaf de stiefmoeder de schuld van alle problemen. Op school ging het niet goed met Samira en dat viel de onderwijzer op. Na veel doorvragen vertelde ze hem huilend over de problemen thuis. Samira woonde net drie weken in het tehuis toen ik werd gebeld. Ik merkte dat ze een moeder nodig had. Als ik haar over haar hoofd aaide, dan kroop ze helemaal tegen je aan.'

Hoe reageerden de vader en de andere familieleden op de uit huis plaatsing?

De vader schaamde zich erg over de gebeurtenissen. Vooral omdat het gezin onderwerp van roddel in de Marokkaanse gemeenschap zou kunnen worden. Daar denkt men al snel: 'dat meisje zal wel zijn weggelopen met een jongen'. Zoiets wordt namelijk als een grote schande en een gezichtsverlies ervaren. Wij konden de hulpverlenende instanties duidelijk maken, dat het volgens 'onze' normen en waarden onmogelijk en onaanvaardbaar is een meisje in een tehuis te laten wonen.

Samira woonde zes maanden bij ons. Ik praatte in die tijd veel met de politie en met de ouders om van de vader duidelijk te krijgen wat er nu precies aan de hand was. Het bleek dat de drie half-broertjes 'alles' mochten van stiefmoeder, en Samira niets. Ook werd van haar verwacht dat zij het huishouden &endash naast haar school &endash zou doen. Dat ging niet goed samen.'

Hoe reageerde de omgeving?

'Eigenlijk heel positief. We ondervonden uit het hele dorp &endash van Nederlanders en buitenlanders &endash veel waardering, steun en liefde. Van verschillende Nederlandse instellingen en van Marokkaanse gezinnen kregen we later nog verzoeken om te bemiddelen tussen instellingen, ouders en kinderen.'

Zijn er tijdens de plaatsing problemen geweest over wederzijdse verwachtingen?

'O zeker, zo bleek de stiefmoeder achteraf van mij in sommige opzichten andere verwachtingen te hebben gehad. Zij heeft dat nooit openlijk gezegd omdat ze onze inzet al heel groot vond. Ze dacht dat het onfatsoenlijk zou zijn om ook nog eisen te stellen aan de opvoeding. De stiefmoeder werd bijvoorbeeld boos toen ik met Samira naar een kapper ging en zorgde dat zij er goed uitzag. Ze was bang dat het meisje te veel aan jongens zou gaan denken, of dat die jongens achter het meisje aan zouden gaan lopen.'

Kreeg je een onkostenvergoeding?

'Nee, daar heb ik ook nooit om gevraagd. Ik vond dat ik het gewoon doen moest. Daar praat je niet over, je helpt elkaar gewoon.'

Hoe verliep het afscheid van Samira?

Dat afscheid verliep geleidelijk. Eerst ging ik met haar op bezoek bij haar ouders, liet haar een poosje alleen om boodschappen te gaan doen, en haalde haar dan weer op. En zo breidden we dat uit. Ik was toen al wel bang dat het op den duur niet goed zou gaan. Later is inderdaad besloten dat het beter was om Samira terug te laten gaan naar Marokko. De stiefmoeder kon toch niet voor haar zorgen. Ze is daar nu getrouwd en als ik op vakantie in Marokko ben, zie ik haar soms.'

Waarom is de werving van moslim-pleeggezinnen voor moslimkinderen zo belangrijk?

'Na onze ervaring met Samira hebben de politie en welzijnsinstellingen nog vaak bij ons aangeklopt om hulp in probleemsituaties waar allochtone families bij betrokken zijn. Ik denk dat de communicatie tussen pleeggezin, pleegkind en ouders veel beter zal verlopen als meer moslim-gezinnen bij de pleegzorg worden betrokken. De hulpverlening zal dan meer bekendheid krijgen met de specifieke vraag en daar beter bij aan kunnen sluiten. Het zal de kwaliteit van het werk alleen maar verbeteren.

Niet-Nederlandse kinderen leven in Europa nu eenmaal tussen twee werelden. En dat vraagt maatwerk van de pleegzorg. Werven van Arabische en Turkse pleeggezinnen is niet alleen van belang voor het kind, maar het komt ons allemaal ten goede. Aan de ene kant bevordert de deelname het integratieproces van allochtonen. Aan de andere kant geeft een moslim-pleeggezin Nederlandse hulpverleners nieuwe dat inzichten en stelt hen beter in staat dat maatwerk te leveren. Beide zaken zijn belangrijk. Ik ben er van overtuigd dat wanneer een pleegouder de cultuur van het pleegkind begrijpt, de communicatie ook veel gemakkelijker verloopt. Zo'n plaatsing heeft dan ook veel meer kans van slagen.'

 

Commentaar

Uit het project 'Pleegzorg en moslimkinderen'(zie MOBIEL,4-1998). Valt inmiddels enige lering te trekken.

Het is duidelijk geworden dat het Nederlandse verschil tussen formele en informele pleegzorg volstrekt onbekend is bij allochtonen. Dat kan tot allerlei misverstanden over rechten, plichten en financiële vergoedingen leiden. Daar valt met goede voorlichting veel aan te doen.

Als de instellingen voor jeugdhulpverlening succes willen boeken bij de werving van allochtone moslim-pleeggezinnen, dan moet men in aanpak en methodiek aansluiting zoeken, en rekening houden met de verschillen in normen en waarden. Dat vereist inlevingsvermogen en durf.

Tot slot leerde de ervaringen met het project dat, wanneer instellingen beter toegankelijk zijn voor mensen met andere culturele achtergrond, er meer begrip zal ontstaan tussen mensen van verschillende culturen. Om met Hanan Drissi te spreken: 'dat komt ons allemaal ten goede'.

Noot

Voor meer informatie over het project 'Pleegzorg moslim-kinderen' kunt bellen met: Omaima Korz-Noor, Stichting PRISMA, 013-5441 440