artikel uit Mobiel 1, februari 1999

Taken en bevoegdheden van de Kinderrechter

thema: Pleegzorg soms een doolhof

Sinds1995 behoort de uitvoering van de ondertoezichtstelling tot de verantwoordelijkheid van de gezinsvoogdij-instelling. De kinderrechter (hierna: rechter) heeft sindsdien een controlerende taak in de ondertoezichtstelling.

Ook in het resterende jeugdrecht kan en zal de rechter niet vaak ambtshalve, d.w.z. uit eigen beweging, optreden. In de meeste gevallen kan een rechter slechts oordelen, als een ander daartoe een verzoek indient.

In de volgende voorbeelden kan de rechter wel ambtshalve een uitspraak doen:

  1. als hem blijkt dat het noodzakelijk is dat er een voogd over een minderjarige wordt benoemd;
  2. als hem blijkt dat een voogd financieel bewind over zijn pupil niet naar behoren uitvoert en er maatregelen tegen de voogd genomen moeten worden,
  3. als hem blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder een rechterlijke beslissing inzake een omgangsregeling wenst.

Rechtszaken die het personen en familierecht betreffen zijn onderworpen aan de zogenaamde verzoekschriften procedure. Deze procedure is eenvoudiger van aard dan de dagvaardingsprocedure, duurt vaak korter, en de zaak wordt over het algemeen mondeling behandeld, wat recht doet aan de aard van de kwestie aangezien zij zich gezien de persoonlijke aard niet leent voor een schriftelijke afhandeling. Als een minderjarige betrokken is bij de zaak, vindt de afhandeling overigens achter gesloten deuren plaats. De zitting is, in afwijking van de hoofdregel, niet voor iedereen vrij toegankelijk.

De verzoeker moet in zijn verzoekschrift aangeven wie de belanghebbenden zijn. Het is echter de rechter die uiteindelijk vaststelt wie de belanghebbenden zijn; zo kan hij opdracht geven personen als belanghebbende op te roepen, die door de verzoeker niet als zodanig zijn opgegeven. De zaak wordt dan opgehouden, wat in het nadeel van de verzoeker kan zijn.

Alle belanghebbenden hebben in principe recht op alle stukken die in het geding worden gebracht en hebben recht hun zegje ter zitting te doen.

In zaken betreffende minderjarige zal in principe de minderjarige die ouder is dan twaalf eveneens bij de rechter zijn mening kenbaar mogen maken.

Daarnaast kan de rechter de RvdK en andere deskundigen om advies vragen.

In zaken die jeugdigen betreffen, zal het belang van het kind uiteindelijk voor het grootste deel de uitspraak bepalen.