artikel uit Mobiel 1, februari 1999

Pleegzorg soms een doolhof voor pleegouders

thema

Door Piet en Ingrid Brunasse
pleegouders

Bij de familie Brunasse, vader Piet, moeder Ingrid, dochter Lidwien en zoon Bernt, waren kinderen van anderen altijd al welkom. Lang voordat zij de 'officiële status' van pleeggezin kregen, vonden zij al onderdak bij hen. Inmiddels is de familie een ervaren pleeggezin waar heel wat pleegkinderen voor korte of lange tijd een veilige plek vonden. In die lange pleegzorggeschiedenis zagen zij zich geconfronteerd met een groot aantal instanties en personen. Als MOBIEL hen ernaar vraagt, geven zij aan dat voor hen route en wegwijzers in pleegzorgland niet altijd even overzichtelijk en duidelijk zijn geweest. Openhartig vertellen zij hier over hun ervaringen.

'Als de ene maatschappelijk werker of voogd de achterdeur uitgaat, staat de volgende alweer op de stoep'. Dat, enigszins overdreven, beeld van in- en uitlopende hulpverleners heeft ons er jarenlang van weerhouden ons aan te melden als regulier pleeggezin.

Bovendien hadden we altijd al kinderen van anderen over de vloer. Via de kerk, als er ziekte in een gezin was. Het mongoloïde jongetje waarvan de ouders zijn handicap niet konden accepteren. Het meisje dat buiten de deur werd

gezet door haar ouders omdat ze met een 23 jaar oudere man omging. Kinderen van Algerijnse afkomst uit de voorsteden van Parijs, sommigen brachten alleen de vakanties bij ons door, maar er waren ook baby's die gewoon jarenlang bleven.

Over geld, vergoeding, kleding, begeleiding, rechten, plichten, verzekeringen en verantwoordelijkheden werd niet gesproken. Dat is nu wel anders. Ook de contacten met de ouders waren anders. Eigenlijk was er altijd een uitstekende verstandhouding. Oudercontacten nu verlopen vaak moeizaam, en soms zijn ze helemaal niet aanwezig. Veel ouders zien de pleegouders als een concurrent of een bedreiging. Begrijpelijk, maar toch vaak lastig.

De voorbereidingsprogramma's

Maar uiteindelijk hebben we toch de stap gezet en meldden we ons aan voor reguliere pleegzorg. We werden uitgenodigd voor het TOP (Training Ondersteuning van Pleegouders)-basisprogramma, inmiddels vervangen door de beroemde STAP-cursus, en gingen met gemengde gevoelens. 'Zou het van dat geitenwollensokkengeklets worden waar je een probleem van boven en beneden bekijkt, van links en van rechts en enerzijds geneigd bent en anderzijds toch overweegt?'.Achteraf zagen we het nut van deze bijeenkomsten heel goed in. Je leert er goed naar de motieven en beweegredenen van je keuze kijken. Wij hebben er veel aan gehad. Evenals aan de diverse speciale cursusavonden van onze pleegzorgvoorziening. Niet alleen krijg je daar de gelegenheid je een duidelijker beeld te vormen van de verschillende problemen en valkuilen, maar je komt ook in contact met andere pleegouders en daar steek je vaak heel wat van op.

Het gezinsonderzoek

Het gezinsonderzoek was de volgende stap. We hadden een soortgelijke procedure al eerder meegemaakt bij adoptie, en we stonden dus echt niet te trappelen om nog een keer met ons hele hebben en houden bloot te moeten staan. Maar vooruit...

De kamer kreeg een extra beurt en de rest van het huis werd kritisch nagelopen. Alles keurig op orde, vonden wij. Dat vond de interviewster kennelijk ook, sterker nog, het verleidde haar prompt tot de opmerking 'dat alles er wel akelig netjes en steriel uitzag. Kan de familie Brunasse wel tegen speelgoedrommel?' 'Speelgoed is geen rommel', was ons bitse antwoord. Opvallend vonden we in deze gesprekken dat alleen met de volwassenen in het gezin werd gesproken, onze kinderen kwamen niet aan bod.

Het verslag van dit onderzoek is erg belangrijk, omdat het bij de plaatsing van kinderen een cruciale rol speelt. Maar wat zijn nou precies de criteria waaraan de geschiktheid van het pleeggezin wordt getoetst? Bij ons ging het verder als volgt:

Een plaatsende instantie zoekt een pleeggezin voor een kind. De pleegzorgvoorziening heeft drie passende gezinnen en stuurt de anonieme verslagen op. Als je al eerder kinderen van deze instelling in huis hebt gehad, kan de plaatser de identiteit van het gezin vrij gemakkelijk achterhalen, en de anonimiteit is dan gauw zoek. In theorie maakt de plaatser op basis van de verslagen een keuze, maar of dit altijd echt zo in z'n werk gaat? Wij vragen het ons sterk af. Het is voor ons &endash nog steeds &endash tamelijk schemerig wat er voorafgaand aan het eerste telefoontje om een kind in huis te nemen allemaal speelt. Wie beslist of een bepaald gezin bij een kind past? Idealiter zouden er dan toch geen of weinig mislukte plaatsingen voorkomen? Bovendien veroudert zo'n verslag natuurlijk ook al snel.

En hoe gaat dat dan bij een crisisplaatsing? Dan is er vast geen tijd voor zo'n tijdrovende procedure te volgen. Wie speelt hier dan de beslissende rol? Er moet een plaats komen en snel. Zo hebben wij het in elk geval een aantal keren meegemaakt. We hebben geen zicht op de zorgvuldigheid achter de schermen, maar zitten we er ver naast als in zo'n geval de plaatser enkele pleegzorgwerkers belt met een 'Zeg heb jij een gezin voor Pieter van 14? Hij moet voor vijf uur een nieuwe plek hebben.' Niks mooie procedure en passende gezinnen. Misschien ging het bij Pieter van 14 daarom ook wel fout. Hoewel, lag het alleen aan de (snelle)plaatsing of konden wij de gecompliceerdheid van Pieter gewoon niet aan? Twijfel blijft. Deden we het goed, of moest het toch anders? Je krijgt toch een beetje een schuldgevoel.

Begeleiding

Met de pleegkinderen kwam ook de begeleiding. Bij ons deed zich daarmee al snel een probleem voor toen een plaatsende instantie ook de begeleiding van het gezin wilde doen. Daar wilden zowel de Voorziening als wijzelf niet aan. Eén begeleider voor het gezin vonden we genoeg. Dat was toch het doel van die hele ontkoppeling hadden wij begrepen? Het werd een heel gehakketak tussen de beide aanbieders. Zes maanden duurde het gewirwar. Verloren tijd voor de kinderen.

De verstandhouding die we in de loop der tijd met onze begeleiders hadden is heel verschillend geweest. Ons was verteld dat de pleegzorgbegeleider het centrale aanspreekpunt is voor pleegouders, en idealiter is dat ook het geval. Onze eerste begeleidster voldeed hier bijvoorbeeld helemaal aan. Ze hoorde onze zorgen en problemen aan. Gaf steun wanneer dat nodig was, pakte zaken direct op en werkte deze af. Ze stond naast ons, en haalde al heel snel het gevoel weg dat ze toch ook een controlerende taak had. Ze durfde zaken bespreekbaar te maken die volgens haar anders of beter zouden kunnen. Ze was er voor de kinderen en voor ons. Helaas kreeg ze een functie met meer verantwoordelijkheden. Weg contact. Wat moet je doen als de volgende begeleider je minder goed ligt?

Onze tweede begeleider was een beetje een betweter. Hij wist ook altijd alles beter. Met zijn jarenlange ervaring had hij al zoveel gezien en meegemaakt. Hem hoefde je niets meer te vertellen. Dat maakte ons onzeker. Het gevolg was dat we allerlei zaken niet meer aan hem vroegen, hem passeerden, regelrecht de voogd belden of dingen regelden via de huisarts.

Onze huidige begeleidster bezoekt ons alweer anderhalf jaar. Dat gaat prima. Met haar bespreken we gewoon hoe we het beter, of anders aan kunnen pakken. We zoeken weer samen, en zitten niet meer in de schoolbanken. We worden serieus genomen.

Criteria bijplaatsingen

Toch is er op dit moment nog wel een donker wolkje. Wij vinden, dat we nog plaats hebben voor een kind. Onze begeleidster denkt daar anders over. Enkele plaatsende instanties zijn het met ons eens. Maar er gebeurt niets. We vragen ons wel eens af waar nu het punt ligt waar we gestopt worden op weg naar gezinsuitbreiding. Waar en bij wie ligt dat? Aan de begeleidster? Aan de diverse gezinsvoogden die misschien bang zijn, dat hun kinderen dan niet genoeg aandacht krijgen? Hoe kom je daar achter? Vragen aan de gezinsvoogd? Maar daar is zo weinig contact mee!

Voogdij

Wijzelf hebben geen probleem met de geringe contacten met de voogdij, maar hoe is dat voor de pleegkinderen? Wij, de pleegouders, zorgen voor het kind, maar een voogd of gezinsvoogd is toch (eind)verantwoordelijke voor het kind?

Het zal wel inherent zijn aan het systeem, maar toch vinden wij het merkwaardig, dat onze 13-jarige Carolien haar voogd hooguit twee maal per jaar een uurtje ziet. Hij neemt toch alle belangrijke beslissingen voor haar tot haar 18de jaar?

Soms hebben we zelfs het gevoel, dat de voogd meer voor de belangen en rechten van de ouders opkomt, dan voor die van het kind. Uiteraard hebben de ouders ook rechten. Maar moet je een kind, dat jaren door zijn vader is mishandeld, toch bij hem op bezoek laten gaan? 'Ja,' zegt de voogd. Hij volgt een dadercursus bij het RIAGG (Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg). Hij heeft er zo'n spijt van. Hij wil nog zoveel voor het kind betekenen. 'Nee', zeggen de andere betrokkenen. 'Ook als je het aantal bezoeken drastisch beperkt, toch zadel je het kind steeds weer op met de angst en de bijbehorende nachtmerries'. Hoe kan een pleegouder nou adequaat reageren als de adviezen van de deskundigen zo verdeeld zijn?

Het SABD en het MKD

Wij hebben inmiddels al met een heleboel schooltypen kennisgemaakt, en onze ervaringen hiermee zijn heel wisselend. Om te beginnen de basisschool natuurlijk. Een aantal keren zagen we de leerkracht schrikken als hij weer met zo'n probleemkind werd opgezadeld. En hij had al 30 kinderen in de klas, waarvan er veel uit gebroken gezinnen kwamen of sleutelkinderen waren.

Diepe bewondering hebben we voor de school van onze pleegdochter Carolien. Zij kwam uit een zeer zwak sociaal milieu en had een enorme taalachterstand. Zowel haar omgeving als haar vorige school lieten haar links liggen. Carolien wantrouwde volwassenen dan ook, en haatte school.

Na een uitgebreid onderzoek door de SABD (School Advies Begeleidings Dienst) ontwikkelde de school een speciaal programma voor haar en zorgde ervoor, dat ze niet meer gepest werd. Nu, zo'n twee jaar later is de achterstand grotendeels ingehaald. Carolien gaat graag naar school en behaalt goede resultaten.

We hebben ook veel contacten met MKD's (Medisch Kleuter Dagverblijf) gehad. Het is wel even wennen als je soms van groepsleiders van gemiddeld een jaar of 23 adviezen krijgt over zaken thuis. Ook hoe we het beste met onze eigen kinderen om konden gaan. Eerst vonden we het wel grappig, maar op den duur werd het irritant. Toen we merkten dat ons pleegdochtertje Anja medicijnen kreeg toegediend zonder dat wij het wisten, was de gort goed gaar. Er volgde een pittig gesprek. Heel openhartig van beide kanten, maar het klaarde de lucht op.

 

TGV-gezin

Het MKD adviseerde voor zowel Carolien als Anja een TGV-gezin. Onzin vonden wij, en de pleegzorgbegeleider ook. Het psychologisch ambulatorium kwam er aan te pas. Twee psychologen observeerden de kinderen op het MKD en bij ons thuis. 'Graag een zo normaal mogelijke situatie' was het motto. Maar hoe creëer je een zo normaal mogelijk situatie als er twee vreemde mensen met een blocnote op hun schoot op de bank bij zitten? Het was ons een raadsel. Maar het gebeurde, en de kinderen gedroegen zich voorbeeldig. Als engeltjes, en ze mochten blijven. Toch een TGV-gezin zei het MKD. Goed dan, was het oordeel van de pleegzorgbegeleider en met één pennenstreek waren we een TGV-gezin!

Overleg en onderzoeksrapportage

Nog steeds kunnen wij het niet rijmen dat bij het driemaandelijkse overleg op zo'n MKD iedereen aanwezig is: de kleuterjuf, de groepsleidster, de psychologe, de speltherapeute, de logopediste, de orthopedagoge, de kinderarts, de voogd en de pleegzorgbegeleider. Alleen de ouders en pleegouders niet. Die krijgen de uitkomst van het gesprek achteraf te horen. Mosterd na de maaltijd vinden wij.

Het gaat gelukkig niet overal zo. Onze ervaringen met het RIAGG en het diagnostisch centrum hier in de buurt zijn heel positief. Als pleegouder wordt je er serieus genomen. Bij het diagnostisch centrum doet men onder meer onderzoek naar lichamelijk geweld en seksueel misbruik. Het is een zeer diepgaand onderzoek, waarbij ouders, grootouders, pleegouders en zonodig ook begeleiders, school en sociale werkers en kinderarts zijn betrokken. Na afloop komt er een uitvoerig rapport dat uitgebreid met de betrokkenen wordt besproken. Ook met eventuele daders. Wij waren dan ook stomverbaasd toen we onlangs hoorden dat zo'n uitstekend instituut met opheffing werd bedreigd wegens het stopzetten van de subsidies!

Een veel minder prettige ervaring daarentegen hadden we met een centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie. De vraag van de voogdij-instelling aan dit centrum was, welke hulpverlening zou ons (crisis)pleegkind Melanie moeten hebben? Een tehuis, een speciaal centrum, een pleeggezin en zo ja, met welk soort ambulante hulp? Want dat die hulp er moest komen, was iedereen wel duidelijk. Voor de juiste diagnose sprak het meisje twee keer een uur met de psychiater. Daarna volgde een gesprek van anderhalf uur met ons, de pleegouders en de voogd, terwijl Melanie zonder toezicht of aanspraak in de wachtkamer op de afloop van het gesprek wachtte. Daar had ze het moeilijk mee en zij was niet de enige. Die gesprekken hebben wijzelf ook als zeer onprettig ervaren. Alsof we aan een kruisverhoor werden onderworpen!

En wat was de conclusie? 'Het is te proberen in een gezin, met veel steun en begeleiding zou het kunnen lukken. Mocht het meisje toch opgenomen moeten worden, dan is er een wachttijd van minstens anderhalf jaar. Bovendien moet het eerst maar eens geprobeerd worden zonder ambulante hulp'. Eerlijkheidshalve moeten we zeggen, dat we veel dingen zijn tegengekomen waarvoor de psychiater ons had gewaarschuwd. Vakkennis had hij wel.

In aanraking met Justitie

Helaas hebben we ook wel eens met de politie te maken gekregen. In dit geval de zedenpolitie. Zij pakten het onderzoek heel bijzonder aan. Met erg veel begrip en respect voor het kind, dat wel. Eerst kwam de rechercheur met ons en het kind kennis maken. Daar trok hij een hele avond voor uit. Alles werd gedaan om onze pleegzoon op zijn gemak te stellen. Hij mocht de plaats van de gesprekken bepalen en de duur daarvan. Ook mocht hij een vertrouwenspersoon meenemen en kreeg steun van slachtofferhulp. Steeds weer werd erop gewezen, dat hij nergens schuldig aan was en zich ook niet zo hoefde te voelen. Erg belangrijk, om dat ook van de politie te horen. Het is maar goed, dat de kinderen niet bij het proces hoeven te zijn. Veel daders hebben een andere versie van het verhaal: het kind kwam bij hen zitten, hij hielp hen met huiswerk etc.

En dan eindelijk het proces. Waarom wacht Justitie daar zo lang mee? Het kan jaren duren voordat de zaak voorkomt. Bij de zaak van onze pleegzoon was dat ook het geval. Gelukkig was het een serieus proces en geen hamerstuk.

Want de jaarlijkse verlengingen van uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling door de kinderrechter zijn wel heel vaak hamerstukken. Pleegouders mogen bij het proces aanwezig zijn en hun zegje doen, maar onze pleegzorgbegeleider raadt dat altijd af om strijd met de ouders te voorkomen. Eén keer zijn we toch geweest. We werden serieus gehoord, ondanks dat de zitting een halve dag was verdaagd zonder dat wij dat wisten. Ons Kareltje maakte het allemaal heel anders mee. Hij werd uitgenodigd voor een gesprek. Na twee minuten was hij weer buiten. 'Ben je nu al klaar?' vroegen wij. 'Nee, ik ben nog niet geweest, zo'n oude kerel in een zwart pak vroeg twee dingen: of ik goed met jullie kon opschieten en of het goed ging op school. Ik zei ja. De rechter was er denk ik nog niet bij, maar ik moet straks terugkomen', aldus Karel. Hij moest inderdaad terugkomen. Voor de uitspraak. Een aanfluiting. Als je dan kinderen uitnodigt voor een gesprek, praat er dan ook een kwartiertje mee. Hierover zou zo'n rechter toch een schuldgevoel moeten hebben. In het vonnis kon ons inziens de zin 'alhoewel behoorlijk opgeroepen zijn de overige belanghebbenden (de pleegouders) niet verschenen' dan ook beter vervangen worden door 'alhoewel behoorlijk bezocht en aanwezig zijnde gaf de rechter niet thuis'.

Tot slot

Wij weten niet of ons verhaal exemplarisch is voor de pleegzorg. Over het algemeen vonden wij de betrokkenheid van al die instellingen, instanties en personen bij het pleegkind altijd groot. Maar wat precies de onderlinge samenhang is tussen al die betrokkenen? Wat ieders taken en verantwoordelijkheden daarbinnen zijn? Het is ons nooit helemaal duidelijk geworden. Wij hebben het idee dat iedereen voor zichzelf werkt. Allemaal eilandjes. Wij zeggen wel eens tegen elkaar na afloop van het maandelijkse gesprekken met de pleegzorgwerker: '90 procent ging weer over dingen die nog niet zo goed gaan, 5 procent over koetjes en kalfjes en 5 procent over de leuke en prettige dingen'. Maar in feite is ònze ervaring andersom: 90 procent verloopt prima en de rest kan beter.

Als men dit ook bij 'Trillium', het overheidsproject Innovatie en Kwaliteitsverbetering Pleegzorg, voor ogen houdt komt het nog wel goed in pleegzorgland.'

SDe namen van personen in dit interview zijn uit privacyoverwegingen veranderd.