Bij de familie Brunasse,
vader Piet, moeder Ingrid, dochter Lidwien en zoon Bernt,
waren kinderen van anderen altijd al welkom. Lang voordat
zij de 'officiële status' van pleeggezin kregen,
vonden zij al onderdak bij hen. Inmiddels is de familie
een ervaren pleeggezin waar heel wat pleegkinderen voor
korte of lange tijd een veilige plek vonden. In die lange
pleegzorggeschiedenis zagen zij zich geconfronteerd met
een groot aantal instanties en personen. Als MOBIEL hen
ernaar vraagt, geven zij aan dat voor hen route en
wegwijzers in pleegzorgland niet altijd even
overzichtelijk en duidelijk zijn geweest. Openhartig
vertellen zij hier over hun ervaringen.
'Als de ene maatschappelijk werker of
voogd de achterdeur uitgaat, staat de volgende alweer op
de stoep'. Dat, enigszins overdreven, beeld van in- en
uitlopende hulpverleners heeft ons er jarenlang van
weerhouden ons aan te melden als regulier pleeggezin.
Bovendien hadden we altijd al kinderen
van anderen over de vloer. Via de kerk, als er ziekte in
een gezin was. Het mongoloïde jongetje waarvan de
ouders zijn handicap niet konden accepteren. Het meisje
dat buiten de deur werd
gezet door haar ouders omdat ze met
een 23 jaar oudere man omging. Kinderen van Algerijnse
afkomst uit de voorsteden van Parijs, sommigen brachten
alleen de vakanties bij ons door, maar er waren ook
baby's die gewoon jarenlang bleven.
Over geld, vergoeding, kleding,
begeleiding, rechten, plichten, verzekeringen en
verantwoordelijkheden werd niet gesproken. Dat is nu wel
anders. Ook de contacten met de ouders waren anders.
Eigenlijk was er altijd een uitstekende verstandhouding.
Oudercontacten nu verlopen vaak moeizaam, en soms zijn ze
helemaal niet aanwezig. Veel ouders zien de pleegouders
als een concurrent of een bedreiging. Begrijpelijk, maar
toch vaak lastig.
De
voorbereidingsprogramma's
Maar uiteindelijk hebben we toch de
stap gezet en meldden we ons aan voor reguliere
pleegzorg. We werden uitgenodigd voor het TOP (Training
Ondersteuning van Pleegouders)-basisprogramma, inmiddels
vervangen door de beroemde STAP-cursus, en gingen met
gemengde gevoelens. 'Zou het van dat
geitenwollensokkengeklets worden waar je een probleem van
boven en beneden bekijkt, van links en van rechts en
enerzijds geneigd bent en anderzijds toch
overweegt?'.Achteraf zagen we het nut van deze
bijeenkomsten heel goed in. Je leert er goed naar de
motieven en beweegredenen van je keuze kijken. Wij hebben
er veel aan gehad. Evenals aan de diverse speciale
cursusavonden van onze pleegzorgvoorziening. Niet alleen
krijg je daar de gelegenheid je een duidelijker beeld te
vormen van de verschillende problemen en valkuilen, maar
je komt ook in contact met andere pleegouders en daar
steek je vaak heel wat van op.
Het
gezinsonderzoek
Het gezinsonderzoek was de volgende
stap. We hadden een soortgelijke procedure al eerder
meegemaakt bij adoptie, en we stonden dus echt niet te
trappelen om nog een keer met ons hele hebben en houden
bloot te moeten staan. Maar vooruit...
De kamer kreeg een extra beurt en de
rest van het huis werd kritisch nagelopen. Alles keurig
op orde, vonden wij. Dat vond de interviewster kennelijk
ook, sterker nog, het verleidde haar prompt tot de
opmerking 'dat alles er wel akelig netjes en steriel
uitzag. Kan de familie Brunasse wel tegen
speelgoedrommel?' 'Speelgoed is geen rommel', was ons
bitse antwoord. Opvallend vonden we in deze gesprekken
dat alleen met de volwassenen in het gezin werd
gesproken, onze kinderen kwamen niet aan bod.
Het verslag van dit onderzoek is erg
belangrijk, omdat het bij de plaatsing van kinderen een
cruciale rol speelt. Maar wat zijn nou precies de
criteria waaraan de geschiktheid van het pleeggezin wordt
getoetst? Bij ons ging het verder als volgt:
Een plaatsende instantie zoekt een
pleeggezin voor een kind. De pleegzorgvoorziening heeft
drie passende gezinnen en stuurt de anonieme verslagen
op. Als je al eerder kinderen van deze instelling in huis
hebt gehad, kan de plaatser de identiteit van het gezin
vrij gemakkelijk achterhalen, en de anonimiteit is dan
gauw zoek. In theorie maakt de plaatser op basis van de
verslagen een keuze, maar of dit altijd echt zo in z'n
werk gaat? Wij vragen het ons sterk af. Het is voor ons
&endash nog steeds &endash tamelijk schemerig wat er
voorafgaand aan het eerste telefoontje om een kind in
huis te nemen allemaal speelt. Wie beslist of een bepaald
gezin bij een kind past? Idealiter zouden er dan toch
geen of weinig mislukte plaatsingen voorkomen? Bovendien
veroudert zo'n verslag natuurlijk ook al snel.
En hoe gaat dat dan bij een
crisisplaatsing? Dan is er vast geen tijd voor zo'n
tijdrovende procedure te volgen. Wie speelt hier dan de
beslissende rol? Er moet een plaats komen en snel. Zo
hebben wij het in elk geval een aantal keren meegemaakt.
We hebben geen zicht op de zorgvuldigheid achter de
schermen, maar zitten we er ver naast als in zo'n geval
de plaatser enkele pleegzorgwerkers belt met een 'Zeg heb
jij een gezin voor Pieter van 14? Hij moet voor vijf uur
een nieuwe plek hebben.' Niks mooie procedure en passende
gezinnen. Misschien ging het bij Pieter van 14 daarom ook
wel fout. Hoewel, lag het alleen aan de (snelle)plaatsing
of konden wij de gecompliceerdheid van Pieter gewoon niet
aan? Twijfel blijft. Deden we het goed, of moest het toch
anders? Je krijgt toch een beetje een schuldgevoel.
Begeleiding
Met de pleegkinderen kwam ook de
begeleiding. Bij ons deed zich daarmee al snel een
probleem voor toen een plaatsende instantie ook de
begeleiding van het gezin wilde doen. Daar wilden zowel
de Voorziening als wijzelf niet aan. Eén
begeleider voor het gezin vonden we genoeg. Dat was toch
het doel van die hele ontkoppeling hadden wij begrepen?
Het werd een heel gehakketak tussen de beide aanbieders.
Zes maanden duurde het gewirwar. Verloren tijd voor de
kinderen.
De verstandhouding die we in de loop
der tijd met onze begeleiders hadden is heel verschillend
geweest. Ons was verteld dat de pleegzorgbegeleider het
centrale aanspreekpunt is voor pleegouders, en idealiter
is dat ook het geval. Onze eerste begeleidster voldeed
hier bijvoorbeeld helemaal aan. Ze hoorde onze zorgen en
problemen aan. Gaf steun wanneer dat nodig was, pakte
zaken direct op en werkte deze af. Ze stond naast ons, en
haalde al heel snel het gevoel weg dat ze toch ook een
controlerende taak had. Ze durfde zaken bespreekbaar te
maken die volgens haar anders of beter zouden kunnen. Ze
was er voor de kinderen en voor ons. Helaas kreeg ze een
functie met meer verantwoordelijkheden. Weg contact. Wat
moet je doen als de volgende begeleider je minder goed
ligt?
Onze tweede begeleider was een beetje
een betweter. Hij wist ook altijd alles beter. Met zijn
jarenlange ervaring had hij al zoveel gezien en
meegemaakt. Hem hoefde je niets meer te vertellen. Dat
maakte ons onzeker. Het gevolg was dat we allerlei zaken
niet meer aan hem vroegen, hem passeerden, regelrecht de
voogd belden of dingen regelden via de
huisarts.
Onze huidige begeleidster bezoekt ons
alweer anderhalf jaar. Dat gaat prima. Met haar bespreken
we gewoon hoe we het beter, of anders aan kunnen pakken.
We zoeken weer samen, en zitten niet meer in de
schoolbanken. We worden serieus genomen.
Criteria
bijplaatsingen
Toch is er op dit moment nog wel een
donker wolkje. Wij vinden, dat we nog plaats hebben voor
een kind. Onze begeleidster denkt daar anders over.
Enkele plaatsende instanties zijn het met ons eens. Maar
er gebeurt niets. We vragen ons wel eens af waar nu het
punt ligt waar we gestopt worden op weg naar
gezinsuitbreiding. Waar en bij wie ligt dat? Aan de
begeleidster? Aan de diverse gezinsvoogden die misschien
bang zijn, dat hun kinderen dan niet genoeg aandacht
krijgen? Hoe kom je daar achter? Vragen aan de
gezinsvoogd? Maar daar is zo weinig contact
mee!
Voogdij
Wijzelf hebben geen probleem met de
geringe contacten met de voogdij, maar hoe is dat voor de
pleegkinderen? Wij, de pleegouders, zorgen voor het kind,
maar een voogd of gezinsvoogd is toch
(eind)verantwoordelijke voor het kind?
Het zal wel inherent zijn aan het
systeem, maar toch vinden wij het merkwaardig, dat onze
13-jarige Carolien haar voogd hooguit twee maal per jaar
een uurtje ziet. Hij neemt toch alle belangrijke
beslissingen voor haar tot haar 18de jaar?
Soms hebben we zelfs het gevoel, dat
de voogd meer voor de belangen en rechten van de ouders
opkomt, dan voor die van het kind. Uiteraard hebben de
ouders ook rechten. Maar moet je een kind, dat jaren door
zijn vader is mishandeld, toch bij hem op bezoek laten
gaan? 'Ja,' zegt de voogd. Hij volgt een dadercursus bij
het RIAGG (Regionale Instelling voor Ambulante
Geestelijke Gezondheidszorg). Hij heeft er zo'n spijt
van. Hij wil nog zoveel voor het kind betekenen. 'Nee',
zeggen de andere betrokkenen. 'Ook als je het aantal
bezoeken drastisch beperkt, toch zadel je het kind steeds
weer op met de angst en de bijbehorende nachtmerries'.
Hoe kan een pleegouder nou adequaat reageren als de
adviezen van de deskundigen zo verdeeld zijn?
Het SABD en het
MKD
Wij hebben inmiddels al met een
heleboel schooltypen kennisgemaakt, en onze ervaringen
hiermee zijn heel wisselend. Om te beginnen de
basisschool natuurlijk. Een aantal keren zagen we de
leerkracht schrikken als hij weer met zo'n probleemkind
werd opgezadeld. En hij had al 30 kinderen in de klas,
waarvan er veel uit gebroken gezinnen kwamen of
sleutelkinderen waren.
Diepe bewondering hebben we voor de
school van onze pleegdochter Carolien. Zij kwam uit een
zeer zwak sociaal milieu en had een enorme
taalachterstand. Zowel haar omgeving als haar vorige
school lieten haar links liggen. Carolien wantrouwde
volwassenen dan ook, en haatte school.
Na een uitgebreid onderzoek door de
SABD (School Advies Begeleidings Dienst) ontwikkelde de
school een speciaal programma voor haar en zorgde ervoor,
dat ze niet meer gepest werd. Nu, zo'n twee jaar later is
de achterstand grotendeels ingehaald. Carolien gaat graag
naar school en behaalt goede resultaten.
We hebben ook veel contacten met MKD's
(Medisch Kleuter Dagverblijf) gehad. Het is wel even
wennen als je soms van groepsleiders van gemiddeld een
jaar of 23 adviezen krijgt over zaken thuis. Ook hoe we
het beste met onze eigen kinderen om konden gaan. Eerst
vonden we het wel grappig, maar op den duur werd het
irritant. Toen we merkten dat ons pleegdochtertje Anja
medicijnen kreeg toegediend zonder dat wij het wisten,
was de gort goed gaar. Er volgde een pittig gesprek. Heel
openhartig van beide kanten, maar het klaarde de lucht
op.
TGV-gezin
Het MKD adviseerde voor zowel Carolien
als Anja een TGV-gezin. Onzin vonden wij, en de
pleegzorgbegeleider ook. Het psychologisch ambulatorium
kwam er aan te pas. Twee psychologen observeerden de
kinderen op het MKD en bij ons thuis. 'Graag een zo
normaal mogelijke situatie' was het motto. Maar hoe
creëer je een zo normaal mogelijk situatie als er
twee vreemde mensen met een blocnote op hun schoot op de
bank bij zitten? Het was ons een raadsel. Maar het
gebeurde, en de kinderen gedroegen zich voorbeeldig. Als
engeltjes, en ze mochten blijven. Toch een TGV-gezin zei
het MKD. Goed dan, was het oordeel van de
pleegzorgbegeleider en met één pennenstreek
waren we een TGV-gezin!
Overleg en
onderzoeksrapportage
Nog steeds kunnen wij het niet rijmen
dat bij het driemaandelijkse overleg op zo'n MKD iedereen
aanwezig is: de kleuterjuf, de groepsleidster, de
psychologe, de speltherapeute, de logopediste, de
orthopedagoge, de kinderarts, de voogd en de
pleegzorgbegeleider. Alleen de ouders en pleegouders
niet. Die krijgen de uitkomst van het gesprek achteraf te
horen. Mosterd na de maaltijd vinden wij.
Het gaat gelukkig niet overal zo. Onze
ervaringen met het RIAGG en het diagnostisch centrum hier
in de buurt zijn heel positief. Als pleegouder wordt je
er serieus genomen. Bij het diagnostisch centrum doet men
onder meer onderzoek naar lichamelijk geweld en seksueel
misbruik. Het is een zeer diepgaand onderzoek, waarbij
ouders, grootouders, pleegouders en zonodig ook
begeleiders, school en sociale werkers en kinderarts zijn
betrokken. Na afloop komt er een uitvoerig rapport dat
uitgebreid met de betrokkenen wordt besproken. Ook met
eventuele daders. Wij waren dan ook stomverbaasd toen we
onlangs hoorden dat zo'n uitstekend instituut met
opheffing werd bedreigd wegens het stopzetten van de
subsidies!
Een veel minder prettige ervaring
daarentegen hadden we met een centrum voor kinder- en
jeugdpsychiatrie. De vraag van de voogdij-instelling aan
dit centrum was, welke hulpverlening zou ons
(crisis)pleegkind Melanie moeten hebben? Een tehuis, een
speciaal centrum, een pleeggezin en zo ja, met welk soort
ambulante hulp? Want dat die hulp er moest komen, was
iedereen wel duidelijk. Voor de juiste diagnose sprak het
meisje twee keer een uur met de psychiater. Daarna volgde
een gesprek van anderhalf uur met ons, de pleegouders en
de voogd, terwijl Melanie zonder toezicht of aanspraak in
de wachtkamer op de afloop van het gesprek wachtte. Daar
had ze het moeilijk mee en zij was niet de enige. Die
gesprekken hebben wijzelf ook als zeer onprettig ervaren.
Alsof we aan een kruisverhoor werden
onderworpen!
En wat was de conclusie? 'Het is te
proberen in een gezin, met veel steun en begeleiding zou
het kunnen lukken. Mocht het meisje toch opgenomen moeten
worden, dan is er een wachttijd van minstens anderhalf
jaar. Bovendien moet het eerst maar eens geprobeerd
worden zonder ambulante hulp'. Eerlijkheidshalve moeten
we zeggen, dat we veel dingen zijn tegengekomen waarvoor
de psychiater ons had gewaarschuwd. Vakkennis had hij
wel.
In aanraking met
Justitie
Helaas hebben we ook wel eens met de
politie te maken gekregen. In dit geval de zedenpolitie.
Zij pakten het onderzoek heel bijzonder aan. Met erg veel
begrip en respect voor het kind, dat wel. Eerst kwam de
rechercheur met ons en het kind kennis maken. Daar trok
hij een hele avond voor uit. Alles werd gedaan om onze
pleegzoon op zijn gemak te stellen. Hij mocht de plaats
van de gesprekken bepalen en de duur daarvan. Ook mocht
hij een vertrouwenspersoon meenemen en kreeg steun van
slachtofferhulp. Steeds weer werd erop gewezen, dat hij
nergens schuldig aan was en zich ook niet zo hoefde te
voelen. Erg belangrijk, om dat ook van de politie te
horen. Het is maar goed, dat de kinderen niet bij het
proces hoeven te zijn. Veel daders hebben een andere
versie van het verhaal: het kind kwam bij hen zitten, hij
hielp hen met huiswerk etc.
En dan eindelijk het proces. Waarom
wacht Justitie daar zo lang mee? Het kan jaren duren
voordat de zaak voorkomt. Bij de zaak van onze pleegzoon
was dat ook het geval. Gelukkig was het een serieus
proces en geen hamerstuk.
Want de jaarlijkse verlengingen van
uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling door de
kinderrechter zijn wel heel vaak hamerstukken.
Pleegouders mogen bij het proces aanwezig zijn en hun
zegje doen, maar onze pleegzorgbegeleider raadt dat
altijd af om strijd met de ouders te voorkomen.
Eén keer zijn we toch geweest. We werden serieus
gehoord, ondanks dat de zitting een halve dag was
verdaagd zonder dat wij dat wisten. Ons Kareltje maakte
het allemaal heel anders mee. Hij werd uitgenodigd voor
een gesprek. Na twee minuten was hij weer buiten. 'Ben je
nu al klaar?' vroegen wij. 'Nee, ik ben nog niet geweest,
zo'n oude kerel in een zwart pak vroeg twee dingen: of ik
goed met jullie kon opschieten en of het goed ging op
school. Ik zei ja. De rechter was er denk ik nog niet
bij, maar ik moet straks terugkomen', aldus Karel. Hij
moest inderdaad terugkomen. Voor de uitspraak. Een
aanfluiting. Als je dan kinderen uitnodigt voor een
gesprek, praat er dan ook een kwartiertje mee. Hierover
zou zo'n rechter toch een schuldgevoel moeten hebben. In
het vonnis kon ons inziens de zin 'alhoewel behoorlijk
opgeroepen zijn de overige belanghebbenden (de
pleegouders) niet verschenen' dan ook beter vervangen
worden door 'alhoewel behoorlijk bezocht en aanwezig
zijnde gaf de rechter niet thuis'.
Tot slot
Wij weten niet of ons verhaal
exemplarisch is voor de pleegzorg. Over het algemeen
vonden wij de betrokkenheid van al die instellingen,
instanties en personen bij het pleegkind altijd groot.
Maar wat precies de onderlinge samenhang is tussen al die
betrokkenen? Wat ieders taken en verantwoordelijkheden
daarbinnen zijn? Het is ons nooit helemaal duidelijk
geworden. Wij hebben het idee dat iedereen voor zichzelf
werkt. Allemaal eilandjes. Wij zeggen wel eens tegen
elkaar na afloop van het maandelijkse gesprekken met de
pleegzorgwerker: '90 procent ging weer over dingen die
nog niet zo goed gaan, 5 procent over koetjes en kalfjes
en 5 procent over de leuke en prettige dingen'. Maar in
feite is ònze ervaring andersom: 90 procent
verloopt prima en de rest kan beter.
Als men dit ook bij 'Trillium', het
overheidsproject Innovatie en Kwaliteitsverbetering
Pleegzorg, voor ogen houdt komt het nog wel goed in
pleegzorgland.'