|

|
artikel uit Mobiel 6, december 1998
Goudzoeken in
Vlaanderen
Door Wilfried Meulenbergs,
stafmedewerker
'Open Thuis', Dienst voor de Pleegzorg,
Vlaanderen
Belgische Pleegzorg
bestaat niet echt meer. Sinds de recente staatshervorming
is pleegzorg zijn gewestelijke materie. Wallonië (en
Brussel) is in dit verband voor Vlamingen 'buitenland',
en dus even onbekend als Belgen dat zijn voor
Nederlanders. Wilfried Meulenbergs beschrijft hier de
Vlaamse pleegzorgorganisatie.
Is pleegzorg in Vlaanderen anders dan
in Nederland ? Natuurlijk niet! Zoals overal in de wereld
gaat het ook bij ons om mensen die zich inzetten voor
één van de meest fundamentele
kinderrechten: het recht op te groeien op een veilige en
stabiele plek. En wanneer dat thuis niet meer kan
verzekerd kan worden, dan kan een pleeggezin daarbij
helpen. Samenwerking, loyaliteit, continuïteit,
verliesverwerking en hechting zijn thema's die in
Vlaanderen even actueel zijn als in Nederland.
Wèl is het interessant om te
kijken is hóe wij dat in Vlaanderen dan allemaal
organiseren. Want de officiële pleegzorg is in
Vlaanderen erg jong. In een land waar de zorg reeds
eeuwenlang vanuit een katholieke traditie wordt
georganiseerd (met een zeer goed uitgebreid netwerk van
hooggespecialiseerde voorzieningen als gevolg) bestaan
organisaties voor pleegzorg nog maar 25 jaar. Pleegzorg
is nog altijd niet algemeen aanvaard. De verhouding
tussen opvang van kinderen in een pleeggezin en opvang in
een tehuis liggen daardoor anders bij ons dan in
Nederland
Eerst de cijfers
In de Vlaamse pleegzorg wordt
voor ongeveer 3500 kinderen gezorgd door een kleine 2500
pleeggezinnen. Er zijn drie grote subsidiërende
instanties, met elk een eigen reglementering. Er is een
tekort aan pleegouders en een chronisch tekort aan
pleegouders voor pubers. Hoe groot het tekort is, is
onduidelijk omdat deze gegevens niet zijn
geregistreerd.
De vergoeding van de pleegouders
varieert. Het ligt aan de leeftijd van een kind en of het
eventueel een handicap heeft. Maar de vergoeding voor
pleegouders zit tussen de ƒ800,&endash en
ƒ1200,&endash per maand.
Ongeveer 2500 kinderen,
één derde van de totale populatie in de
'Jeugdbijstand' (tehuizen, dagcentra,
thuisbegeleidingsdiensten, etc.), komt in de pleegzorg
terecht. In die sector zijn we dus belangrijk, maar staan
we ook in de vuurlinie van de kritiek. Enkele
ophefmakende studies (2) zetten het verband tussen
armoede en plaatsing in de schijnwerpers en wezen de
pleegzorg aan als hoofdschuldige voor het vervreemden van
kinderen van hun ouders. Dat leidde tot een opnieuw
overdenken van de ideologie. Ondertussen is bijna
iedereen om- of bijgeschoold, en staat samenwerking met
ouders bovenaan de Vlaamse pleegzorgagenda. Al is het
door personeelsgebrek niet altijd mogelijk de ouders van
pleegkinderen te begeleiden.
Daarnaast zijn er de meer dan 800
kinderen én volwassenen (!) met een handicap die
in de pleegzorg verblijven. Hier ligt ook meestal een
problematische opvoedingssituatie aan de basis van een
uithuisplaatsing. Wegens de handicap van het kind (of de
volwassene) is er een ander (gunstiger)
vergoedingssysteem voor de pleegouders en een ruimere
orthopedagogische omkadering. In deze sector zijn we het
kleine broertje van de vanouds goed gestructureerde
voorzieningen voor gehandicapten.
Voor pleegzorg voor volwassen
gehandicapten (de zogenaamde 'gasten' in 'gastgezinnen')
hebben enkele organisaties in Vlaanderen door jarenlange
ervaring een eigen methodiek ontwikkeld. Die maakt deze
vorm van pleegzorg zowel een uniek als
integratiebevorderend instrument voor mensen met een
handicap. Recentelijk nog haalden we de ministeriële
erkenning binnen voor een origineel concept: Wonen met
Ondersteuning van een Particulier (WOP). Hierbij woont de
volwassen gehandicapte niet in het gastgezin, maar wel in
de buurt en krijgt hij ondersteuning op maat van het
gastgezin. Een soort geïnstitutionaliseerde
burenhulp dus.
Ten slotte zijn er de zogenaamde
'private plaatsingen'. Hierbij gaat het om kortdurende
plaatsingen van jonge kinderen die bij uitstek
gezinsondersteunend is. De vergoeding voor de pleegouders
is minimaal, de omkadering benedenmaats. Ook zijn er
enkele organisaties die werken in laagdrempelige sociale
centra, waar pleegzorg één van de
methodieken is om gezinnen in nood te
ondersteunen.
De organisaties
Dit hele pleegzorgaanbod
(werving, selectie, voorbereiding, matching, begeleiding,
vorming en nazorg) wordt georganiseerd door 24 erkende
diensten voor pleegzorg. Deze zijn elk op hun beurt
erkend voor één of meestal
méér van bovenstaande drie werkvormen.
Verscheidene van die diensten werken met regionale
antennes en deel-teams, zodat er in feite sprake is van
35 equipes, met elk gemiddeld 100 kinderen/gasten in
begeleiding. De gemiddelde case-load van
één pleegzorgbegeleider omvat ongeveer 20
kinderen. Steeds meer krijgt deze pleegzorgbegeleider ook
taken toegespeeld in de begeleiding van de ouders van de
kinderen.
Als je daarbij bedenkt dat er ook
diensten zijn met 300-400 begeleidingen, dan weet je dat
er in Vlaanderen ook enkele zeer kleine diensten zijn.
Dus anders dan in Nederland, waar de voorzieningen voor
pleegzorg keurig (en streng) regionaal gebundeld zijn tot
stevig uitgebouwde diensten, is Vlaanderen bezaaid met
diensten en dienstjes die in feite elkaars concurrenten
zijn. Wat vijftien jaar geleden zo kritisch werd
beschreven in de studie 'Markt van welzijn en geluk', is
bij ons nog altijd trieste realiteit. Voorstanders van
dit vrije-marktsysteem zeggen dat die concurrentie de
kwaliteit bevordert. Ik geloof daarentegen dat er veel
kwaliteit verloren gaat.
De praktijk
Een realistisch voorbeeld uit
een doorsnee-provinciestadje in Vlaanderen, waar een
consulent (een 'plaatser') van het Comité voor
Bijzondere Jeugdzorg (vergelijkbaar met de Raad voor
Kinderbescherming in Nederland) een opvang in een
pleeggezin zoekt voor een kind. Die goeie man/lieve vrouw
belt de drie organisaties op die er in dat stadje actief
zijn. Dat is niet zo moeilijk, want de telefoonnummers
vindt hij respectievelijk op de verjaardagskalender die
hij met nieuwjaar van de ene dienst ontving, de balpen
die hij kreeg bij een bespreking met een andere dienst en
de enthousiaste mailing met de 'vrije plaatsen' die hij
net toegestuurd kreeg van de derde dienst.
Elk van die organisaties kijkt in haar
eigen hoogst geheime bestand van beschikbare gezinnen na
of er een 'matching' mogelijk is. Iedereen zal het
ontkennen, maar ik wéét dat de neiging om
toch maar een gezin te kiezen aansluitend bij de vrager
zeer groot is. De verwijzer is immers de broodheer die
men koste wat kost ten dienste wil zijn: subsidies (en
personeel) zijn rechtstreeks gelinkt aan het aantal
plaatsingen. Kwaliteitszorg kun je zoiets niet noemen,
want de 'cliënt' (het kind of/en zijn ouders) krijgt
hier niet automatisch het beste. Want ook de consulent
neemt (vaak uit tijdgebrek) degene die het eerst
binnenkomt: wie het eerst komt, eerst maalt.
Geen
pleegzorgbeleid
Hoe dat mogelijk is? Dat zal wel
weer de 'Belgische ziekte' zijn die in dit verband vooral
gekenmerkt is door een non-politiek. Bij ons ligt er
jammer genoeg geen 'speerpunten-nota' ter discussie, onze
overheid heeft ter zake geen beleid! Onder het mom dat
concurrentie kwaliteitsbevorderend werkt kan in
Vlaanderen àlles, vrijheid is ons hoogste goed!
Iedereen kan een dienst voor pleegzorg
oprichten. Volgens de wet zijn er strikte regels en
programmatiecijfers waarbinnen alles moet gebeuren. Maar
in de feiten zie ik medewerkers uit een organisatie
vertrekken &endash met dossiers en al! &endash en een
andere dienst voor pleegzorg oprichten. Ik zie dat
diensten buiten de Federatie (het samenwerkingsverband
van alle diensten) rechtstreeks naar de minister stappen
om hun (extra) erkenning te regelen. Sommige van die
steden of regio's zijn dan ook zeer goed voorzien: in
Leuven werken ondertussen zes diensten, in Mechelen vier,
in Gent zes, in Antwerpen zeven!
Zelfs in de Week van de Pleegzorg, een
jaarlijkse campagne opgezet door de Federatie, werken
individuele diensten zich schaamteloos solo in de
belangstelling door aparte interviews in de media en los
van elke samenwerking opgezette studiedagen. Het voorstel
voor een echte gezamenlijke campagne zoals de
Gilly!-actie in Nederland, sneuvelt op de
Federatievergaderingen in de discussies over individuele
belangen van particuliere diensten.
Goudzoekers
Bij het zoeken naar
kandidaat-gezinnen voel ik me soms een goudzoeker in een
rivier. En rondom mij staan er alsmaar meer goudzoekers,
elk met hun zeefje op zoek naar hetzelfde klompje.
Niemand wil op iemands tenen trappen, maar omdat goud nu
eenmaal een zeldzaam metaal is, wordt er af en toe flink
wat getrokken en geduwd. Samen één grote
zeef vasthouden en het werk wat verdelen lijkt in de
Vlaamse context vooralsnog een utopie.
Wordt er dan niet goed gewerkt in de
Vlaamse pleegzorg? Toch wel en vooral zeer hard! Want
dàt krijgt de minister met zijn non-beleid
natuurlijk wel: een enorme inzet (overuren zijn meer
regel dan uitzondering) en een niet-aflatende
inventiviteit en hier en daar voorzichtige aanzetten tot
samenwerking. Dat daarbij véél energie
verloren gaat in eindeloos overleg en het opnieuw
uitvinden van het wiel, neemt men op de koop toe. Maar
&endash bij gebrek aan overheidsinitiatief &endash zal
uit dit schuchter overleg in enkele regio's de
verandering moeten groeien. En gelukkig groeit in het
werkveld het besef dat samenwerking beter werkt dan
soleren.
Samenwerking is niet alleen zinvol uit
het oogpunt van werving, samenwerking is ook belangrijk
om de algemene kwaliteit van de Vlaamse pleegzorg te
verbeteren. Alleen als we verder durven te denken dan ons
eigen (dienst)belang, kunnen we niet om het besef heen
dat samenwerking en eenduidigheid ten goede komen aan de
pleegouders, de ouders en de kinderen.
En daar was het toch allemaal om
begonnen.
|