Regelmatig komt Martine
Delfos in MOBIEL aan het woord. De ene keer als deskundig
psychotherapeute die zich betrokken toont bij de zorg
voor pleegkinderen, de andere keer als schrijfster van
spannende kinderverhalen. Samen met de redactie van
MOBIEL zette zij de nieuwe serie 'Vreemd gedrag!?
Pleegkinderen en gedragsproblemen' in gang. Liggen al die
werelden niet mijlenver uit elkaar? Annemarie Prins
interviewde Martine over zichzelf en haar werk.
Hoe is dat zo gekomen:
psychotherapeute en schrijfster?
'Als achtjarig meisje wist ik dat ik
schrijfster wilde worden en wist ik ook dat het heel erg
lang zou duren voordat ik het zou zijn. Na de middelbare
school koos ik voor de studie psychologie met een
researchspecialisatie. Vervolgens stortte ik mij met huid
en haar in de hulpverlening aan kinderen in de
kinderbescherming en hun ouders en pleegouders. Pas zo'n
twintig jaar later ging ik schrijven en eigenlijk ook met
eenzelfde gedrevenheid. In korte tijd publiceerde ik
artikelen en boeken op mijn vakgebied, en startte een
serie therapeutische kinderboeken. Het voelde als een
rivier die net begint te stromen. Ik laaf mijn
schrijversdorst overal waar ik kan. Komend jaar hoop ik
te promoveren in psychologie en Franse Taal en
Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht. Een boek in
het Frans deze keer over de gevolgen van een vroegtijdig
verlies van ouders bij Franse schrijvers van 1550 tot
1950. Aan de ene kant ben ik een echte wetenschapper en
aan de andere kant ben ik erg intuïtief en invoelend
als therapeut. Deze twee kanten komen samen in het
schrijven van boeken. Ik probeer wetenschappelijke arbeid
te verrichten en tegelijk probeer ik me in te leven in de
lezer en hoe deze iets kan met wat ik schrijf. Hetzelfde
gebeurt trouwens als ik lesgeef of lezingen
houd.'
Waarom staan kinderen zo
centraal in jouw werk?
'In eerste instantie toevallig. In
mijn baan bij Stichting de Opbouw stonden kinderen
centraal. Inmiddels is mijn werkgebied verschoven naar
voornamelijk volwassenen, maar ik heb altijd een aantal
kinderen in behandeling. Kinderen staan dichterbij hun
innerlijke wijsheid en dat intrigeert me. Ik zeg wel
eens: "we worden op ons intelligentst geboren, dat neemt
met ouder worden af, en het enige wat toeneemt is
kennis". Echtheid en emotie zijn belangrijke begrippen
voor me en kinderen kunnen vaak treffender emoties
beschrijven dan volwassenen. We zijn alleen weinig
geneigd om ze echt serieus te nemen, denk ik
vaak.'
Wat boeit je zo in
pleegkinderen?
'Pleegkinderen leren verschillende
gezinnen van binnenuit kennen. Hun kennis en inzicht in
gezinsfunctioneren gaat vele sociologen vaak te boven. Ze
zitten in een erg kwetsbare positie, leven een tijdelijk
bestaan. Ze zijn steeds bezig zich aan te passen om niet
weggestuurd te worden, terwijl ze tegelijkertijd het
liefst niet daar, maar bij hun eigen ouders zouden willen
wonen. De tegenstrijdigheid van hun bestaan raakt me. Ze
voorzichtig helpen uit hun "leven in de wachtkamer" te
komen, vind ik zinvol en dankbaar werk.'
Hoe zien we die verschillende
eigenschappen van jou terug bij de
kinderboekenschrijfster Martine?
'Wil je iemand kunnen helpen dan moet
je afstand kunnen doen van je eigen kader en de wereld
van een ander kunnen binnenstappen. In een boek doe je
dat altijd. Ik denk dat ik een sterk inlevingsvermogen in
mensen heb, zonder dat ik me daarin verlies. De warmte
die ik naar mensen voel, de verwondering over hoe ieder
mens in elkaar zit, en de rotsvaste overtuiging en
ervaring dat er altijd vooruitgang te boeken valt, maakt
dat ik kan voelen zonder meegesleurd te worden. Taal
heeft me altijd erg geïntrigeerd, daarom ben ik ook
op latere leeftijd Franse taal en letterkunde gaan
studeren. Ieder heeft zijn eigen taal, zijn woorden en
het zoeken naar de woorden van een ander leert je die
ander te kennen.
Wanneer je schrijft, ben je niets
anders aan het doen dan zo scherp mogelijk onder woorden
te brengen wat je denkt, weet, voelt en wilt vertellen.
Soms komt er een zin langs in mijn hoofd waarvan ik denk:
ja, jij mag mijn boek afsluiten en dat maakt me altijd
weer gelukkig. In therapieën met kinderen merkte ik
dat verhalen hen ontzettend konden helpen om zich te gaan
uiten. Ik schreef Patja, de gevlekte panda om een meisje
te helpen een 'taal' te hebben, om te beginnen met praten
en dat deed ze... Zo ontstond een serie kinderboeken.
Mijn analytisch vermogen, mijn behoefte om door te
dringen tot een mens, mijn verwondering over mensen, de
warmte die ik voel en mijn behoefte te schrijven komen in
de kinderboeken samen.'