artikel uit Mobiel 6, december 1998

Interview met Martine Delfos

Door Annemarie Prins

Regelmatig komt Martine Delfos in MOBIEL aan het woord. De ene keer als deskundig psychotherapeute die zich betrokken toont bij de zorg voor pleegkinderen, de andere keer als schrijfster van spannende kinderverhalen. Samen met de redactie van MOBIEL zette zij de nieuwe serie 'Vreemd gedrag!? Pleegkinderen en gedragsproblemen' in gang. Liggen al die werelden niet mijlenver uit elkaar? Annemarie Prins interviewde Martine over zichzelf en haar werk.

Hoe is dat zo gekomen: psychotherapeute en schrijfster?

'Als achtjarig meisje wist ik dat ik schrijfster wilde worden en wist ik ook dat het heel erg lang zou duren voordat ik het zou zijn. Na de middelbare school koos ik voor de studie psychologie met een researchspecialisatie. Vervolgens stortte ik mij met huid en haar in de hulpverlening aan kinderen in de kinderbescherming en hun ouders en pleegouders. Pas zo'n twintig jaar later ging ik schrijven en eigenlijk ook met eenzelfde gedrevenheid. In korte tijd publiceerde ik artikelen en boeken op mijn vakgebied, en startte een serie therapeutische kinderboeken. Het voelde als een rivier die net begint te stromen. Ik laaf mijn schrijversdorst overal waar ik kan. Komend jaar hoop ik te promoveren in psychologie en Franse Taal en Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht. Een boek in het Frans deze keer over de gevolgen van een vroegtijdig verlies van ouders bij Franse schrijvers van 1550 tot 1950. Aan de ene kant ben ik een echte wetenschapper en aan de andere kant ben ik erg intuïtief en invoelend als therapeut. Deze twee kanten komen samen in het schrijven van boeken. Ik probeer wetenschappelijke arbeid te verrichten en tegelijk probeer ik me in te leven in de lezer en hoe deze iets kan met wat ik schrijf. Hetzelfde gebeurt trouwens als ik lesgeef of lezingen houd.'

Waarom staan kinderen zo centraal in jouw werk?

'In eerste instantie toevallig. In mijn baan bij Stichting de Opbouw stonden kinderen centraal. Inmiddels is mijn werkgebied verschoven naar voornamelijk volwassenen, maar ik heb altijd een aantal kinderen in behandeling. Kinderen staan dichterbij hun innerlijke wijsheid en dat intrigeert me. Ik zeg wel eens: "we worden op ons intelligentst geboren, dat neemt met ouder worden af, en het enige wat toeneemt is kennis". Echtheid en emotie zijn belangrijke begrippen voor me en kinderen kunnen vaak treffender emoties beschrijven dan volwassenen. We zijn alleen weinig geneigd om ze echt serieus te nemen, denk ik vaak.'

Wat boeit je zo in pleegkinderen?

'Pleegkinderen leren verschillende gezinnen van binnenuit kennen. Hun kennis en inzicht in gezinsfunctioneren gaat vele sociologen vaak te boven. Ze zitten in een erg kwetsbare positie, leven een tijdelijk bestaan. Ze zijn steeds bezig zich aan te passen om niet weggestuurd te worden, terwijl ze tegelijkertijd het liefst niet daar, maar bij hun eigen ouders zouden willen wonen. De tegenstrijdigheid van hun bestaan raakt me. Ze voorzichtig helpen uit hun "leven in de wachtkamer" te komen, vind ik zinvol en dankbaar werk.'

Hoe zien we die verschillende eigenschappen van jou terug bij de kinderboekenschrijfster Martine?

'Wil je iemand kunnen helpen dan moet je afstand kunnen doen van je eigen kader en de wereld van een ander kunnen binnenstappen. In een boek doe je dat altijd. Ik denk dat ik een sterk inlevingsvermogen in mensen heb, zonder dat ik me daarin verlies. De warmte die ik naar mensen voel, de verwondering over hoe ieder mens in elkaar zit, en de rotsvaste overtuiging en ervaring dat er altijd vooruitgang te boeken valt, maakt dat ik kan voelen zonder meegesleurd te worden. Taal heeft me altijd erg geïntrigeerd, daarom ben ik ook op latere leeftijd Franse taal en letterkunde gaan studeren. Ieder heeft zijn eigen taal, zijn woorden en het zoeken naar de woorden van een ander leert je die ander te kennen.

Wanneer je schrijft, ben je niets anders aan het doen dan zo scherp mogelijk onder woorden te brengen wat je denkt, weet, voelt en wilt vertellen. Soms komt er een zin langs in mijn hoofd waarvan ik denk: ja, jij mag mijn boek afsluiten en dat maakt me altijd weer gelukkig. In therapieën met kinderen merkte ik dat verhalen hen ontzettend konden helpen om zich te gaan uiten. Ik schreef Patja, de gevlekte panda om een meisje te helpen een 'taal' te hebben, om te beginnen met praten en dat deed ze... Zo ontstond een serie kinderboeken. Mijn analytisch vermogen, mijn behoefte om door te dringen tot een mens, mijn verwondering over mensen, de warmte die ik voel en mijn behoefte te schrijven komen in de kinderboeken samen.'