|

|
artikel uit Mobiel 6, december 1998
Een negatieve spiraal
door pleegangst
Nieuwe serie: Vreemd
Gedrag!?
Door Martine Delfos
psycholoog,
publicist en kinderboekenschrijfster
We hebben allemaal met
angst te maken, maar niet allemaal op dezelfde manier.
Sommige kinderen zijn echte bangerikken, andere zijn
durfallen. Hoe zit angst nu eigenlijk in elkaar? En
hebben pleegkinderen speciale angsten?
Angst is een signaal dat er gevaar
dreigt en dat er gehandeld moet worden om dat gevaar weg
te nemen. 'Gevaar', dat kan zijn dat iemand je een klap
wil geven, dat je een ongeluk dreigt te krijgen, maar ook
de gedachte van een pleegkind als 'zou ik hier weer weg
moeten?' Via de hersenen wordt een gevaar gesignaleerd en
dit zet een systeem van hormonale en emotionele reacties
in werking.
Angst, een kwestie van
hormonen
Het antwoord van het lichaam op
gevaar is (stress)hormonen aanmaken, om te kunnen
handelen zodat het gevaar vermeden of opgeheven kan
worden. Als reactie op die hormonen voelt de mens angst.
Worden er veel hormonen aangemaakt, dan zal er veel angst
zijn. Het gevaar opheffen kan betekenen dat je hard
wegloopt of gaat vechten, dat heet de 'vlucht- of
vechtrespons', maar het kan ook een gedachte zijn die het
gevaar bedwingt, bijvoorbeeld: 'Maar ik woon hier al heel
lang en ze laten echt merken dat ze om me geven.' Maak je
daarentegen geen constructieve gedachten, maar
'gevaarlijke', zoals 'maar ik heb gisteren vervelend
gedaan, dus misschien zijn ze vandaag nog steeds boos',
dan worden er nieuwe stoffen aangemaakt en neemt de angst
toe.
Niet iedereen maakt dezelfde
hoeveelheid hormonen aan, niet iedereen ervaart dezelfde
dingen als een gevaar; er zijn ook verschillen in aanleg.
Bijvoorbeeld is het zo dat het systeem om op gevaar te
reageren bij vrouwen gemiddeld sterker werkt dan bij
mannen. Het is ook zo dat je in aanleg een 'rustige' of
een 'felle' reactie kan hebben. De emotie 'angst'
verschilt daarom ook van persoon tot persoon. Je hoeft
dus heus geen aanstelster te zijn als je een sterke
angstreactie hebt, en je bent ook niet cool als je
géén reactie hebt. Je lichaam veroorzaakt
je reactie. Dat lichaam wordt voor een belangrijk deel
bepaald door je aanleg, maar natuurlijk ook door datgene
wat je meemaakt tijdens je leven, er kan zelfs gewenning
optreden. Iemand die lang in stress heeft geleefd, zal
een hoger reactieniveau ontwikkelen en je moet je heel
lang veilig voelen voordat het lichaam dit weer
afleert.
Iets doen helpt
altijd
Je kunt in
aanleg een felle reactie op gevaar hebben. Hierdoor is er
bij gevaar standaard een fikse emotie. Wanneer daar geen
handelen achteraan komt, dan zal de angst toenemen. Het
handelen (iets lichamelijks doen, desnoods ijsberen, of
een constructieve gedachte die het gevaar wegneemt) doet
de angst altijd afnemen. Het lost niet altijd het
probleem op, maar zelfs gaan stofzuigen helpt om de angst
even minder te maken. Mannen hebben de neiging om te
handelen. Ze kennen dus net zo goed angst, maar zijn vaak
effectiever in het oplossen ervan doordat ze wat gaan
doen. Vrouwen zijn gemiddeld wat minder geneigd te
handelen bij gevaar en zullen daarom vaker last hebben
van angsttoename.
Hoe angst en handelen
werken, zien we bijvoorbeeld bij kinderen met ADHD. Ze
bewegen buitensporig veel en worden onrustig als ze stil
moeten zitten. Onder die beweeglijkheid zit angst. Hoewel
ze vaak waaghalzen lijken, zijn het in feite erg angstige
kinderen. Wanneer we ze dwingen stil te zitten, kan de
angst bloot komen te liggen. Dat is niet een angst voor
iets speciaals, maar de emotie angst in reactie op de
hoeveelheid hormonen die in hun lichaam gemaakt wordt.
Volwassenen met ADHD zitten meer stil, maar kampen vaak
met GAS, Gegeneraliseerde Angst Stoornis. Dat wil zeggen
een altijd aanwezig vaag gevoel van angst zonder dat er
een aanwijsbare reden voor is, ze voelen zich
gejaagd.
Na een moeilijk
gesprek
Iets doen, dat
doet angst dus afnemen. Het is zelfs zo dat wanneer de
hormonen niet verbruikt worden ze omgezet kunnen worden
in stoffen die negatief werken. Bijvoorbeeld als je heel
druk bent en veel stoffen hebt aangemaakt en vervolgens
'gauw' moet slapen, gaat het vaak mis. Bij het slapen
hoort donker en stilte. Er gebeurt weinig, het is stil.
Hierdoor worden de hormonen niet verbruikt. Als vanzelf,
ga je over een probleem denken om de stoffen te
verbruiken; we gaan nadenken, maar dan komen we
vervolgens op gedachten die 'gevaar' betekenen en dat zet
het systeem weer opnieuw in werking. We noemen dat
'malen'.
Dit betekent dus ook
dat we een gesprek met een kind over een moeilijk
onderwerp niet 's avonds zouden moeten doen voor het
slapen gaan. Tijdens een moeilijk gesprek worden mogelijk
stresshormonen aangemaakt en die moeten wel weer
afgebouwd worden. Ook is het zo dat het verstandig is na
een moeilijk gesprek niet te blijven zitten, maar iets te
gaan doen, al is het maar even lopen.
Pleegangst
Laten we, nu we
een 'bodempje' gelegd hebben om een beetje te begrijpen
hoe angst werkt, eens kijken wat we over de specifieke
pleegsituatie kunnen zeggen. Een pleegkind kan in meer of
mindere mate aanleg hebben angstig te zijn. Door zijn
geschiedenis kan hij een scherpere reactie op gevaar
hebben, maar hij heeft ook angsten die specifiek bij de
pleegsituatie horen: de pleegsituatie neemt eigen angsten
met zich mee. Ik zal daar de term pleegangst voor
gebruiken.
Het is een tijdelijk
bestaan om pleegkind en pleegfamilie te zijn. Alles hangt
af van de plaatsing, als deze wordt opgeheven dan houdt
de status van pleegkind en pleegfamilie als zodanig op.
Die tijdelijkheid is niet natuurlijk, ze gaat in tegen de
natuurlijke behoefte van een kind om door zijn eigen
ouders verzorgd en opgevoed te worden en pas weg te gaan
als hij voldoende zelfstandig is om voor zichzelf te
kunnen zorgen. Omdat het niet de natuurlijke gang van
zaken is, roept het angst op. Hoe fijn het pleeggezin ook
is, diep van binnen blijft het besef dat je er bent
gekomen en dat je dus ook weg zou kunnen gaan.
Een pleegkind kan heel
gelukkig zijn bij de pleegouders, maar daaronder ligt het
besef zowel bij pleegkind als bij pleeggezin dat het een
gekozen en geen vanzelfsprekende situatie is. Deze angst
zorgt ervoor dat het kind zich in eerste instantie vaak
aan de pleegouders aanpast. Het wil lief gevonden worden
om te voorkomen dat het weggestuurd wordt. Afhankelijk
van de voorgeschiedenis van het kind kan het langer of
korter duren om zich aan te passen. Meestal duurt het
zo'n negen maanden, net als een zwangerschap. Wanneer het
kind enig vertrouwen heeft opgebouwd en zich wat veiliger
voelt, wil het als het ware weten of de pleegouders wel
écht om hem geven. Hij gaat, zonder dat hij dat
zelf in de gaten heeft, de pleegsituatie uittesten. In
feite vraagt hij of zij: 'Houd je ook van mij, zoals ik
écht ben? Stuur je me ook niet weg als je weet hoe
vervelend ik kan zijn? Voor pleegouders en pleegkind is
dat een vreselijk moeilijke tijd: de pleegangst ligt
bloot. Nu wordt de pleegouder vaak onzeker. Heb ik het
niet goed gedaan? Voelt hij zich toch niet thuis bij mij?
Zou hij weg willen?
Met bedekte pleegangst
benaderen pleegkind en pleegouders elkaar en de
conflicten kunnen hoog oplopen. Ze moéten haast
wel hoog oplopen, want anders wordt het niet zeker voor
het pleegkind dat de pleegouders écht voor hem
kiezen en door dik en dun willen dat hij blijft. Overdag
veel conflicten, 's avonds bij bedtijd conflicten, omdat
conflicten het gaan slapen uitstellen en juist 's nachts
als het kind niet veel kan doen, slaat de angst toe. Het
kind gaat dan vol angst en onvrede, vol 'drukke' stoffen
in zijn lichaam slapen en de angst neemt dan toe. Vaak
lijkt de spiraal niet te doorbreken. Pleegouders gaan
vanzelf meer letten op het negatieve gedrag, zien de
positieve signalen over het hoofd en komen steeds meer
klem te zitten. Het pleegkind krijgt ondertussen het
gevoel dat hij inderdaad niet de moeite waard is om voor
te kiezen, want hij doet ook zo vervelend. Gaat het om
een jongen, dan zal het vaak om naar buiten gericht
gedrag gaan, agressief gedrag. Het pleegkind zal steeds
vaster draaien in een negatieve spiraal waarin het de
pleegouders meetrekt, terwijl niemand het wil. Is het
pleegkind een meisje dan is het gedrag vaak meer naar
binnen gericht, meer angstig en verlegen en vaak
psychosomatisch.
Wat is daar aan te
doen? Alleen maar uitzitten en wachten tot het kind in
zijn plaatsing gelooft? Deels is het antwoord jammer
genoeg: ja. Maar de spiraal kan doorbroken worden doordat
pleegouders in staat blijven of geholpen worden de
positieve signalen op te vangen die het pleegkind geeft
en hem daarin te versterken.
Mag ik echt
blijven?
Bevinden we ons
in de situatie dat het pleegkind zijn ouders kent, dan
wordt de situatie vaak nijpend. Het wil loyaal zijn aan
zijn ouders, maar tegelijk ook aan zijn pleegouders.
Krijgt hij van zijn pleegouders de ruimte om van zijn
eigen ouders te houden, dan verlicht dat de problemen
enorm. Diep van binnen heeft het pleegkind het gevoel dat
hij bij zijn eigen ouders niet gewenst was en dat hij
daarom weg moest. En als je eigen ouders je niet eens
moeten, wat moet je dan...? Bij pleegkind zijn hoort dus
nog meer angst. In de pleegangst zit ook de angst als
mens niet de moeite waard te zijn, en ook de angst je
pleegouders of je ouders te kwetsen.
De periode waarin
pleegkinderen hun pleegouders onbewust testen, gaat vaak
met een aantal gedragingen gepaard. Een daarvan is
stelen. Het is niet het stelen van de criminele jongere
die een inbraak doet, maar het lijkt meer op kleptomanie,
de onbedwingbare behoefte iets te stelen.
Het zijn vaak kleine
dingen die gestolen worden, in huis, van de andere
(eigen) kinderen of in winkels, een pen of een zonnebril.
Het tweede gedrag wat opvallend bij pleegangst voorkomt,
is een bijna reflexmatig liegen. Je kunt op heel veel
verschillende manieren liegen, bijvoorbeeld om je eigen
zin te krijgen of om de ander voor de gek te houden. Het
liegen dat bij de pleegangst hoort, lijkt een reflex.
Pleegouders zien vaak aan het kind dat het 'nee' zegt
zonder nagedacht te hebben, zonder echt te weten waar het
om gaat en vlak na het 'nee' kijken ze dan vragend van
'waar gaat dit eigenlijk over?'. Het liegen lijkt wel een
reflex in plaats van een bewuste keuze, zoals
bijvoorbeeld een puber kan doen om zijn ouders voor de
gek te houden en zijn eigen wens door te drijven. Zo
verschillend als jongens en meisjes vaak in
probleemgedrag zijn, in hun pleegangst vertonen ze vaak
dezelfde problemen van liegen en stelen, naast de meer
specifieke reacties van agressie of angst en
psychosomatische reacties.
Pleegangst is een
omvattende angst, die pleegkind en pleeggezin in een
negatieve spiraal kan brengen en hen gedrag doet vertonen
dat in feite helemaal niet bij hen hoort. Het doorbreken
daarvan vergt van pleegouders dat ze accepteren getest te
worden op de echtheid van hun liefde naar het kind. Van
het pleegkind vergt het vertrouwen dat er om hem of haar
gegeven wordt en dat hij of zij mag blijven.
|