artikel uit Mobiel 6, december 1998

Kiezen voor je eigen kind

Door Eline Kooistra

Pleegkinderen prima, maar wat doen pleegouders als de problemen met het pleegkind té groot worden en de situatie ten koste van je eigen kinderen dreigt te gaan? Pleegouders kiezen altijd voor hun eigen kind, maar hoe ver laat je een situatie 'uit de hand lopen'? En wat ervaart een pleegouder die voor deze keuze staat? Twee jaar geleden nam Eline Kooistra een beslissing.

'Maar als ik er nu over schrijf, overvalt me weer dat verstikkende gevoel van machteloosheid, verdriet en woede over het feit dat je een kind moet opgeven.'

'Wij hadden onze kinderen in alles betrokken: samen wilden we voor kortere of langere tijd kinderen opvangen, die niet in hun eigen gezin kunnen wonen. Onze kinderen wisten dat ze moesten inleveren en dat het niet gemakkelijk zou zijn. Na vele crisisopvang-weekjes, kwam de vraag voor een perspectief-biedende plaatsing van een zevenjarige jongen (zijn vijfde thuis). Na het proefdraaien verwelkomden de kinderen hem: 'jij wordt nu ons broertje, wij zijn nu met ons zessen!'

Wij konden van elkaar leren, dachten en merkten we ook. Wij leerden nieuwe dingen van hem: nieuwe (schutting)woorden, stoer gedrag, voor jezelf opkomen en dat het niet vanzelfsprekend is dat er rekening met je gehouden wordt, maar ook om te genieten van onze huiselijkheid en dat het fijn is een familie te hebben. Wij hoopten hem te leren om te vertrouwen en betrouwbaar te zijn, te delen en te wachten, rekening te houden met anderen en te kunnen rekenen op mensen die van hem houden, dat hij er mocht zijn.

Drie jaar later was voor allemaal de lol eraf: vaak ruzie tussen de kinderen, kinderen bleven langer van huis weg en namen geen vrienden meer mee. De enige gezamenlijke maaltijd werd een vulkaan van opgehoopte ergernissen. Hij eiste volledige betrokkenheid van iedereen, bang om nergens bij te horen: hij zat letterlijk en figuurlijk bovenop de volwassenen en nam alle ruimte in die hij kon krijgen. De eigen kinderen leverden steeds meer in, schortten eigen vragen en twijfels op, gingen terugvechten om de aandacht of zwegen voor de lieve vrede.

Als moeder beleefde ik nog maar weinig positieve momenten; soms alleen met hem of na een straf. Mijn eigen grenzen wankelden en ik heb hem geslagen. Het werd duidelijk dat dit geen prettig samenleven meer was.

Met hem ging het ook slechter op school; er werd onderzoek gedaan en de psycholoog zei, dat wij als ouders 'positief gedrag vaker moesten belonen'.

We zetten ons met ons allen in: video-home-training en voor hem fysiotherapie voor meer lichaamscontrole.

Toen zei de voogd tegen ons: 'hoewel wij anders hebben afgesproken, hoeft hij niet voor altijd bij jullie te blijven. Het hoeft niet bij jullie!!'

Wat een opluchting, mogelijkheden stonden open, een nieuwe denkwijze, de opgebouwde spanning brak en het ging weer veel beter... een tijdje.

Daarna vroeg hij zelf om terug te mogen naar het internaat. Het gezin was hem te dichtbij, het erbij-horen werd een last, in een internaat kun je onzichtbaar zijn.

Wij zagen de kinderen en onszelf depressief worden: we reageerden steeds vervelender op de ander en geen van ons kon dit nog positief ombuigen. De negatieve beleving overheerste, en wij voelden dat er voor alle kinderen in (sociaal) emotioneel opzicht meer afgebroken werd dan kon groeien.

Ten slotte besloten we te zoeken naar een gezinshuis als alternatief en onze wereld stortte in: we hadden gedacht het wel aan te kunnen, een pleegkind in huis; dat we voldoende in huis hadden om het af te maken. Nee dus!!!

Ik voelde mij falen als moeder: ik was partijdig omdat ik de eigen kinderen liet blijven en hem liet weggaan, ik deed precies hetzelfde als zijn vorige moeders. Ik nam mezelf kwalijk dat ik hem geslagen had, dat ik de andere kinderen minder aandacht had gegeven, dat we met ons zessen geen 'harmonisch' gezinnetje hadden.

Ik wist wel dat je een kind weinig te bieden hebt als het ten koste gaat van de andere kinderen en jezelf, maar als ik er nu over schrijf, overvalt me weer dat verstikkende gevoel van machteloosheid, verdriet en woede over het feit dat je een kind moet opgeven.

Voor onze pleegzoon wilden we toch ouders blijven; op de achtergrond aanwezig zijn, kaartjes sturen, verjaardagbezoek en hem verzekeren dat hij, als hij wil, altijd bij ons terecht kan, alleen niet voor langere tijd. Eigenlijk heeft dát de wond voor ons allemaal gedicht: na zes jaar internaten woont hij nu zelfstandig met ons als thuisbasis. Hij vertelde later dat hij niet wist hoe hij een zoon moest zijn.

Het litteken blijft: destijds onuitgesproken gevoelens van de inmiddels volwassen kinderen komen nu pas bij enkelen los, maar er kan nog heel wat rechtgezet worden.