Pleegkinderen prima, maar
wat doen pleegouders als de problemen met het pleegkind
té groot worden en de situatie ten koste van je
eigen kinderen dreigt te gaan? Pleegouders kiezen altijd
voor hun eigen kind, maar hoe ver laat je een situatie
'uit de hand lopen'? En wat ervaart een pleegouder die
voor deze keuze staat? Twee jaar geleden nam Eline
Kooistra een beslissing.
'Maar als ik er nu over schrijf,
overvalt me weer dat verstikkende gevoel van
machteloosheid, verdriet en woede over het feit dat je
een kind moet opgeven.'
'Wij hadden onze kinderen in alles
betrokken: samen wilden we voor kortere of langere tijd
kinderen opvangen, die niet in hun eigen gezin kunnen
wonen. Onze kinderen wisten dat ze moesten inleveren en
dat het niet gemakkelijk zou zijn. Na vele
crisisopvang-weekjes, kwam de vraag voor een
perspectief-biedende plaatsing van een zevenjarige jongen
(zijn vijfde thuis). Na het proefdraaien verwelkomden de
kinderen hem: 'jij wordt nu ons broertje, wij zijn nu met
ons zessen!'
Wij konden van elkaar leren, dachten
en merkten we ook. Wij leerden nieuwe dingen van hem:
nieuwe (schutting)woorden, stoer gedrag, voor jezelf
opkomen en dat het niet vanzelfsprekend is dat er
rekening met je gehouden wordt, maar ook om te genieten
van onze huiselijkheid en dat het fijn is een familie te
hebben. Wij hoopten hem te leren om te vertrouwen en
betrouwbaar te zijn, te delen en te wachten, rekening te
houden met anderen en te kunnen rekenen op mensen die van
hem houden, dat hij er mocht zijn.
Drie jaar later was voor allemaal de
lol eraf: vaak ruzie tussen de kinderen, kinderen bleven
langer van huis weg en namen geen vrienden meer mee. De
enige gezamenlijke maaltijd werd een vulkaan van
opgehoopte ergernissen. Hij eiste volledige betrokkenheid
van iedereen, bang om nergens bij te horen: hij zat
letterlijk en figuurlijk bovenop de volwassenen en nam
alle ruimte in die hij kon krijgen. De eigen kinderen
leverden steeds meer in, schortten eigen vragen en
twijfels op, gingen terugvechten om de aandacht of zwegen
voor de lieve vrede.
Als moeder beleefde ik nog maar weinig
positieve momenten; soms alleen met hem of na een straf.
Mijn eigen grenzen wankelden en ik heb hem geslagen. Het
werd duidelijk dat dit geen prettig samenleven meer
was.
Met hem ging het ook slechter op
school; er werd onderzoek gedaan en de psycholoog zei,
dat wij als ouders 'positief gedrag vaker moesten
belonen'.
We zetten ons met ons allen in:
video-home-training en voor hem fysiotherapie voor meer
lichaamscontrole.
Toen zei de voogd tegen ons: 'hoewel
wij anders hebben afgesproken, hoeft hij niet voor altijd
bij jullie te blijven. Het hoeft niet bij
jullie!!'
Wat een opluchting, mogelijkheden
stonden open, een nieuwe denkwijze, de opgebouwde
spanning brak en het ging weer veel beter... een
tijdje.
Daarna vroeg hij zelf om terug te
mogen naar het internaat. Het gezin was hem te dichtbij,
het erbij-horen werd een last, in een internaat kun je
onzichtbaar zijn.
Wij zagen de kinderen en onszelf
depressief worden: we reageerden steeds vervelender op de
ander en geen van ons kon dit nog positief ombuigen. De
negatieve beleving overheerste, en wij voelden dat er
voor alle kinderen in (sociaal) emotioneel opzicht meer
afgebroken werd dan kon groeien.
Ten slotte besloten we te zoeken naar
een gezinshuis als alternatief en onze wereld stortte in:
we hadden gedacht het wel aan te kunnen, een pleegkind in
huis; dat we voldoende in huis hadden om het af te maken.
Nee dus!!!
Ik voelde mij falen als moeder: ik was
partijdig omdat ik de eigen kinderen liet blijven en hem
liet weggaan, ik deed precies hetzelfde als zijn vorige
moeders. Ik nam mezelf kwalijk dat ik hem geslagen had,
dat ik de andere kinderen minder aandacht had gegeven,
dat we met ons zessen geen 'harmonisch' gezinnetje
hadden.
Ik wist wel dat je een kind weinig te
bieden hebt als het ten koste gaat van de andere kinderen
en jezelf, maar als ik er nu over schrijf, overvalt me
weer dat verstikkende gevoel van machteloosheid, verdriet
en woede over het feit dat je een kind moet opgeven.
Voor onze pleegzoon wilden we toch
ouders blijven; op de achtergrond aanwezig zijn, kaartjes
sturen, verjaardagbezoek en hem verzekeren dat hij, als
hij wil, altijd bij ons terecht kan, alleen niet voor
langere tijd. Eigenlijk heeft dát de wond voor ons
allemaal gedicht: na zes jaar internaten woont hij nu
zelfstandig met ons als thuisbasis. Hij vertelde later
dat hij niet wist hoe hij een zoon moest zijn.
Het litteken blijft: destijds
onuitgesproken gevoelens van de inmiddels volwassen
kinderen komen nu pas bij enkelen los, maar er kan nog
heel wat rechtgezet worden.