|

|
artikel uit Mobiel 6, december 1998
Kind denkt genuanceerd
over pleegbroer of -zus
Door Dr. L. Robbroeckx, drs. E.
Booltink & drs. R. Berendsen
De auteurs zijn
werkzaam bij de Katholieke Universiteit Nijmegen. Luk
Robbroeckx is tevens redactielid van MOBIEL
DElk gezin ontwikkelt in
de loop van zijn bestaan een structuur waarin komt vast
te liggen hoe iedereen binnen dat gezin functioneert en
met elkaar omgaat. De komst van een pleegkind doet deze
structuur veranderen, en het gezin zoekt een nieuw
evenwicht. Na het vertrek van het pleegkind herneemt het
gezin meestal zijn oorspronkelijke evenwicht. Bevindingen
uit een onderzoek aan de Katholieke Universiteit van
Nijmegen geven aan dat eigen kinderen genuanceerd denken
over al die veranderingen in het gezin.
Als een kind in een pleeggezin wordt
geplaatst, is een herschikking van gewoonten, opvattingen
en regels onvermijdelijk. Dat geldt voor het pleegkind en
dat geldt ook voor het pleeggezin.
De eigen kinderen moeten soms hun
positie als jongste of oudste opgeven. Leidinggevend
gedrag aan een jonger broertje moet misschien opgegeven
of gedeeld worden met een ouder pleegkind.
Ook andere rollen die kinderen naar
elkaar of naar hun ouders toe vervullen, komen onder druk
te staan. Maar hoe langer een pleegkind in een gezin
verblijft, hoe meer kans bestaat op nieuwe
broer-zusverhoudingen. Zulke relaties zijn meestal ook
duurzaam, kennen onderlinge afspraken en zijn gebaseerd
op loyaliteit naar elkaar.
Bij het vertrek van een pleegkind doen
zich opnieuw dergelijke veranderingen voor. Uit de
literatuur komt naar voren dat eigen kinderen gevoelens
van angst of stress kunnen vertonen, zeker wanneer ze
jong zijn. Vragen van eigen kinderen wanneer zij zelf
moeten vertrekken, zijn niet uit de lucht gegrepen. Het
is logisch dat het gezin, na vertrek van een pleegkind,
weer op zoek gaat naar zijn oorspronkelijke verhoudingen.
Opvoedingsregels veranderen weer en invloeden van
begeleidende instellingen op het gezinsgebeuren
verdwijnen. Kortom, men is weer (even) onder elkaar en
het evenwicht zoekt een weg om zich te herstellen.
Kinderen, net als volwassenen, hebben daarvoor tijd
nodig.
Veranderingen in de eigen
beleving
Het is niet
ondenkbaar dat een kind op de komst van een pleegkind
reageert met kinderlijk of ondeugend gedrag, om zo de
aandacht van de ouders vast te houden of op de proef te
stellen. Maar ook het omgekeerde is denkbaar:
onafhankelijk gedrag vertonen, zich aangesproken voelen
als grotere broer of zus ten opzichte van het pleegkind,
de ouders niet tot last willen zijn omdat die veel
aandacht aan het pleegkind geven, of beter gedrag laten
zien om zeker te zijn dat ze nog 'lief' gevonden worden.
Tot de vele positieve reacties moeten ook gerekend
worden: delen in de zorg van de ouders, taken voor eigen
rekening nemen om de ouders te ontlasten, pleegbroer of
-zus wegwijs maken of opkomen voor hen in het bestaand
sociaal netwerk. Dergelijke geluiden horen we vaak in
kringgesprekken met kinderen die een pleegbroer of -zus
hebben of hadden. Men heeft het over 'socialer worden,
respect voor andere kinderen krijgen, mensenkennis
opdoen'. Temperament, leeftijd, geslacht en de aard van
de bestaande relatie met de ouders beïnvloeden
uiteindelijk de manier waarop het eigen kind op de komst
of het verblijf van een pleegkind zal reageren.
Eigen bevindingen
ERecentelijk hebben we een eigen
onderzoek afgesloten naar de belevingen van eigen
kinderen ten aanzien van pleegkinderen in hun gezin.
Negenenzestig kinderen hebben ons gegevens verstrekt over
het pleegkind in hun gezin. Hiervan waren uiteindelijk 41
vragenlijsten geschikt om te analyseren. Het is gebleken
dat vooral jongens en kinderen waar een jonger pleegkind
is komen wonen een verandering in de structuur van het
gezin ervaren. Het merendeel van de eigen kinderen
ervaart echter geen verandering. In tegenstelling tot wat
in de literatuur wordt beschreven, geven de kinderen uit
ons onderzoek aan niet zo'n moeite te hebben met het
opgeven van hun positie.
Doorgaans blijkt dat de kinderen
verschillende rollen vervullen naar hun pleegbroer of
-zus toe: de opvoedersrol wordt afgewisseld met de
pioniersrol en de vriendenrol, vooral wanneer het een
jonger pleegkind betreft. Het is opmerkelijk dat de
meeste eigen kinderen begrijpen waarom hun ouders anders
omgaan met het pleegkind dan met henzelf. Ze zien het dan
ook niet als negatief. Kinderen tussen 12 en 14 jaar zien
dit duidelijker dan kinderen tussen 10 en 12 jaar.
Een opvallend resultaat is dat een
derde van de kinderen de contacten tussen de ouders en
hun pleegbroer of -zus onderling als negatief ervaren.
Sommigen vinden het lastig dat ze helemaal niets los
mogen laten over de achtergrond van hun pleegbroer of
-zus tegenover vrienden of andere derden. Ruim veertig
procent van de ondervraagde kinderen vindt het gedrag van
het pleegkind problematisch en heeft daar moeite mee.
Dertig procent geeft aan loyaliteitsconflicten te hebben.
De reacties uit de omgeving ervaart men als positief,
maar te veel vragen uit de omgeving over het pleegkind
ervaart een derde van de groep als negatief of &endash
in het beste geval &endash als neutraal. 80% van de
kinderen ervaart &endash samenvattend &endash een
positieve houding ten aanzien van hun pleegbroer of -zus,
maar dertig procent van hen noemt wel de negatieve
eigenschappen van het pleegkind en de negatieve
interacties in het gezin als vervelend.
Ongeveer een derde deel noemt
expliciet dat zij negatieve gevoelens van het pleegkind
naar henzelf toe ervaren. Een klein aantal kinderen geeft
aan veranderd te zijn door de komst van pleegkinderen in
het gezin. Hun blik is verruimd, ze hebben begrip
gekregen voor kinderen die anders zijn en hebben hun
grenzen verlegd.
Afscheid nemen van een pleegbroer of
-zus wordt gemiddeld niet als negatief beschouwd. Een
goede voorbereiding op het vertrek en het vooraf weten
dat een pleegkind slechts tijdelijk in het gezin
verblijft, bevordert dit. Ondanks dat, geeft circa 60%
van de kinderen toe wel eens opgelucht geweest te zijn
bij het vertrek van het pleegkind. Jongens blijken
doorgaans een minder negatieve beleving te ervaren dan
meisjes én de kinderen die in leeftijd minimaal
twee jaar verschillen met hun pleegbroer of -zus ervaren
de gang van zaken doorgaans het meest positief. Dit kan
een belangrijk gegeven zijn bij de voorbereiding of
matching.
Samenvatting
Hoewel een
aantal zaken uit dit beperkte onderzoek in tegenspraak
zijn met gegevens uit de literatuur, is het belangrijk te
constateren dat veel kinderen zeer genuanceerd antwoorden
op vragen naar hun belevingen. Er is geen wetmatigheid
over hoe gereageerd zal worden op de komst van een
pleegkind, noch over de manier waarop men het gebeuren
beleeft. Dit pleit er des te meer voor om bij elke
voorbereiding de kinderen hun stem te laten horen en na
afloop van de plaatsing ruimte en tijd te geven om zich
binnen het gezin te (her-) vinden vooraleer een nieuw
pleegkind zijn opwachting maakt. Elke verandering in
gedrag of houding van het eigen kind kan een signaal
zijn, op zich niet verontrustend, maar wel een teken dat
het eigen kind op zijn manier de veranderingen verwerkt.
Ouders die daarvoor oog hebben, dit toestaan en met hun
kinderen hierover in gesprek blijven, maken de meeste
kans om met hun gezin een hechtere band te krijgen en met
positieve gevoelens op hun gezinsfunctioneren na een
periode van pleegzorg terug te blikken.
Noot
Booltink, E. en R. Berendsen.
Eigen kinderen aan het woord. Belevingen van eigen kinderen
van pleegouders m.b.t. het hebben van een pleegbroer of
pleegzus. Doctoraal scriptie. Nijmegen, Instituut voor
orthopedagogiek, 1998.
|