Een gezin meldt zich aan
als pleeggezin. Als de plaatsing al langere tijd een feit
is, blijkt toch dat er in het verleden in het gezin zaken
aan de orde zijn geweest die niet bij de officiële
geraadpleegde instanties bekend waren. Valt dit de
voorziening voor pleegzorg of de plaatsende instantie te
verwijten?
Voorafgaand aan een
plaatsing is er altijd een uitgebreid onderzoek. De
plaatsende instantie draagt de verantwoordelijkheid voor
het kind en moet ervoor zorgen dat het pleegkind op
verantwoorde wijze wordt ondergebracht.
Informatie-inwinning is een onderdeel van het onderzoek.
Een aspirant-pleegouder moet dan ook beschikken over een
verklaring van geen bezwaar, afgegeven door de Raad voor
de Kinderbescherming. Gegevens hiervoor vraagt de Raad op
uit de Algemene Justitiële Documentatieregisters,
het eigen archief, het bevolkingsregister en het
politieregister. Zo verkrijgt men zoveel mogelijk
zekerheid over feiten en omstandigheden die een
pleeggezinplaatsing ontoelaatbaar kunnen
maken.
Sinds een aantal jaren
wordt hard gewerkt aan innovatie en kwaliteitsverbetering
van de pleegzorg en aan de positie van pleegouders. Ook
de rechtspositie van pleegouders is van belang. Zij
stellen zich kwetsbaar op tijdens het onderzoek naar hun
geschiktheid en hebben daarom recht op een zorgvuldige
wijze van omgaan met hun belangen en met de over hen
beschikbare informatie. Daartegenover staat het belang
van de plaatsende instanties om zoveel en zo goed
mogelijke informatie te verkrijgen voordat het kind in
een bepaald gezin kan worden geplaatst.
In dit kader kan
daarom de vraag worden gesteld of voor het onderzoek naar
de geschiktheid van het gezin niet àlle
beschikbare en noodzakelijke informatie &endash ook van
andere dan de al geraadpleegde instanties &endash over
het gezin op tafel zou moeten komen.
Mij lijkt een
dergelijke vergaande informatieplicht in strijd met het
privacyrecht van de aspirant-pleegouders, behalve als zij
volledig vrijwillig instemmen met de informatieverzoeken
aan andere instellingen. Bovendien zouden al die
instellingen dan een gezamenlijk register moeten
aanleggen en bijhouden van gezinnen en personen waarmee
men bemoeienis heeft gehad. Zo'n soort superregister wijs
ik af.
Op de voorzieningen
voor jeugdhulpverlening is de Wet Persoonsregistratie
(WPR), binnenkort te vervangen door de Wet Bescherming
Persoonsgegevens, van toepassing. Uitvoerder en
plaatsende instantie moeten overeenkomstig de wet een
privacyreglement vaststellen, waarin aangeven is op welke
wijze het inzagerecht moet worden uitgevoerd. Dit
privacyreglement moet aan belanghebbenden ter beschikking
worden gesteld.
Met de regeling van
het inzagerecht wordt tegemoetgekomen aan een aantal
fundamentele rechtsbeginselen, die in verschillende
wetten en verdragen zijn vastgesteld. Zo wordt in artikel
10 van de Grondwet het recht op eerbiediging en
bescherming van de persoonlijke levenssfeer genoemd. In
artikel 12 van de Universele Verklaring van de rechten
van de mens is het recht op bescherming door de wet tegen
willekeurige inmenging in persoonlijke aangelegenheden in
familie- en gezinsleven en in briefwisseling neergelegd.
Dus ook als een pleegkind in een (goedgekeurd) pleeggezin
is geplaatst, blijft privacy een belangrijke rol spelen.
De huidige informatie-inwinning door de Raad, tezamen met
het pleegcontract en het hulpverleningsplan, opgesteld
door de voorziening voor pleegzorg, bieden voldoende
garantie voor een zorgvuldige plaatsing. Helaas blijkt in
de praktijk niet iedere voorziening te werken met een
pleegcontract en een hulpverleningsplan. Het is aan de
inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming om daar
het nodige extra toezicht op uit te oefenen.