artikel uit Mobiel 6, december 1998

Gezinsonderzoeken

Door P. Vlaardingerbroek
bijzonder hoogleraar familie- en jeugdrecht aan de Katholieke Universiteit Tilburg

Een gezin meldt zich aan als pleeggezin. Als de plaatsing al langere tijd een feit is, blijkt toch dat er in het verleden in het gezin zaken aan de orde zijn geweest die niet bij de officiële geraadpleegde instanties bekend waren. Valt dit de voorziening voor pleegzorg of de plaatsende instantie te verwijten?

Voorafgaand aan een plaatsing is er altijd een uitgebreid onderzoek. De plaatsende instantie draagt de verantwoordelijkheid voor het kind en moet ervoor zorgen dat het pleegkind op verantwoorde wijze wordt ondergebracht. Informatie-inwinning is een onderdeel van het onderzoek. Een aspirant-pleegouder moet dan ook beschikken over een verklaring van geen bezwaar, afgegeven door de Raad voor de Kinderbescherming. Gegevens hiervoor vraagt de Raad op uit de Algemene Justitiële Documentatieregisters, het eigen archief, het bevolkingsregister en het politieregister. Zo verkrijgt men zoveel mogelijk zekerheid over feiten en omstandigheden die een pleeggezinplaatsing ontoelaatbaar kunnen maken.

Sinds een aantal jaren wordt hard gewerkt aan innovatie en kwaliteitsverbetering van de pleegzorg en aan de positie van pleegouders. Ook de rechtspositie van pleegouders is van belang. Zij stellen zich kwetsbaar op tijdens het onderzoek naar hun geschiktheid en hebben daarom recht op een zorgvuldige wijze van omgaan met hun belangen en met de over hen beschikbare informatie. Daartegenover staat het belang van de plaatsende instanties om zoveel en zo goed mogelijke informatie te verkrijgen voordat het kind in een bepaald gezin kan worden geplaatst.

In dit kader kan daarom de vraag worden gesteld of voor het onderzoek naar de geschiktheid van het gezin niet àlle beschikbare en noodzakelijke informatie &endash ook van andere dan de al geraadpleegde instanties &endash over het gezin op tafel zou moeten komen.

Mij lijkt een dergelijke vergaande informatieplicht in strijd met het privacyrecht van de aspirant-pleegouders, behalve als zij volledig vrijwillig instemmen met de informatieverzoeken aan andere instellingen. Bovendien zouden al die instellingen dan een gezamenlijk register moeten aanleggen en bijhouden van gezinnen en personen waarmee men bemoeienis heeft gehad. Zo'n soort superregister wijs ik af.

Op de voorzieningen voor jeugdhulpverlening is de Wet Persoonsregistratie (WPR), binnenkort te vervangen door de Wet Bescherming Persoonsgegevens, van toepassing. Uitvoerder en plaatsende instantie moeten overeenkomstig de wet een privacyreglement vaststellen, waarin aangeven is op welke wijze het inzagerecht moet worden uitgevoerd. Dit privacyreglement moet aan belanghebbenden ter beschikking worden gesteld.

Met de regeling van het inzagerecht wordt tegemoetgekomen aan een aantal fundamentele rechtsbeginselen, die in verschillende wetten en verdragen zijn vastgesteld. Zo wordt in artikel 10 van de Grondwet het recht op eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer genoemd. In artikel 12 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens is het recht op bescherming door de wet tegen willekeurige inmenging in persoonlijke aangelegenheden in familie- en gezinsleven en in briefwisseling neergelegd. Dus ook als een pleegkind in een (goedgekeurd) pleeggezin is geplaatst, blijft privacy een belangrijke rol spelen. De huidige informatie-inwinning door de Raad, tezamen met het pleegcontract en het hulpverleningsplan, opgesteld door de voorziening voor pleegzorg, bieden voldoende garantie voor een zorgvuldige plaatsing. Helaas blijkt in de praktijk niet iedere voorziening te werken met een pleegcontract en een hulpverleningsplan. Het is aan de inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming om daar het nodige extra toezicht op uit te oefenen.