artikel uit Mobiel 5, oktober 1998"Stem van pleegouders moet worden gehoord" interview met André Oudman
|
Door Ineke van Exel
André Oudman is ruim twintig jaar pleegvader en sinds nog geen twintig weken secretaris van de POR in Friesland, de PleegOuderRaad die de Friese pleegouders een stem moet geven. De POR kan, gevraagd en ongevraagd, advies geven over beleidsmatige zaken, de Voorziening voor Pleegzorg betreffend. Wat vindt een actieve POR-pleegouder van de conclusies uit het onderzoek naar Pleegouders over het contact met hun voorziening 'Ze zouden ons moeten koesteren"?
Hoe merken jullie dat pleegouders graag meer betrokken willen worden bij hun Voorziening of bij de pleegzorg?
"Tja, eigenlijk helemaal niet: het is erg moeilijk om genoeg en capabele leden te krijgen voor de POR en op onze vergaderingen komen vrijwel geen pleegouders. Natuurlijk moet je rekening houden met het feit dat we geen rechtstreekse toegang hebben tot het adressenbestand van de voorziening, maar we kunnen wel regelmatig een stukje plaatsen in ons provinciale pleegzorgblad. En ook op die stukjes komt weinig respons. Ik heb het idee dat pleegouders met name dan komen als ze een probleem hebben met de voorziening. En dat is lastig voor beide (of eigenlijk: alledrie de) partijen, want we zijn er niet voor individuele belangenbehartiging. We hebben last van een fenomeen dat vaker opduikt: vrijwilligerswerk is minder in trek dan een aantal jaren geleden. Gezinnen hebben het steeds drukker, met steeds meer afspraken."
Aan welke zaken storen pleegouders zich, waar zie je mis-communicatie?
"Ik denk dat aanstaande pleegouders, die al 'door de molen' zijn gegaan en zijn aangenomen, zorgvuldiger moeten worden begeleid. In Friesland zijn er ongeveer 500 pleeggezinnen, waarvan er 225 actief pleeggezin zijn, met zo'n 310 plaatsingen. Soms zijn er dan vier pleegkinderen in een gezin, terwijl een ander, nieuw, gezin lang wacht op een plaatsing. De motivatie verdwijnt, net als de betrokkenheid bij de pleegzorg. Soms verdwijnen deze mensen teleurgesteld uit het bestand van de Voorziening, zonder ooit een pleegkind hulp te hebben kunnen bieden.
Iets anders is het feit dat kinderen soms pleegkinderen worden terwijl ze eigenlijk niet in een gezin kunnen functioneren. Als het om een crisisplaatsing gaat, kun je er begrip voor hebben omdat er weinig over het kind bekend is. Het betreft ook wel eens een kind dat bijvoorbeeld al eerder in een pleeggezin heeft gezeten, waar voldoende over bekend is, maar waarvoor het eerste jaar nog geen tehuisplek is... Als pleegouder voel je je genomen als je daar achteraf achter komt.
Over het geheel genomen klagen pleegouders niet snel bij hun voorziening, ze doen dat eerder bij andere pleegouders of bij de NVP. Ze willen niet graag als lastig of zeurderig bekend staan bij hun voorziening. Terwijl ze eerder het gevoel zouden moeten hebben dat juist daar hun klacht thuishoort."
Hoe kan de voorziening de betrokkenheid van pleegouders vergroten en toegankelijker worden?
"Ik denk dat we aan drie belangrijke zaken samen moeten werken:
Slotwoord? "Net als bij de Voorziening stuiten wij zelf ook op het probleem om contact met de achterban te krijgen en te onderhouden. Het is moeilijk om mensen in beweging te krijgen en te houden 'voor de goede zaak'. Toch is het van enorm belang om die stem van de pleegouders goed te horen. Zowel de voorziening als de POR moeten zich (meer) inspannen om dat mogelijk te maken. Daarbij moeten we zoeken naar een weg waarin pleegouders hun betrokkenheid bij de pleegzorg op een plezierige en vanzelfsprekende manier vorm kunnen geven.
uit: Mobiel 5, oktober 1998