artikel uit Mobiel 5, oktober 1998

Lichtpuntjes in de hele provincie

interview met Jan Lunshof

Door Ineke van Exel

Jan Lunshof is unitmanager pleegzorg bij de Voorziening voor Pleegzorg in Friesland. Deze Voorziening heeft, net als Zuid-Holland-Noord, meegedaan aan het onderzoek 'Ze zouden ons moeten koesteren. Pleegouders over het contact met hun voorziening.' De VVP in Friesland is een vooruitstrevende voorziening, de ontvlechting bijvoorbeeld had men als een van de eerste Voorzieningen geregeld. Wat valt hier nog te leren, wat valt hier nog te verbeteren, vroegen we Jan Lunshof.

"Eén van de dingen die duidelijk worden in het rapport is dat pleegouders veel in hun mars hebben maar dat voorzieningen er te weinig gebruik van maken. Dat is heel jammer, maar ook frustrerend voor alle partijen. Pleegouders zijn onderdeel van een team dat ouders helpt hun kinderen op te voeden. Maar we hebben nog steeds geen manier gevonden om samen met pleegouders 'het produkt pleegzorg' te promoten en om samen de voorziening optimaler te laten functioneren. We moeten de betrokkenheid bij de voorziening vergroten en veel meer van de specifieke deskundigheid van pleegouders profiteren. Dat zie ik als een belangrijke opdracht die volgt uit de conclusies van het rapport.

De pleegouders geven zelf ook aan dat ze meer betrokken willen worden bij hun voorziening, maar dat het er om allerlei redenen niet van komt. Thema-avonden of korte cursussen spreken hen wel degelijk aan, maar gebrek aan tijd en het drukke gezinsleven weerhouden hen vaak van deelname. Toch moeten wij wegen vinden om van de ervaringen van pleegouders te profiteren, en om te zorgen voor een wisselwerking tussen voorziening en pleegouders. Om onze voorziening toegankelijker te maken overwegen we bijvoorbeeld regionale contactpersonen in te stellen, ervaren pleegouders die als een soort steunpunt fungeren. Lichtpuntjes in de hele provincie moeten dat worden.

We willen ook kortere communicatielijnen. Nu melden we een specifieke cursus in ons blad, soms schrijven we pleegouders aan met pleegkinderen in een bepaalde categorie. Het werkt waarschijnlijk beter als een pleegzorgwerker, die goed bekend is met de situatie in een bepaald pleeggezin, zegt: "Er komt binnenkort een cursist over bijvoorbeeld liegen en bedriegen, misschien zouden jullie er iets aan hebben." Het is geen middel om problemen op te lossen, maar moet meer als extra ondersteuning worden gezien.

In het onderzoeksrapport valt me op dat pleegouders hun begeleider soms te meegaand, te soft vinden. Ze voelen zich dan niet voldoende gehoord en serieus genomen, willen daarentegen juist graag horen waar het op staat. In de regelmatige bijscholing van onze medewerkers behandelen we dit soort signalen en we proberen dan instrumenten aan te reiken waarmee beter kan worden ingespeeld op de behoeften en wensen van de pleegouders. Je moet in de pleegzorg altijd streven naar maatwerk, kijken wat zinvol of nodig is: sommige pleegouders zijn erg ervaren en willen alleen in geval van nood op een ervaren pleegzorgwerker kunnen terugvallen; zij redden zich prima als de pleegzorgwerker zo'n vier keer per jaar langskomt.

Anderen willen een pleegzorgwerker niet alleen als trouble-shooter over de vloer hebben en stellen een regelmatiger contact erg op prijs. Als pleegzorgwerker moet je dus een goede inschatting van de situatie in een pleeggezin kunnen maken en in overleg afspraken maken die zo dicht mogelijk bij de wensen van de pleegouders liggen.

Met het rapport, de conclusies en de aanbevelingen, ben ik wel tevreden. We zijn op de goede weg en stellen ons open voor suggesties. Maar ik lees er ook in dat we ons nog meer moeten inspannen om de banden met pleegouders te versterken, dat we nog dichterbij moeten komen, dat we de wisselwerking tussen allen die rond een pleegkind staan moeten bevorderen, om het kind zo optimaal mogelijk te kunnen helpen."

uit: Mobiel 5, oktober 1998