artikel uit Mobiel 5, oktober 1998Pleegouders willen ondersteuning op maat
|
Door Fiet van Beek
onderzoeker Bureau Wesp
'Ze zouden ons moeten koesteren', is een veelzeggende uitspraak van een pleegouder over de voorziening voor pleegzorg. Het is ook de titel van het onlangs verschenen onderzoeksrapport over de samenwerking tussen pleegouders en hun voorziening voor pleegzorg. Hoe kijken pleegouders tegen 'hun' voorziening aan? Aan welke ondersteuning hebben zij behoefte? En wat vinden zij belangrijk in de samenwerking met de begeleider? Onderzoeker Fiet van Beek van bureau WESP, vertelt hoe de geïnterviewde pleegouders gekoesterd willen worden.
Het moest geen eenrichtingverkeer worden. Daarover waren opdrachtgever MOBIEL, onderzoeksbureau WESP en de meewerkende voorzieningen uit Friesland en Zuid-Holland Noord het eens. Het onderzoek naar de communicatie met pleegouders zou niet alleen gaan over de bestaande informatie die zij via MOBIEL of de voorzieningen krijgen. Zinvoller was het om pleegouders te vragen wat zij belangrijk vinden in het contact met de voorziening. Dat zou ideeën kunnen opleveren waaraan de voorzieningen zelf niet hadden gedacht. Pleegouders zijn immers meer dan consumenten van informatie? Voor voorzieningen kunnen zij een bron van informatie zijn. Maar die bron moet je dan wel aanboren...
Zo kwam de nadruk in het communicatie-onderzoek te liggen op de belevingswereld van pleegouders. Door pleegouders open te bevragen, kregen zij de kans om te vertellen wat zij op hun hart hadden.
Tweerichtingsverkeer; met als doel het aanbod van een voorziening beter aan te laten sluiten op de vraag van pleegouders.
Geen gemiddelde pleegouder
Er zijn 49 pleegouders geïnterviewd, afkomstig uit Friesland en Zuid-Holland. Van hen werkt de helft van de pleegouders werkt 1 tot 5 jaar met hun voorziening samen. Veertig procent zorgt voor het kind van familie of kennissen. Onder de bestandspleegouders zowel mensen met ervaring in vakantie/weekendpleegzorg, crisisopvang en langdurige pleegzorg. Zeven pleegouders die niet meer bij de voorziening ingeschreven staan doen ook mee. Een gemêleerd gezelschap, een goede dwarsdoorsnede van de pleegzorg.
Opvallend is dat de helft van de pleegouders spontaan vertelt zich geen 'gemiddelde' pleegouder te voelen. De een voelt zich niet gemiddeld omdat er maar 1 pleegkind in huis is, de ander omdat het pleegkind familie is, een volgende omdat hij niet gelovig is. Een vaak genoemde, wel heel bijzondere reden: 'Ik ben geen gemiddelde pleegouder, want ik heb geen problemen met mijn begeleider'. Iets meer dan een kwart van de geïnterviewden noemt zich geen pleegouder; dit zijn vooral mensen die voor het kind van een kennis of familielid zorgen.
Begeleiding
Eén van de belangrijkste conclusies uit het onderzoek is dat pleegouders een meer persoonlijke - niet gemiddelde - benadering van de voorziening verwachten. Voor een deel van de pleegouders is de voorziening ver weg. Eén op de drie heeft geen duidelijk beeld van de organisatie. Voor hen is de begeleider 'het' gezicht van de voorziening. Een pleegouder uit Zuid-Holland: 'Je maatschappelijk werker die is eigenlijk het hele bureau. Zo moet je het zien...'
Tweederde maakt een onderscheid tussen de begeleider en de organisatie daarachter.
Alle pleegouders vertellen uitgebreid over hun ervaringen met hulpverleners in het algemeen en pleegzorgwerkers in het bijzonder. Vrijwel iedereen noemt zowel positieve als negatieve aspecten. De positieve opmerkingen zijn in de meerderheid. Driekwart van de pleegouders is over het algemeen tevreden over de begeleider.
De criteria die men gebruikt bij de beoordeling van de begeleider zijn interessant. Verwacht wordt dat begeleiders minimaal voldoen aan de STAP-criteria die voor pleegouders gelden. Dus open- en duidelijkheid in contacten met pleegouders, ouderschap delen door overleg en het bezig zijn met het effect van pleegzorg door ook aandacht aan de andere gezinsleden te besteden.
Gelijkwaardigheid
Hoewel de meerderheid tevreden is over de steunende rol van de begeleider, mist bijna de helft gelijkwaardigheid in het begeleidingscontact. Overleg en het benutten van de deskundigheid van pleegouders worden gezien als bewijzen van gelijkwaardigheid. Zo niet het opleggen van de wil van de begeleider en niet overleggen of informeren.
Een pleegouder: 'De begeleider sprak met ons, ook dat wij op gelijke hoogte met hem stonden. Dat hebben we in het verleden wel eens anders meegemaakt. Dat er alles van bovenaf werd gedirigeerd. Zo van: dit is het probleem met het kind, dan wil ik graag dat je het zo doet.'
Begeleiders die de ervaring van de pleegouders benutten, worden positief gewaardeerd. Het gaat dan niet alleen om pleegzorgervaring, maar ook levenservaring die is opgedaan in familieverband, vrijwilligerswerk of het opvoeden van kinderen.
Betrokkenheid van de begeleider is in de ogen van pleegouders een belangrijk aspect. Dan gaat het niet alleen om betrokkenheid bij het pleegkind, maar bij het hele gezin. Een persoonlijke benadering, interesse tonen en meeleven in moeilijke tijden, zijn daar voorbeelden van.
Rapportcijfer
Er is de pleegouders gevraagd hun voorziening een rapportcijfer te geven. Een kwart geeft een onvoldoende, driekwart is tevreden, waarvan een derde zeer tevreden. Het valt op dat de hoogte van het cijfer voornamelijk bepaald wordt door twee factoren: de tevredenheid over de begeleiding en de 'service' van de instelling.
Over de begeleiding is men over het algemeen tevreden, de cijfers worden gedrukt door de lagere beoordeling van de voorziening.
Een voorbeeld. Een pleegmoeder laat zich meerdere malen zeer lovend uit over haar begeleider. Ze zegt: 'Ik geef mijn begeleider een acht en een half, omdat hij zich zo inzet. Dat gaat volgens mij verder dan alleen maar werk. Volgens mij is hij altijd bezig met hart en ziel.' Dezelfde vrouw geeft de voorziening een onvoldoende vanwege slechte ervaringen rond het aanvragen van een extra financiële vergoeding.
Zo dichtbij als de begeleider is, zo veraf wordt 'de' voorziening ervaren. Met de begeleider is er een 'wij-gevoel', met de voorziening veel minder. Bijna de helft van de pleegouders zegt niet het gevoel te hebben bij de voorziening te horen. Er gaapt een kloof tussen de persoonlijke benadering van de pleegzorgwerker en de meer onpersoonlijke benadering door de rest van de organisatie.
Service
Over het algemeen vindt men dat de 'klantgerichtheid' van de voorziening verbeterd kan worden. De meest genoemde en voor velen de belangrijkste klacht is het feit dat het schort aan service op het gebied van regelgeving en financiën.
Allereerst vindt men dat men te weinig geïnformeerd is. Vooral als het gaat om de rechten en plichten van pleegouders en de inhoud van allerlei andere regelingen.
Ontevredenheid is er ook over de toepassing van financiële regelingen. Het gaat niet om de hoogte van de bedragen, maar om de manier waarop de voorziening pleegouders (niet) steunt op materieel gebied. Meer dan de helft van de pleegouders noemt hier ongevraagd voorbeelden van. Slechts vier pleegouders zeggen dat de praktische zaken goed geregeld waren.
Vooral het feit dat de voorziening volstaat met het geven van een boekje en geen advies op maat geeft, is een doorn in het oog. 'Je moet overal zelf achteraan', is een veelgehoorde uitspraak.
Informatie
Pleegouders verwachten dat zij gewezen worden op regelingen die in hun situatie van toepassing zijn. Zij vinden het onbegrijpelijk dat een begeleider adviseert over zindelijkheidstraining, maar niet attendeert op de toeslag op de pleegvergoeding die je in zo'n geval kan krijgen.
Als er voor een kind iets extra's nodig is - er zijn immers ook geen gemiddelde pleegkinderen - zou de voorziening alles moeten doen om extra pedagogische ondersteuning te regelen. Of een extra geldbedrag. In ieder geval zou het zo moeten zijn dat de 'last' om de hulp of het geld bij elkaar te krijgen niet bij de pleegouders ligt.
Het bevreemdt de pleegouders dat er zoveel privacy-gevoelige informatie over hen bekend is, maar dat dit niet leidt tot een aanbod op maat. Men wil gerichtere informatie.
Talenten
Of een instelling pleegouders als medewerkers benadert, wordt ondermeer afgemeten aan het benutten van hun deskundigheid. Een voorziening die pleegouders vraagt om mee te denken of te adviseren en hen inschakelt bij het voorbereiden of ondersteunen van andere pleegouders, geeft inhoud aan het medewerkerschap. Meerdere respondenten vinden dat de instelling meer gebruik zou kunnen maken van de ervaring en talenten van pleegouders. Bijvoorbeeld in het ondersteunen van andere pleegouders als het gaat om de aanpak van kinderen die eetproblemen hebben of bedplassen.
Als voorzieningen dat meer zouden doen, zou meteen aan een andere behoefte van pleegouders tegemoet gekomen worden: de behoefte aan contact met andere pleegouders.
'Lotgenotencontact' tussen pleegouders wordt van grote waarde gevonden. Dat is van een andere orde dan het contact met de begeleider. Herkenning, uitwisseling en onderlinge steun zijn de trefwoorden. Een pleegmoeder: 'Als je ze niet zou kennen, zou je je ook niet kunnen handhaven als pleegouder. Als dan 's ochtends die telefoon gaat, en dan alleen maar iemand even zegt: "Sterkte vandaag Henny", dat kan niemand anders beter zeggen dan een ervaren pleegouder.'
De titel van het rapport is een wens. Koesteren; een warm woord met een persoonlijke klank. De voorzieningen die aan het onderzoek hebben meegewerkt, zijn meteen plannen gaan maken om hun pleegouders meer te koesteren. Zij willen de service verbeteren en de talenten van pleegouders meer benutten. Volgens hen én de geïnterviewde pleegouders kan dat alleen door een intensievere wisselwerking tussen voorziening en pleegouders.
uit: Mobiel 5, oktober 1998