artikel uit Mobiel 5, oktober 1998

Door de voordeur van MOBIEL

door J. Udo
(pseudoniem van) Hanneke van der Neut-Gunsing, redactielid van 1984-1995

Bij het schap met tandpasta van de plaatselijke grootgrutter sprak ze me aan: 'U schrijft toch voor MOBIEL, hè?' Ik herkende de pleegmoeder uit het naburige dorp wel: ze zat ooit op een informatie-avond, die we vanuit de pleegzorgcentrale hielden.
Terwijl ik haar vertelde dat ik wel schreef, maar dan inmiddels een tijd geleden, begon er in mijn hoofd een videofilm te draaien. Verschillende gezichten keken me aan: pleegouders en begeleiders uit de redactie.

Eigenlijk werd de redactie van MOBIEL al gauw mijn nieuwe pleeggezin, hoewel zij dat waarschijnlijk zelf niet wisten. Want het eerste wat je doet als pleegkind is je eigen plekje maken binnen het geheel. Dat ben ik blijven doen, ook toen ik al groot was.
Ik kwam binnen als opvolger van een begeleider, die ik tijdens mijn werk ontmoette. "Jij lijkt mij wel wat voor de redactie", zei ze.
Het tijdschrift kende ik uit de verte. De voorloper van MOBIEL kreeg ik als pupil - zo heette dat toen - van het meisjeshuis al toegestuurd, want dat was goed voor mijn opvoeding volgens mijn begeleider. Ik schreef stukjes voor de tehuiskrant en zat in de redactie. Toen legde ik nog geen verband tussen die twee redacties, inmiddels zie ik dat wel.

Pseudoniem

In 1984 stapte ik de vergaderruimte binnen en wist nog niet dat ik me tot schrijver zou ontwikkelen. Want dat gebeurde al gauw: na een verhitte discussie stelde ik voor om te proberen over dat onderwerp te schrijven. Immers ik was als pupil eens weggelopen en dat was precies het onderwerp waarover we het hadden. En zo schreef ik mijn eerste verhaal. Onder pseudoniem, omdat ik inmiddels bij een pleegzorgcentrale werkte en het niet zo nodig vond om op informatie-avonden nader bevraagd te worden over mijn avonturen als pleeg- en tehuiskind.
Die dubbele kwaliteit had ik. Dat was een voordeel: ik had in beide vormen ervaringen opgedaan en kon soms vergelijken. Daar begon ik steeds vaker over te schrijven. Later werd er alleen nog gezegd als het thema van het nummer was bepaald: 'Doe jij dan een J. Udo?' Dat was mijn pseudoniem en de naam van mijn moeder, die zo graag schrijfster had willen zijn als haar gecompliceerde en korte leven dat had toegelaten.

Reacties

Er kwamen reacties op J. Udo: pleegkinderen, die zich erin herkenden en pleegouders, die vonden dat ze beter begrepen waarmee pleegkinderen kunnen worstelen. Want worstelen was het vaak wel: ik pakte een onderwerp tussen mijn tanden en schudde er mee heen en weer tot het uit elkaar viel. Om het daarna tot een passend stukje om te vormen. Een stukje voor in het blad. En als het dan gedrukt in het tijdschrift voor me lag, leek het net of er een stukje van mijn levenspuzzel op zijn plek viel. Al die stukjes samen werden uiteindelijk het boekje 'Door de voordeur', een eigen produktie van MOBIEL.
En zo werd ik de schrijver van een boek, een bundel.

Trots

En bezitter van een boekje dat - goed in het zicht - in de kast staat naast mijn boekenvrienden. De inhoud ken ik goed, maar die ligt niet meer als een serie hoekige stenen in mijn hart. Ik kan het pakken wanneer ik wil en weer wegzetten. Luisteren kan nu ook, want de gesproken bibliotheek leent het ook uit bleek me, toen ik een blinde vriend het boekje wilde uitlenen. Dat maakte me nog trotser.
En trots was ik al op die groep mensen, die toen MOBIEL vormden. We stimuleerden elkaar en verkenden steeds verdere grenzen van ons en van het blad. We werden steeds deskundiger en kregen er een passie bij: steeds beter schrijven.
En als cadeau ontvingen we nieuw ontdekte capaciteiten en de warmte van ons enthousiasme.

Verhitte discussies

En herinneringen: Verhitte discussies op de redactie, waar ik in 1984 bij ging horen. Daarna soms lunchen. De pleegvader die kwaaie dingen zei over eigen ouders en mijn tranen daarover. De deskundigheidsbevordering in later jaren: hoe schrijf je een journalistiek verhaal? Het nieuwe werken in werkgroepen rondom themanummers. Het lachen en soms de droefenis. De begrafenis van een van de onzen.
Mijn nep-pleeggezin, waar ik me zo veilig voelde. Tot ik eruit groeide en afscheid nam. In mijn hoofd en hart zit nog altijd de videofilm van die tijd. De foto van de redactie staat tussen mijn familiefoto's.

uit: Mobiel 5, oktober 1998