artikel uit Mobiel 4, augustus 1998

Kind van de rekening!
Over pleegzorg en de grenzen van de zorgzame samenleving

Door Josee Verhulst en Dorien Keesom

Het gaat niet goed met pleegdochter Maartje, zo signaleren de pleegouders en zij schakelen de hulpverlening in. Maartje 'hopt ' vervolgens van kinderpsychiater naar psychiatrisch ziekenhuis, naar dagbehandeling en weer naar huis, het pleeggezin. Niet omdat de problemen voorbij zijn, maar door plaatsgebrek, door gebrek aan financiën, door onwil soms. Twee zich onmachtig voelende pleegmoeders schreven MOBIEL over hun zorg voor Maartje, en over hun ervaringen met de grenzen van de zorgzame samenleving. Mobiel vroeg het ministerie van Justitie om een commentaar op hun verhaal.

Onze pleegdochter Maartje (8 jr. en al 4 jaar in ons gezin) werd vorig jaar depressief. Maartje kwam nauwelijks meer tot spelen en zocht voortdurend onze nabijheid op. Wij moesten haar problemen maar voor haar oplossen, de akelige bui wegblazen of in ieder geval binnen de perken houden. Tegen de kinderpsychiater zei Maartje: "van buiten ben ik vrolijk, maar van binnen huil ik." De kinderpsychiater schreef anti-depressiva voor en gaf ons opdracht Maartjes kamer na te kijken op gevaarlijke voorwerpen.

Observatie

Toch ging het niet beter met Maartje en waren wij genoodzaakt haar op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis voor een observatie van drie maanden. Gedurende de observatie hebben wij ons vaak afgevraagd wat er met Maartje gebeuren zou na de observatieperiode. Er werd ons echter gezegd dat wij ons daar geen zorgen over hoefden te maken. "Daar werd voor gezorgd ". Het eindrapport van de observatie vertelde ons dat wij als pleegouders een grote en belangrijke rol innamen in Maartjes leven, dat Maartje gebaat zou zijn bij verder opgroeien in ons gezin, maar dat Maartje wel meer therapie nodig had dan eenvoudig groeien in het gezinsleven.
Men adviseerde Maartje in ons gezin te laten en daarnaast dagbehandeling voor haar te regelen. De voogdijvereniging nam dit advies over. Maartje werd aangemeld bij de dagbehandeling Rotterdam. Ze mocht met bijna onmiddellijke ingang naar huis maar verder was er voor de periode tussen de opname en de dagbehandeling niets geregeld. De dagbehandeling Rotterdam bleek een wachttijd van gemiddeld een jaar te hebben.

Niet terug naar school

Op haar vorige school kon Maartje niet terugkomen. Ze werd als ziek beschouwd en paste daarom niet meer in de groep. De Therapeutische Gezinsverpleging heeft er toenvoor gezorgd dat er thuis hulp geboden kon worden door de gespecialiseerde gezinsverzorging (wat nu trouwens, niet meer mogelijk zou zijn, omdat justitie dit uit het vergoedingspakket heeft gehaald).
Onderwijs bieden aan een achtjarig kind bleek echter een groter probleem. Na twee maanden thuis zonder enig onderwijs of therapie, kreeg Maartje met behulp van de leerplichtambtenaar twee uur onderwijs per week aan huis van de stichting onderwijs aan zieke kinderen. Twee uur per week, we waren er blij mee.

Eindelijk dagbehandeling

Maartje was inmiddels al bijna drie maanden thuis. Van de dagbehandeling Rotterdam hoorden wij taal noch teken. We liepen nu het gevaar dat Maartje deze situatie niet langer aan zou kunnen en opnieuw opgenomen zou moeten worden binnen een klinische setting. Daarom meldden we haar aan bij het psychiatrisch ziekenhuis in Zeeland, die haar geobserveerd hadden en die zelf ook een dagbehandeling hadden.
Tevens werd door de voogdijvereniging de ziektenkostenverzekering VGZ afdeling justitie, ingeschakeld om zorg te dragen voor de vervoerskosten. En ... er was plaats in Zeeland. Maartje werd binnen twee weken daadwerkelijk aangenomen. Justitie leek in eerste instantie mee te willen werken. De voogdij kreeg bericht dat zij de vervoerskosten zouden vergoeden op basis van een kilometervergoeding of openbaar vervoer. Openbaar vervoer???? Een psychisch ziek kind van acht jaar kan volgens justitie zelfstandig met het openbaar vervoer van ZuidHolland naar Zeeland reizen??? Een kind dat leidt onder grote angsten en al helemaal niet zelfstandig en weerbaar is? Taxi-vervoer, dat leek ons en de kinderpsychiaters van de verschillende instellingen noodzakelijk. Met een medische verklaring hieromtrent werd in beroep gegaan tegen de beslissing van justitie.
Ondanks de vervoersproblemen mocht Maartje toch alvast met de dagbehandeling beginnen. Twee maanden later hoorden wij Maartje zeggen: "Eindelijk heb ik een plekje mam". Allerlei gevoelens begonnen los te komen. Zou ze dan toch gelukkig, of in ieder geval iets gelukkiger mogen worden?

De grenzen van een zorgzame samenleving

Eind vorig jaar kregen wij echter een brief van de voogdijvereniging dat de dagbehandeling stopgezet zou worden omdat justitie weigerde het taxivervoer te bekostigen. Onze verbijstering was groot. Taxivervoer is duur, we zijn de eersten om dat te beamen, maar kost nog altijd minder dan een klinische opname. Na een veelvuldige briefwisseling met justitie worden besloten de vervoerskosten toch te vergoeden.
De vreugde is echter van korte duur want korte tijd daarna krijgen wij na de observatieperiode van de dagbehandeling te horen dat zij Maartje afwijzen voor behandeling. Er zijn geen nieuwe feiten boven tafel gekomen, maar men ervaart haar nu als te complex om te kunnen behandelen. Hoe valt dat nu te rijmen met de eerdere conclusie van hetzelfde instituut? Maartje zal alsnog naar een klinische setting moeten voor haar behandeling, met opnieuw: lange wachttijden voor dat de behandeling kan starten. Weer mag Maartje waarschijnlijk niet blijven op de dagbehandeling totdat er een plek voor haar is binnen een behandelinstituut. Het ziet er nu naar uit dat we Maartje weer minstens drie maanden thuis krijgen zonder enige vorm van behandeling. Wanneer gaat iemand haar echt helpen? Ons kind van acht, met rechteen kind van de rekening!!!!

Onmacht en onvrede

Toen wij besloten Maartje in ons gezin op te nemen wisten we dat we voor een zware opgave kozen. Maar wannneer je dan echter ook nog eens ervaart dat je als pleegouder gemakkelijk genegeerd kan worden bij hulpverlenersoverleg, en ook nog eens stuit op financiële beperkingen en lange wachttijden in de kinderpsychiatrie, dan denk je toch bij jezelf: ik weet niet of ik dit nog een keer op zou brengen. We vinden het goed dat er een campagne wordt gevoerd om nieuwe pleegouders te vinden, maar denken wel "Zorg eerst eens dat de groep die je hebt, adequaat terzijde wordt gestaan!"

Trial and error

Commentaar door Anneke Storm van 's Gravesande, Senior beleidsmedewerker bij de sector Jeugdbescherming van het Ministerie van Justitie

Met bewondering voor de wijze waarop de pleegmoeders Josee en Dorien 'gaan ' voor het belang van hun pleegdochter Maartje, heb ik dit verhaal gelezen. Ook ik heb moeite met het feit dat kinderen vaak lang op passende hulp moeten wachten.
Wanneer je jong bent duurt een jaar immers een eeuwigheid en drie maanden is niet veel minder. Het staat buiten kijf dat zich hier een moeilijke en verdrietige situatie voordoet.
Welk zinvol commentaar is hier nu mogelijk? Ik baseer me hierbij uitsluitend op wat de pleegmoeders hebben opgeschreven. Als we deze problemen dan eens kort op een rij zetten, dan zien we dat verschillende problemen door elkaar heen lopen:

  • Kennelijk heeft het vrij lang geduurd voordat bepaald werd welke zorg/behandeling geïndiceerd was. Het is moeilijk te zeggen of dit anders had gekund. Er is in ieder geval weinig onbeproefd gelaten. De subsidiepot voor Therapeutische Gezinsverpleging is overigens al op 1 januari 1993 overgegaan naar de provincies/grootstedelijke gebieden, dus het is niet juist dat justitie dit uit het vergoedingspakket heeft gehaald.
  • Een probleem is dat de gekozen klinische behandeling niet onmiddellijk beschikbaar is.
  • Er is tevens sprake geweest van een financieel probleem dat veel irritatie teweeg bracht en min of meer het beeld bevestigt dat Maartje in elk opzicht het kind van de rekening is. Uiteindelijk werd hiervoor toch een oplossing gevonden. Ten aanzien van de taxikosten het volgende. De justitie-pupillen voor wie geen ziekenfondsverzekering mogelijk is, zijn ondergebracht bij de zorgverzekeraar VGZ. Op basis van gelijkheid geschieden de vergoedingen volgens de regels behorende bij het ziekenfondspakket.

De hoofdpersoon in dit verhaal, Maartje, zit kennelijk buitengewoon gecompliceerd in elkaar. Zelfs de deskundigen hebben veel tijd nodig om haar helemaal te doorgronden. Dit heeft ook zijn weerslag op de oplossingen die beproefd worden. Er is in zekere zin sprake van 'trial and error '. Dit is jammer van de tijd en moeite, teleurstellingen en kosten, maar het is het waard wanneer men er vervolgens in slaagt voor haar eenpassend individueel hulpverleningstraject uit te zetten. De situatie zoals die nu wordt geschetst vraagt in ieder geval om inventiviteit en een nieuw plan van aanpak/hulpverleningsplan. Aangenomen mag worden dat de voogdij-instelling dat in overleg met de pleegmoeders opstelt. Bezien moet worden wat in deze specifieke situatie als overbrugging zinvol en haalbaar(financiën en voorzieningen) is, uitgaande van de onmogelijkheid om tot op de komma nauwkeurig de ontwikkeling van Maartje te voorspellen.

Voorts wil ik opmerken dat de zogenoemde 'wachtlijstproblematiek ' werkelijk alle aandacht krijgt bij de verschillende verantwoordelijke overheden. Het gaat dan zowel om residentiële als om ambulante voorzieningen, zowel in de hulpverleningssector als in het AWBZ-circuit. Ook de politiek laat zich ter zake niet onbetuigd. Een schrale troost wellicht, maar 'er wordt aan gewerkt '.