artikel uit Mobiel 4, augustus 1998FAMILIE- EN SOCIALE NETWERKPLAATSINGEN |
Door Riet Portengen en Mirte Loeffen (beiden als ortho-pedagogen werkzaam bij NIZW)
We wisten dat ze bestaan! Gezinnen die kinderen van een familielid of van bekenden opvangen. Veel families regelen dit onderling, anderen hebben contact met een instelling voor jeugdzorg en een Voorziening voor Pleegzorg. Er is dan formeel sprake van familie- of sociale netwerkplaatsingen. Landelijke gegevens omtrent de omvang, kenmerken en behoefte aan ondersteuning van deze kinderen en pleeggezinnen ontbraken tot nog toe. Onlangs is bij het NIZW een inventariserend onderzoek naar deze vorm van pleegzorg afgerond. De groep netwerkpleegouders is hiermee in kaart gebracht.
De cijfers
Ruim 3100 pleegkinderen zijn bij familie of bekenden geplaatst. Dit is 40% van de 7848 plaatsingen die door de voorzieningen voor pleegzorg worden begeleid. Van alle familie- en sociale netwerkplaatsingen woont 75% van de kinderen bij familie: vooral bij de grootouders (45%) of bij een oom en/of tante (44%). Van de kinderen die bij bekenden wonen, woont de helft bij vrienden of kennissen van de ouders of van het kind. De resterende helft woont bij buren of is geplaatst via de school, de kerk of een vereniging.
Het begin van de plaatsing
De meerderheid van de kinderen (70%) verblijft al in het netwerkpleeggezin voordat
een voorziening voor pleegzorg daarvan op de hoogte is. Anders dan bij
bestandspleegouders, worden netwerkpleegouders vaak van de ene op de andere dag
pleegouder: het kind blijft na een logeerpartijtje of is weggelopen van huis en wil niet
meer terug. Een opmerking als 'Je rolt erin, je kunt niet anders ' is kenmerkend voor
deze pleegouders.
Na de aanmelding bij een voorziening voor pleegzorg, wordt ook hier een regulier
gezinsonderzoek gestart. Zo 'n gezinsonderzoek roept nog al eens weerstand op bij
netwerkpleegouders.
Netwerkpleegouders kiezen voor de zorg van het kind, maar niet voor de bemoeienis
van hulpverleningsinstanties. Zij kennen het kind en de ouders over het algemeen erg
goed en hebben in het verleden problemen met de ouders en het kind altijd zelf
opgelost. Bestandspleegouders kiezen voor een pleegkind en voor samenwerking met
de voorziening voor pleegzorg vanuit een andere motivatie en positie; zij kennen
ouders en kind niet voor de plaatsing. Het 'traditionele ' gezinsonderzoek, sluit dan
ook niet aan bij familie- en sociale netwerkpleegzorg. Een zgn. 'netwerkanalyse ', die
zich richt op (pleeg-)zorg voor het kind en meer aansluit bij de wensen en behoeften
van het netwerk om pleegzorg te realiseren, zou hier beter passen. In plaats van
onderzoek naar waarom een kind niet in dat gezin kan wonen, wordt dan samen met
de familie en het sociale netwerk gezocht waarom en hoe het kind wel bij het gezin
kan wonen.
Justitiële en vrijwillige plaatsingen
Ruim 70% van de familie- en sociale netwerkplaatsingen zijn in het kader van een ondertoezichtstelling, ontheffing of ontzetting. Onderzoek geeft aan dat minder vaak tot een maatregel hoeft worden overgegaan, als de familie en het sociale netwerk in een eerder stadium worden betrokken bij de ondersteuning van de ouders of een uithuisplaatsing. De voorzieningen voor pleegzorg zouden dan wel eerder betrokken moeten worden bij de uithuisplaatsing en een meer dienstverlenende houding moeten ontwikkelen voor families en netwerken die kinderen opvangen in een vrijwillig kader.
Continu&iiumlteit
Familie- en sociale netwerkplaatsingen duren meestal langer dan twee jaar (62%). Uit
Amerikaans onderzoek blijkt dat pleegkinderen die bij hun familie wonen, daar langer
wonen dan pleegkinderen die bij onbekenden wonen.
Tevens blijkt er een samenhang te zijn tussen het aantal woonplaatsen en de
ontwikkeling van een kind. Hoe meer woonplaatsen, hoe groter de kans op
gedragsproblemen en hoe groter het risico van kindermishandeling. Dit kan betekenen
dat, door de continuïteit die netwerkplaatsingen biedt, de kans op dit soort problemen
wordt verkleind.
Ook worden - in vergelijking met bestandsplaatsingen - kinderen minder vaak
teruggeplaatst als zij bij familie wonen.
Mogelijke verklaringen hiervoor kunnen zijn dat in de begeleiding gezinshereniging
een minder grote rol krijgt, de problematiek van ouders ernstiger is of het ouderschap
wordt gedeeld op een manier waar alle partijen tevreden mee zijn. In Nederland moet
dergelijk onderzoek nog worden opgezet.
Alleenstaande pleegouders
27% van de pleegouders die voor kinderen van familie of bekenden zorgen is alleenstaand (92% pleegmoeders en 8% pleegvaders). Het landelijk percentage eenoudergezinnen bedraagt 13%; het percentage alleenstaande pleegouders binnen de familie of het sociale netwerk ligt dus aanzienlijk hoger. Onderzoek van Loeffen gaf aan dat deze alleenstaande pleegouders niet meer behoefte aan ondersteuning hebbendan pleegouderduo 's. Mogelijk benutten zij hun netwerk beter om de opvoeding van de kinderen met anderen te delen.
Grootouders in een andere rol
Het opvoeden van kleinkinderen betekent voor grootouders een verandering in hun rol
als grootouder, als ouder en in de contacten met hun omgeving. Bij de gezelligheid
van het opa en oma zijn komen opeens verantwoordelijkheid en taken in de opvoeding
van de kleinkinderen. Beslissingen die zij nemen in de opvoeding van het kleinkind,
kunnen voor ouders grote consequenties hebben. Bijvoorbeeld hoe vaak en op welke
manier er contact is tussen ouders en kind.
De directe omgeving van grootouders snapt niet altijd dat de opvoeding veel energie
kost, waardoor contacten uit het eigen sociale leven soms verwateren.
Maar het opvoeden van een kleinkind kent ook veel voordelen. Grootouders hebben al
veel opvoedingservaring. 'Bovendien blijven we jong door de opvoeding van de
kleinkinderen! ', aldus een grootouder.
Een luisterend oor
Emotionele steun in de vorm van complimenten, een luisterend oor en positieve
feedback vanuit de directe omgeving, zijn essentieel voor zowel grootouders, ooms,
tantes en bekenden. 'Je hart kunnen luchten, begrip voor je situatie en iemand die veel
ervaring met pleegzorg heeft is belangrijk ', aldus één van de geïnterviewden.
Complimenten van ouders over de opvoeding ervaren de pleegouders als een vorm
van toestemming dat het kind bij hen mag wonen. Een pleegouder zegt: 'Zo gauw
moeder kan zeggen: 'Jij mag daar wonen en je woont er goed ', zijn we een heel eind
verder, want het kind krijgt dan de ruimte om zich te ontwikkelen. '
Deze pleegouders realiseren zich heel goed dat de omgeving bezorgd is over de
zwaarte van hun (nieuwe)opvoedingstaak, maar vinden een luisterend oor en een
advies belangrijker in tijden dat het minder goed gaat.
Want voortdurend bewijzen dat het goed gaat, of juist zwijgen om te voorkomen dat
de omgeving zich zorgen maakt, vinden ze belastender dan de zorg voor het pleegkind
zelf.
Ouders van pleegkinderen
Veel netwerkpleegouders hopen dat het pleegkind zo snel mogelijk terug kan naar de ouders, want dat is een teken dat het met de ouders beter gaat. Hun ervaring is echter dat er niet constructief met de ouders wordt gewerkt aan gezinshereniging. Zij vinden dat de taak van de (gezins)voogd, maar ervaren dat door tijdsdruk, een hoog ziekteverzuim en veel wisselingen van (gezins)voogden het werken met de ouders in de knel komt. Vaak is er lang onduidelijkheid over de verlenging van de plaatsing of de terugkeer naar de ouders. Netwerkpleegouders vinden het belangrijk dat de kinderen weten waar ze aan toe zijn. Zij vragen zich af of pleegouders, ouders en pleegkinderen misschien beter af zijn met een pleegzorgbegeleider die de ondersteuning van alle drie de partijen voor zijn rekening neemt. De (gezins)voogd kan zich dan beperken tot formele zaken en optreden in het geval van een belangentegenstelling tussen pleegouders en ouders.
De pleegzorgbegeleider
Netwerkpleegouders hechten aan het contact met de pleegzorgbegeleider. Zij hechtenook aan zijn of haar - op ervaring - gefundeerde oordeel over de opvoedingssituatie.
Het her- en erkennen van de krachten van de familie en het sociale netwerk door de
begeleider is daarin essentieel. Hulpverleners vergeten soms familie en vrienden te
betrekken bij het onderzoek naar de gezinssituatie. Een oma, die dit ondervond, houdt
geregeld een familievergadering met al haar kinderen. Daarin wordt besproken hoe
het gaat met de kleinkinderen waar ze voor zorgt. Voor het geval oma iets overkomt
heeft de familie al een plan in de kast liggen. Deze oma vindt dat hulpverleners niet
moeten onderschatten hoeveel mensen bereid zijn om bij te springen wanneer dat
nodig is.
De pleegzorgwerker heeft ook een belangrijke taak in het uitbreiden van het netwerk.
Netwerkpleegouders willen graag de leerkrachten meer betrekken bij de opvoeding
van het kind. De pleegouders vinden schoolprestaties belangrijk voor de eigenwaarde
van hun pleegkind.
Werk aan de winkel
Het percentage familie- en sociale netwerkplaatsingen verschilt per provincie; van
21% in Friesland tot 56% in Zuid-Holland. Bij de instellingen voor Therapeutische
Gezinsverpleging varieert dit percentage van 2% in Rotterdam en Groningen tot 20%
in Leiden en Deventer. De ontwikkeling van een landelijke visie en werkwijze ten
aanzien van familie- en sociale netwerkplaatsingen kan bijdragen aan het beter
benutten van de familie en het sociale netwerk van kinderen en ouders bij een
uithuisplaatsing. In het te ontwikkelen beleid en de activiteiten van voorzieningen
voor pleegzorg moet vooral de dienstverlening centraal staan.
Netwerkpleegouders verwachten van voorzieningen voor pleegzorg vooral
ondersteuning in financiële zaken en in contacten rond school. Begrip en emotionele
steun krijgen zij het liefst van familie en vrienden. De pleegzorgbegeleider moet
advies en feedback geven over de opvoedingssituatie omdat hij verstand heeft van
pleegzorg. Een 24-uurs bereikbaarheid van de pleegzorgbegeleiders, praktisch
pedagogische adviezen over de ontwikkelingstaken van een pleegkind en
gespreksgroepen staan ook op het verlanglijstje van de pleegouders.
Tevens wensen
zij een betere afstemming tussen het handelen van pleegzorgbegeleiders en
(gezins)voogden, om onduidelijkheden over het perspectief van de plaatsing te
voorkomen. Voor pleegkinderen vinden de pleegouders een contactgroep belangrijk;
zij kunnen daarin ervaringen uitwisselen met kinderen die in een vergelijkbare situatie
verkeren. Voor de ouders wensen zij een intensievere begeleiding in het contact met
hun kind.
Kortom: pleegouders binnen de familie en het sociale netwerk weten wat zij wel en
niet willen in de samenwerking met de voorzieningen voor pleegzorg!
Riet Portengen en Mirte Loeffen zijn beiden (ortho)pedagoog en werkzaam bij het NIZW (Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn).
zie ook:
Een verslag van het onderzoek 'Familie- en sociale netwerkplaatsingen' is te bestellenbij het NIZW in Utrecht. De prijs is fl. 12,50.