artikel uit Mobiel 4, augustus 1998

Gevoelens kennen geen geografische grenzen

Door Rob van Pagée (directeur Stichting OKS)

Als deze aflevering van MOBIEL verschijnt is de jaarlijkse pleegzorg conferentie al weer achter de rug. Vier dagen lang ontmoetten mensen die op wat voor manier dan ook met pleegzorg te maken hebben elkaar, spraken over nationale en internationale ontwikkelingen in de pleegzorg, en wisselden ervaringen uit. Dat is ook precies de doelstelling van de conferenties van de International Foster Care Organization (IFCO). In het afgelopen decennium hebben hier gelegde contacten tussen Nederlandse, Amerikaanse, Belgische, Zweedse, Finse, Estlandse, Hongaarse en Noorse collega's geleid tot het uitwisselen en delen van pleegzorg educatie.

Het opvoeden en verzorgen van kinderen die van hun ouders gescheiden zijn als gevolg van mishandeling, verwaarlozing, armoede of verlating vereist veel energie aan voorbereidingen ondersteuning van pleegouders en pleegzorgbegeleiders. Het is een langdurig proces dat veel middelen en kennis vraagt om daarvoor training en educatie te ontwikkelen. Om die reden biedt het delen van kennis die internationaal kan worden overgedragen, aangepast en geïmplementeerd, veel voordelen.

De eerste voorbereidingsprogramma's

De afgelopen 25 jaar is in de Verenigde Staten een traditie ontstaan van een gestandaardiseerde voorbereiding, selectie en ondersteuning van pleegouders en adoptieouders. In 1974 werd er een voorbereidingsprogramma voor pleegouders, het NOVA-programma, ontwikkeld. Bijna tien jaar later bracht het MAPP-programma een gemoderniseerde versie, en sinds 1993 beschikt men met FOSTER PRIDE over een derde generatie programma's. Nieuwe inzichten, kennis en veranderingen in de samenleving maken het nodig dat pleegzorgeducatie wordt aangepast aan de eisen van de tijd.

Uitwisseling van kennis

De uitwisseling van deze kennis tussen verschillende landen is begonnen na de IFCO-conferentie in Leeds (UK) in 1988. In Nederland vond in 1989 binnen de Stichting Op Kleine Schaal een proef plaats met materiële ondersteuning van fondsen en de overheid. Men wilde onderzoeken wat effectiever was: een elders ontwikkeld en gebruikt voorbereidingsprogramma naar Nederland halen, of zelf - met vallen en opstaan -een nieuw programma maken.
De keuze van het programma was niet eenvoudig. Want wat is er allemaal, en vervolgens: wat is goed? Er werd uiteindelijk gekozen voor het MAPP-programma omdat daarin voor het eerst voorbereiding en selectie in 1 model werden gebracht, en dat was effectief en tijdbesparend. Bovendien was het aantrekkelijk omdat hierin samenwerking tussen pleegouders en begeleiders met verschillende (aanvullende) kennis en vaardigheden centraal stond. Ook het uitgangspunt van een gedeelde visie en toewerken naar hetzelfde doel sprak aan. Pleegouders en begeleiders hebben nu eenmaal specifieke voorbereiding en training nodig om effectief lid van een pleegzorg team te kunnen zijn.
De Nederlandse/Amerikaanse ervaring viel zeer positief uit. Het overgrote deel van het materiaal was, na aanpassing aan de Nederlandse omstandigheden, bruikbaar. Het bleek dus doelmatiger om een reeds ontwikkeld programma over te nemen en toe te passen, dan zelf een nieuwe benadering te bedenken.

Implementatie en overdracht

De ministeries van VWS en Justitie stelden geld beschikbaar om het Amerikaanse programma in Nederland te gaan implementeren. Het STAP pleegzorgeducatie traject werd opgezet en is inmiddels onderdeel geworden van het pleegzorglandschap in Nederland. De afgelopen tien jaar heeft de invoering van de nieuwe kennis een bijdrage geleverd aan de hervorming van de structuur, het beleid en de praktijk van de pleegzorg in Nederland. De overdracht van het programma in 1991 naar het Vlaamssprekende deelvan België heeft er toe geleid dat het hier door meer dan de helft van de organisaties wordt gebruikt.
De Amerikaanse/Nederlandse/Belgische ervaringen waren ook leerzaam bij het creëren van een model voor internationale overdracht van kennis en vaardigheden op dit gebied. Collega's uit Zweden en Finland besloten een aantal jaren geleden om op het reeds ontwikkelde educatie en trainingsprogramma voort te bouwen. Het was voor hen een geruststellende gedachte dat zij hiermee een programma kregen waarvan de ontwikkeling gebaseerd was op meer dan twee decennia van concepten, theorieën en praktijk. Zo profiteerden zij van de mogelijkheden van internationale overdracht die het model biedt.

Het transfermodel

De overdracht naar Zweden bood de gelegenheid om, op basis van de ervaringen tot dan toe, een 'transfermodel' te ontwikkelen. Dit model steunt op de vier ontwikkelingsfasen van het leren die ook in het pleegzorg educatietraject terug te vinden zijn:

  1. Een kandidaat-pleegouder die bijvoorbeeld dacht dat pleegkinderen dankbaar zouden zijn voor het feit dat ze uit huis gehaald zijn bij een mishandelende ouder, wordt zich bewust worden van het feit dat de meeste kinderen verdrietig zijn en een rouwproces doormaken wanneer ze van hun ouders gescheiden zijn.
  2. aspirant-pleegouders nieuwe inzichten vormen. Zo leert de pleegouder uit het voorbeeld dat een rouwproces verschillende fases kent zoals: schok, ontkenning, woede, depressie, en met het bijbehorende gedrag. Nu de pleegouder niet langer dankbaarheid verwacht, kan hij/zij met deze kennis realistischer tegenover het gedrag van het kind staan.
  3. eigen levenservaringen. Zij begrijpen dat eigen ervaringen met het verwerken van verlies, scheiding en rouw hen behulpzaam kunnen zijn in het werk met de kinderen, of dat werk juist extra moeilijk kunnen maken.
  4. opgenomen en verwerkt en een niveau bereikt van 'kunnen handelen'. De kennis over verlies, scheiding en rouw kunnen ze gebruiken en toepassen in hun dagelijkse werk met pleegkinderen.

Internationaal overdrachtsproces

Bovenstaande niveaus zijn niet uniek voor de specifieke situatie en meestal toepasbaar op elke leersituatie. Het internationale overdrachtsproces van pleegzorgeducatie naar Finland, en later naar andere landen, werd dan ook volgens dezelfde vier niveaus ontworpen:

  1. pleegouderverenigingen en uitvoerders van pleegzorg te informeren over de mogelijkheden van het educatieproject. Op een voor hen georganiseerd seminar krijgen deze sleutelfiguren een overzicht van de structuur, inhoud en middelen van de pleegzorg. Het seminar biedt de gelegenheid om mogelijkheden en moeilijkheden bij de invoering in het betreffende land te bespreken.
  2. uit een 'incountry' en een 'out-country' team; over de regeling van financiën en contracten; over de vertaling van materiaal en het formeren en opleiden van een eerste groep programma-begeleiders in dat land.
  3. groep programma-begeleiders. Tijdens deze eerste ronde krijgen zij ondersteuning en consultatie, en worden de uitkomsten van het proefprogramma geëvalueerd.
  4. een landelijk implementatie-plan ontwikkeld. Lokale trainers worden opgeleid die op hun beurt nieuwe programma-begeleiders opleiden. Zij vormen het landelijke team dat verantwoordelijk wordt voor de overdracht en verdere ontwikkeling van pleegzorgeducatie in hun land.

Vormgeving

De afgelopen jaren is veel ervaring opgedaan met de vormgeving van het internationaal overdrachtsproces. Het vier-fasen model biedt een goed raamwerk om na elke fase resultaten te evalueren en doelen, taken, rollen en verwachtingen vast te stellen voor een volgende fase. Ook is het mogelijk na elke fase het proces af te breken wanneer blijkt dat vraag en aanbod niet bij elkaar passen. Deze mogelijkheden houden het proces energiek. Het vaststellen van een goede leiderschapsstructuur en het werken met resp. in- en out-country teams is essentieel gebleken. De kwaliteit van de overdracht wordt in hoge mate bepaald door de culturele en taalkundige vertaalslag van het in-country team, dat zich verantwoordelijk weet voor de implementatie van het pleegzorg educatie project.

Effecten

De contacten die tijdens de IFCO-conferenties zijn gelegd hebben bij de overdracht van pleegzorgeducatie geleid tot daadwerkelijke uitwisseling tussen landen. De uitwisseling werkt kostenbesparend omdat er minder ontwikkelingskosten zijn en men gebruik maakt van elkaars produkten. Zo is inmiddels in verschillende landen een Zweedse film onderdeel geworden van het educatietraject ter plekke. Het overdrachtsproces heeft ook laten zien dat leden van het in-country team die zelf vier-fasen hebben doorlopen, vaak geschikt zijn om in een later stadium lid te worden van een out-country team. Zo werken Nederlandse, Finse en Zweedse trainers nu samen bij de overdracht naar Estland, Noorwegen en Hongarije. Het ligt voor de hand dat Hongaarse collega's zullen helpen bij de overdracht naar andere Centraal- en Oost-Europese landen.

Tot slot

De gunstige resultaten van deze overdracht laten zien dat het inderdaad mogelijk is om pleegzorgeducatie van het ene land naar het andere land over te brengen. Weerstanden door verschillen in cultuur en taal kunnen worden overwonnen. Het belangrijkste is dat gevoelens van kinderen en ouders die van elkaar gescheiden zijn, overeenkomstig zijn, waar dan ook ter wereld. Om deze reden is uitwisseling van kennis en ervaring - zowel nationaal als internationaal - zinvol en effectief.